3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiser] heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd – voor zover in cassatie van belang – dat Esprit wordt veroordeeld tot betaling van:
a. een onkostenvergoeding ten bedrage van € 325,-- en een extra vergoeding vanwege het afzien van een leaseauto ten bedrage van € 1.100,--;
b. achterstallig salaris en vakantiegeld over de maand maart 2009 ten bedrage van € 381,84;
c. salaris over de maanden augustus t/m november 2009 ten bedrage van € 4.200,--;
d. achterstallig vakantiegeld over 2009 ten bedrage van € 366,68;
e. ten onrechte ingehouden salaris in mei 2009 over januari 2009 ten bedrage van € 144,--;
f. een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen ten bedrage van € 3.714,--;
g. de wettelijke verhoging van de uitbetaling van de bonus over 2008 ten bedrage van € 1.025,--;
h. de wettelijke verhoging op de voet van art. 7:625 BW over de posten a tot en met f.
(ii) Bij vonnis van 18 augustus 2011 heeft de kantonrechter Esprit veroordeeld om aan [eiser] bedragen van € 325,-- netto aan onkostenvergoeding en € 176,-- netto aan wettelijke verhoging te betalen, vermeerderd met rente. Ten aanzien van het resterende deel van vordering a heeft de kantonrechter [eiser] een bewijsopdracht verstrekt. De kantonrechter heeft de vorderingen b tot en met g en de onder h gevorderde wettelijke verhoging over de posten b tot en met f afgewezen, en heeft de beslissing ten aanzien van de posten a en h aangehouden voor zover nog niet over die posten was beslist.
(iii) [eiser] is bij exploot van 17 november 2011 van dit vonnis in hoger beroep gegaan voor zover daarin een eindbeslissing is opgenomen. Deze appelprocedure is nog bij het hof aanhangig.
(iv) Ter uitvoering van de bij het vonnis van 18 augustus 2011 gegeven bewijsopdracht is voortgeprocedeerd. De kantonrechter heeft bij vonnis van 24 mei 2012 “de vordering van in totaal € 1.100,00 voor een vergoeding voor het afzien van een leaseauto door [eiser]” afgewezen.
(v) [eiser] is bij exploot van 13 augustus 2012 van het interlocutoire gedeelte van het vonnis van 18 augustus 2011 en van het eindvonnis van 24 mei 2012 in hoger beroep gegaan. Esprit is op de aangezegde roldatum niet verschenen.
(vi) De rolraadsheer van het hof heeft de zaak ambtshalve verwezen naar de rol voor akte aan de zijde van [eiser] over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. [eiser] heeft een akte genomen.
3.2
Het hof heeft [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Het heeft aan zijn beslissing ten grondslag gelegd dat de kantonrechter in zijn vonnis van 18 augustus 2011 op nagenoeg alle vorderingen van [eiser] had beslist en in zijn eindvonnis van 24 mei 2012 nog slechts diende te oordelen over gevorderde bedragen van in totaal € 1.697,06. Dit bedrag ligt onder de appelgrens van art. 332 lid 1 Rv. De omstandigheid dat de kantonrechter met het eerdere deelvonnis al een einde had gemaakt aan de rechtsstrijd ten aanzien van de overige vorderingen, brengt geen wijziging in de omstandigheid dat de kantonrechter in het eindvonnis had te oordelen over een geringer bedrag dan € 1.750,--, aldus het hof. (rov. 3.3)
3.3
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Wat betreft de hoogte van de vordering waarover de rechter in eerste instantie diende te oordelen, dienen volgens het onderdeel de vorderingen bij elkaar te worden opgeteld en is dus het totale beloop van de vorderingen beslissend. Ten aanzien van de vraag of de onderhavige vordering appellabel is dienen de bij deelvonnis verworpen vorderingen (die meer dan € 10.000,-- bedragen) te worden betrokken, zodat de onderhavige vordering wel degelijk appellabel is en het hof [eiser] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.4
Het onderdeel slaagt.
Voor de toepassing van de appelgrens van art. 332 lid 1 Rv is bepalend het totale beloop of de totale waarde van het gevorderde, ook indien de zaak meer dan één vordering tussen dezelfde partijen betreft (art. 332 lid 2 Rv). Indien de rechter over het gevorderde beslist in meer (deel)vonnissen, dient voor de appellabiliteit van elk van die (deel)vonnissen in aanmerking te worden genomen wat het totale beloop of de totale waarde was van het gevorderde waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen.
Daarbij geldt dat een wijziging van eis (uitsluitend) gevolgen kan hebben voor de appellabiliteit van vonnissen die na deze eiswijziging worden uitgesproken.
De andersluidende opvatting van het hof zou meebrengen dat de wijze waarop de rechter in eerste aanleg een zaak afdoet, bepalend kan zijn voor de mogelijkheden tot het instellen van hoger beroep. Aldus zou de min of meer toevallige, en mede door beleidsoverwegingen ingegeven, wijze waarop de eerste rechter de zaak afdoet, bepalend zijn voor de appellabiliteit van de door hem gewezen vonnissen, hetgeen zich niet verdraagt met het wettelijk stelsel.