3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
( i) Attero houdt zich bezig met afvalverwerking. In Wijster (gem. Midden-Drenthe) exploiteert zij een afvalverbrandingsinstallatie. Een van haar hoofdactiviteiten is de verwerking van brandbaar afval tot brandstof. Uit huishoudelijk afval produceert zij een secundaire brandstof, genaamd PP2, met als voornaamste bestanddelen papier en plastic. PP2 is te gebruiken voor industriële toepassingen.
(ii) TRMI is een bemiddelaar bij overeenkomsten ter zake van afvalverwerking. Zij beschikt over contacten in het buitenland.
(iii) In 2005 heeft TRMI de rechtsvoorganger van Attero benaderd om PP2 naar het buitenland te transporteren en daar te laten verwerken. Om te voorkomen dat Attero de buitenlandse verwerker rechtstreeks zou benaderen, heeft TRMI exclusiviteit bedongen. Een en ander is vastgelegd in een overeenkomst van 13 december 2005.
(iv) TRMI heeft, conform de voorwaarden van deze overeenkomst, aan Attero een voorstel gedaan met als beoogd verwerker de firma Cementownia te Chelm (Polen). Op 15 februari 2006 heeft (de rechtsvoorganger van) Attero zich akkoord verklaard met een contract voor drie jaar op hoofdlijnen, voor de levering van ongeveer 160.000 ton “afval” naar Polen.
( v) Voor de invoer van de voor deze transactie benodigde afvalstromen was in Polen een invoervergunning nodig. Die vergunning is nimmer afgegeven. Tot een nadere invulling, laat staan uitvoering, van de beginselafspraak van 15 februari 2006 is het tussen Attero en TRMI niet meer gekomen.
(vi) TRMI heeft een civiele procedure bij de rechtbank te Assen aangespannen. Daarin heeft zij gesteld dat Attero de exclusiviteitsverklaring van 13 december 2005 heeft geschonden en heeft zij vergoeding van gederfde inkomsten gevorderd. Die vordering ten bedrage van € 23.400.000,--, is door de rechtbank afgewezen. In het door TRMI tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof bij arrest van 14 april 2010 het vonnis bekrachtigd.
(vii) De officier van justitie heeft Attero vervolgd bij de rechtbank te Groningen wegens overtreding van afvalstoffenwetgeving. De rechtbank (kamer voor economische strafzaken) heeft bij vonnis ten laste van Attero bewezen verklaard:
“dat verdachte op meer tijdstippen in de periode van juni 2008 t/m november 2008 in de gemeenten Stadskanaal en Midden-Drenthe en in Polen tezamen en in vereniging met een ander, handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35 van de EG-Verordening overbrenging van afvalstoffen, aangezien de overbrenging van Nederland naar Polen van afvalstoffen, te weten papier/kunststof-afval (PP2 met een korrelgrootte van meer dan 40 mm en een verbrandingswaarde van minder dan 15MJ/kg), geschiedde zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig die EG-Verordening.”
Deze feiten zijn door de rechtbank gekwalificeerd als: “medeplegen van een overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.” Aan Attero is een boete opgelegd. De verdachte en de officier van justitie hebben tegen dit strafvonnis geen hoger beroep ingesteld.
(viii) TRMI heeft zich in de strafzaak in eerste aanleg gevoegd als benadeelde partij met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 23.400.000,--, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. Zij heeft bij de rechtbank toegelicht dat het gaat over hetzelfde feitencomplex als in de civiele procedure. Zij achtte zich gerechtigd deze vordering bij de strafrechter in te dienen, ook al was deze eerder voorgelegd aan de burgerlijke rechter.
3.2.1
In het in 3.1 onder (vii) vermelde vonnis is TRMI niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Daartoe is overwogen:
“De rechtbank is van oordeel dat, indien de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding reeds bij vonnis van de burgerlijke rechter is toe- of afgewezen, de strafrechter na een daartoe strekkend verweer de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te verklaren. Hetgeen door de benadeelde partij ter zitting is aangevoerd in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij in behandeling dient te nemen, zeker nu ook de civiele rechter heeft overwogen dat de schade van de benadeelde partij afhankelijk kan zijn van een veroordelend vonnis van de strafrechter.
Naar het oordeel van de rechtbank ziet de vordering van de benadeelde partij evenwel niet op een strafrechtelijk verwijt, zodat er geen causaal verband is aan te nemen. De benadeelde partij heeft geen schade ondervonden als gevolg van verdachtes schending van het door artikel 10.60 van de Wet milieubeheer beschermde milieubelang. De rechtbank zal de benadeelde partij in haar vordering derhalve om die reden niet-ontvankelijk verklaren.”
3.2.2
TRMI heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (kamer voor burgerlijke zaken), voor zover zij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is verklaard. Zij heeft in hoger beroep de grondslag van haar vordering aangevuld. De memorie van grieven houdt onder meer in:
“Aldus baseert zij haar vordering thans zowel op wanprestatie als op onrechtmatige daad. Attero heeft immers verwijtbaar opzettelijk gehandeld door willens en wetens buiten TRMI om afvaltransporten toe te laten in een situatie dat zij (Attero) met TRMI exclusiviteit was overeengekomen, zodat Attero ook aldus wist dat zij door haar handelen of nalaten (moedwillig) aan TRMI schade toebracht.”
Attero heeft in hoger beroep verweer gevoerd, ook met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
3.2.3
Bij het bestreden arrest heeft het hof TRMI niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. Het hof leidde uit de wetsgeschiedenis af dat het rechtsmiddel van art. 421 lid 4 Sv uitsluitend is bestemd voor de benadeelde partij wier vordering in de strafzaak ontvankelijk is bevonden en vervolgens ten gronde is afgewezen (rov. 6.9). Het hof voegde hieraan toe dat voor een benadeelde partij die door de strafrechter niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering, de mogelijkheid openstaat zich te wenden tot de burgerlijke rechter (in eerste aanleg) met een vordering naar burgerlijk recht, waarvoor de gewone regels van de civiele procedure gelden (rov. 6.13).
3.3.1
Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het hiervoor weergegeven oordeel van het hof. De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.3.2
In art. 421 lid 4 Sv is voor het geval waarin de strafrechter in eerste aanleg een inhoudelijk afwijzend oordeel heeft gegeven over de vordering van de benadeelde partij en verdachte noch het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld tegen het strafvonnis, bepaald dat de benadeelde partij tegen het deel van het vonnis waarbij haar vordering is afgewezen in hoger beroep kan komen bij het gerechtshof. Op dat geding zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering inzake het rechtsgeding in hoger beroep en cassatie van overeenkomstige toepassing.
3.3.3
In de onderhavige zaak heeft de strafrechter in eerste aanleg de vordering van de benadeelde partij TRMI niet ten gronde afgewezen, maar TRMI - klaarblijkelijk op de voet van art. 361, lid 2 aanhef en onder b, Sv - niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, omdat de rechtbank van oordeel was dat de vordering tot schadevergoeding van TRMI niet was gebaseerd op het aan Attero gemaakte strafrechtelijk verwijt. Tegen deze beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring heeft de wet geen hoger beroep opengesteld. In een bijzondere appelmogelijkheid, zoals die van art. 421, lid 4, Sv behoeft ook niet te worden voorzien, nu zodanige niet-ontvankelijkverklaring de benadeelde partij niet berooft van de mogelijkheid haar vordering tot schadevergoeding aan de burgerlijke rechter voor te leggen.
3.3.4
De bestreden beslissing van het hof is dus juist. Daarop stuiten de klachten van het middel af.