Arbeidsrecht. Wettelijke rente over wettelijke verhoging toewijsbaar nadat bij eerdere uitspraak op de voet van art. 7:625 BW lid 1 BW de wettelijke verhoging zonder rente is toegewezen? Misbruik van procesrecht, afstand van recht, rechtsverwerking? Matigingsbevoegdheid rechter; mogelijkheid om verhoging toe te wijzen onder voorwaarde dat werknemer niet alsnog aanspraak maakt op vergoeding wettelijke rente over periode tot aan beslissing over de verhoging.
Rechtspraak.nl JWB 2015/78 AR 2015/233 RvdW 2015/311 Prg. 2015/79 NJB 2015/413 RAR 2015/62 NJ 2015/463 met annotatie van E. Verhulp JBPr 2015/32 met annotatie van mr. J.G.A. Linssen JAR 2015/74 met annotatie van mr. N.T. Dempsey AR-Updates.nl 2015-0153 VAAN-AR-Updates.nl 2015-0153
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Datawell.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 561989\CV EXPL 12-7939 van de kantonrechter te Haarlem van 25 oktober 2012;
b. het arrest in de zaak 200.121.491/01 van het gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2013.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Datawell heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Datawell mede door mr. F.M. Dekker.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 4 december 2014 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiser] is tussen 1973 en 2004 in loondienst van Datawell geweest. De arbeidsovereenkomst is bij beschikking van 30 juni 2004 op verzoek van Datawell ontbonden.
(ii) Op vordering van [eiser] is Datawell bij vonnis van 22 juni 2005 onder meer veroordeeld tot betaling aan [eiser] van achterstallig loon (€ 33.495,-- bruto) en uitkering van niet opgenomen vakantiedagen (€ 9.039,24 bruto), telkens vermeerderd met de wettelijke rente en met de maximale wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging. Dat vonnis is door het hof bekrachtigd bij arrest van 18 november 2008. Daartegen is geen cassatieberoep ingesteld.
(iii) Nadat Datawell aan [eiser] op basis van voormeld vonnis betalingen had verricht, waaronder een bedrag van € 21.267,12 wegens wettelijke verhogingen, heeft [eiser] in maart 2009 aan Datawell verzocht over dit bedrag wettelijke rente te betalen. Aan dat verzoek heeft Datawell niet voldaan.
3.2.1
In dit geding vordert [eiser] dat Datawell wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van de toegekende wettelijke verhogingen. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.
3.2.2
Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Daartoe heeft het hof, samengevat weergegeven, als volgt overwogen.
De veroordeling van Datawell tot betaling van wettelijke rente in het vonnis van 22 juni 2005 laat zich niet anders lezen dan dat deze uitsluitend betrekking heeft op de veroordelingen tot betaling van € 33.495,-- bruto en € 9.039,34 bruto, en niet ook op de wettelijke verhoging over die bedragen. [eiser] heeft in die procedure ook slechts vergoeding van wettelijke rente over die bedragen gevorderd. In eerste aanleg en in hoger beroep zijn de vorderingen in deze zin verstaan en toewijsbaar geacht. (rov. 3.11)
Nu de rentevordering niet was begrepen in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 22 juni 2005, moet zij worden aangemerkt als een nieuwe vordering. De toewijzing van een nieuwe vordering tot toekenning van wettelijke rente over een bij een eerder vonnis toegekende wettelijke verhoging, verdraagt zich niet met de bevoegdheid van de rechter tot matiging van de wettelijke verhoging in art. 7:625 lid 1, laatste volzin, BW. Die bevoegdheid heeft mede de strekking te voorkomen dat een onredelijke cumulatie ontstaat van de wettelijke verhoging met de wettelijke rente die de werkgever volgens art. 6:119 BW in beginsel wegens vertraging in de betaling is verschuldigd. (rov. 3.12)
Deze strekking brengt mee dat de rechter bij de uitoefening van de bevoegdheid tot matiging rekening moet kunnen houden met een eventuele aanspraak van de werknemer op vergoeding van de wettelijke rente over de wettelijke verhoging. In het onderhavige geval was dat niet mogelijk. Het gezamenlijke beloop van de destijds gevorderde wettelijke verhoging en de thans gevorderde rente is aanzienlijk hoger dan de maximale wettelijke verhoging van 50% over de toegewezen loonsom en vergoeding wegens niet opgenomen vakantiedagen. Het voorgaande brengt mee dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat de vordering dus ook in hoger beroep niet toewijsbaar is. (rov. 3.13)
3.3
De klachten van het middel houden naar de kern genomen in dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd, door te overwegen dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering ter zake van de wettelijke rente over de eerder toegewezen wettelijke verhoging.
3.4.1
Bij de beoordeling van de klachten wordt het volgende vooropgesteld.
3.4.2
Art. 7:625 lid 1 BW geeft een werknemer onder bepaalde voorwaarden aanspraak op verhoging van het loon wegens vertraging in de loonbetaling. De rechter kan deze verhoging beperken tot een bedrag dat hem in de omstandigheden van het geval billijk voorkomt.
3.4.3
Een vordering tot betaling van de verhoging kan worden gecombineerd met een vordering tot vergoeding van wettelijke rente over het bedrag van de verhoging. De verhoging is bedoeld als een prikkel voor werkgevers om het loon tijdig te betalen. De wettelijke rente daarover is bedoeld als een vergoeding van de schade die de werknemer lijdt doordat hij de wettelijke verhoging waarop hij recht heeft, niet tijdig ontvangt. De matigingsbevoegdheid van art. 7:625 lid 1 BW biedt voldoende mogelijkheid om een onredelijke cumulatie van de verhoging met de wettelijke rente te voorkomen. (Vgl. HR 5 januari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7251, NJ 1979/207)
3.4.4
Een vordering tot vergoeding van wettelijke rente behoeft niet noodzakelijkerwijze tegelijk te worden ingesteld met de vordering tot betaling van de hoofdsom. Dat is niet anders indien het betreft rente over een verhoging uit hoofde van art. 7:625 BW. Vordert een werknemer de wettelijke rente over de verhoging in een afzonderlijke procedure, nadat de verhoging geheel of ten dele is toegewezen in een eerdere procedure waarin geen wettelijke rente over de verhoging was gevorderd, dan kan de rechter in het licht van de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel komen dat sprake is van misbruik van procesrecht, maar daarbij past de rechter terughoudendheid (vgl. HR 6 april 2012, rov. 5.1, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233). Ook het aannemen van afstand van recht of rechtsverwerking is in een zodanig geval denkbaar.
3.4.5
Opmerking verdient nog het volgende. Indien de wettelijke rente wordt gevorderd nadat de verhoging reeds is toegewezen, ontbreekt de hiervoor in 3.4.3 aangeduide mogelijkheid om door matiging een onredelijke cumulatie van de wettelijke verhoging met de wettelijke rente te voorkomen. De matigingsbevoegdheid van art. 7:625 lid 1 BW biedt echter voldoende mogelijkheid om een verhoging in voorkomend geval slechts toe te wijzen onder de voorwaarde dat de werknemer niet alsnog aanspraak maakt op vergoeding van wettelijke rente over de periode tot aan de beslissing over de verhoging.
3.5
Gezien het voorgaande is, anders dan het bestreden oordeel tot uitgangspunt neemt, niet op voorhand uitgesloten dat wettelijke rente alsnog wordt gevorderd nadat bij rechterlijke uitspraak op de voet van art. 7:625 lid 1 BW een verhoging is toegewezen. De hierop gerichte klachten slagen. De overige klachten behoeven geen behandeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 oktober 2013;
verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Datawell in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 493,98 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, C.E Drion en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 13 februari 2015.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: