Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Voor zover in cassatie van belang heeft het daartoe het volgende overwogen.
Op grond van art. 3:105 lid 1 BW verkrijgt degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De verjaringstermijn bedraagt twintig jaren (art. 3:306 BW). Deze verjaringstermijn tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (art. 3:314 lid 2 BW). (rov. 4.4)
Tot 1994 is geen sprake geweest van ondubbelzinnig bezit van de strook door [verweerder] of zijn rechtsvoorgangers. [verweerder] heeft onvoldoende uiterlijke omstandigheden gesteld op grond waarvan (voor de Gemeente) duidelijk had moeten zijn dat hij de strook, anders dan het perceel, voor zichzelf hield. Het beroep van [verweerder] op voltooiing van de extinctieve verjaring vóór 1994 stuit hierop af. (rov. 4.5)
Na de koop en levering van het perceel van de Gemeente op 24 juni 1994 is [verweerder] eigenaar van het perceel geworden. [verweerder] is vanaf dat moment wel als bezitter van de strook aan te merken. De Gemeente betwist immers niet dat [verweerder] de reeds bestaande situatie heeft gehandhaafd waarbij de strook bij zijn achtertuin is getrokken en met een omheining wordt afgescheiden van het perceel van de Gemeente, waardoor de toegang tot de strook aan derden, onder wie (medewerkers van) de Gemeente, wordt ontzegd. Omdat [verweerder] geen erfpachter van de strook is geweest – en dus ook geen houder – geldt hier niet het interversieverbod van art. 3:111 BW, nog daargelaten dat [verweerder] het eigendomsrecht van de Gemeente in deze procedure en in de daaraan voorafgaande correspondentie heeft tegengesproken met de ondubbelzinnige mededeling zelf eigenaar van de strook te zijn. (rov. 4.6)
Sinds de aankoop van het perceel zijn nog geen twintig jaren verstreken. Er kan alleen sprake zijn van extinctieve verjaring wanneer er al vóórdat [verweerder] bezitter van de strook werd, sprake was van een onrechtmatige toestand waarvan de onmiddellijke opheffing door de Gemeente kon worden gevorderd, waarvan het bezit de voortzetting is en er sinds het ontstaan van een dergelijke toestand al twintig jaren zijn verstreken. Naar het oordeel van het hof is dit inderdaad het geval. Uit de eigen uitlatingen van de Gemeente blijkt dat zij de situatie als een onrechtmatige toestand en niet als een bruikleen heeft beschouwd. De Gemeente heeft geen actie ondernomen tegen het onrechtmatige gebruik van de strook, terwijl zij dit wel had kunnen doen. Bij gebrek aan een grondslag voor het gebruik van de strook door [verweerder] (en zijn rechtsvoorgangers), was sprake van een onrechtmatige toestand. De Gemeente had opheffing van deze toestand kunnen vorderen en had dat in ieder geval al kunnen doen op het moment dat [verweerder] erfpachter werd in 1982. Sindsdien zijn meer dan twintig jaren verstreken waarin de Gemeente ook geen stuitingshandelingen heeft verricht. Nu [verweerder] bij de aankoop van het perceel ook bezitter van de strook is geworden, is de vordering van de Gemeente tot beëindiging van het bezit van [verweerder] verjaard. (rov. 4.8-4.10)
3.4.1
De onderdelen 1-4 van het middel klagen onder meer dat het hof [verweerder] ten onrechte heeft aangemerkt als bezitter van de strook vanaf 24 juni 1994, nu het ervan is uitgegaan dat [verweerder] voordien houder was van de strook. In dat geval staat het interversieverbod van art. 3:111 BW eraan in de weg dat [verweerder] bezitter werd, aangezien van tegenspraak van recht in de zin van art. 3:111 BW op dat moment geen sprake is geweest, aldus de onderdelen.
3.4.2
Deze klacht gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft niet geoordeeld dat de feitelijke macht die [verweerder] en zijn rechtsvoorgangers voor 24 juni 1994 over de strook uitoefenden berustte op houderschap voor de Gemeente. Het heeft slechts geoordeeld dat tot dat tijdstip geen sprake was van ondubbelzinnig bezit van de strook door [verweerder] en zijn voorgangers.
3.4.3
In verband met het bovenstaande heeft het hof in rov. 4.6 kunnen oordelen dat art. 3:111 BW niet in de weg staat aan het aanvaarden van bezit van [verweerder] van de strook met ingang van de overdracht van het perceel op 24 juni 1994, met ingang van welke datum dat bezit – in het bijzonder voor de Gemeente als rechthebbende van de strook – niet langer als ‘niet ondubbelzinnig’ kon worden aangemerkt. Uit de rov. 4.5 en 4.6 van het hof volgt dat het de feitelijke situatie ten aanzien van de strook in beginsel van dien aard heeft geacht dat daaruit houden voor zichzelf kon worden aangenomen, maar dat daaraan tot 24 juni 1994 in de weg stond dat [verweerder] van het aangrenzende perceel geen bezitter, maar erfpachter was. Daarvan uitgaande heeft het hof de handhaving van de feitelijke situatie ten aanzien van de strook door [verweerder] vanaf de overdracht van het perceel op 24 juni 1994 – waarmee dat beletsel was opgeheven – zonder schending van enige rechtsregel als bezit van de strook kunnen aanmerken. Ook was het hof niet tot nadere motivering van dat oordeel gehouden.