In de rechtspraak van de Hoge Raad is tot dusverre het navolgende beslist omtrent de verhouding tussen de Betekeningsverordening II en het Haags Betekeningsverdrag enerzijds en de art. 63 lid 1 en 115 Rv anderzijds.
(i) Kantoorbetekening van een rechtsmiddelexploot op de voet van art. 63 lid 1 Rv volstaat om verstek te verlenen tegen degene voor wie dit exploot is bestemd, indien deze persoon een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in een lidstaat waar de Betekeningsverordening II van toepassing is. In een dergelijk geval behoeft niet de weg van de Betekeningsverordening II te worden gevolgd. (Vgl. HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3078, NJ 2010/111 (Demerara/[…])
(ii) Kantoorbetekening van een rechtsmiddelexploot op de voet van art. 63 lid 1 Rv volstaat eveneens om verstek te verlenen tegen degene voor wie dit exploot is bestemd, indien deze persoon een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in een (al dan niet in Europa gelegen) staat die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag. In een dergelijk geval behoeft niet de weg van het Haags Betekeningsverdrag te worden gevolgd. (Vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0006, NJ 2011/368 ([.../...]), en HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3105 (Stichting Evangeliegemeente De Weg/X))
(iii) Indien de persoon voor wie het exploot is bestemd, een bekende woonplaats heeft in een buiten Europa gelegen staat die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag, kan het kantooradres van de advocaat bij wie die persoon op de voet van art. 63 lid 1 Rv in de vorige instantie laatstelijk ter zake woonplaats heeft gekozen, gelden als een door die persoon voor deze zaak gekozen woonplaats in de zin van art. 115 lid 3 Rv. In een dergelijk geval bedraagt de termijn van dagvaarding ten minste een week, en behoeft niet de in art. 115 lid 2 Rv voorgeschreven termijn van dagvaarding van ten minste drie maanden in acht te worden genomen. (Vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4952, NJ 2011/369 ([.../...]))
2.4.1
De beslissing in het hiervoor in 2.3 onder (iii) genoemde arrest van 15 april 2011 ([.../...]) berust blijkens rov. 2.3 daarvan op de overweging dat de kantoorbetekening strookt met het doel en de strekking van zowel het Haags Betekeningsverdrag als de Betekeningsverordening II om op eenvoudige en snelle wijze te bewerkstelligen dat de geadresseerde die in een andere verdragstaat of lidstaat zijn woonplaats of bekend werkelijk verblijf heeft, van het stuk kennis neemt, nu zij beoogt een waarborg te scheppen dat het exploot ook werkelijk tijdig degene bereikt voor wie het is bestemd. Ook heeft de Hoge Raad in dit verband overwogen dat de advocaat aan wiens adres op de voet van art. 63 lid 1 Rv het exploot wordt betekend, is gehouden te bevorderen dat het exploot tijdig degene bereikt voor wie het is bestemd, hetgeen met de moderne communicatiemiddelen binnen de korte termijn van een week in de regel mogelijk zal zijn.
2.4.2
De hiervoor in 2.4.1 weergegeven overwegingen waarop de beslissing in het arrest van 15 april 2011 ([.../...]) berust, doen niet slechts opgeld in het in dat arrest aan de orde zijnde geval dat degene voor wie het stuk is bestemd, een bekende woonplaats heeft in een buiten Europa gelegen staat die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag (een geval dat wordt bestreken door art. 115 lid 2 Rv).
Op grond van diezelfde overwegingen is een beslissing als in dat arrest gegeven eveneens gerechtvaardigd in de gevallen dat degene voor wie het stuk is bestemd, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in een lidstaat waar de Betekeningsverordening II van toepassing is, dan wel in een binnen Europa gelegen staat die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag (gevallen die worden genoemd in art. 115 lid 1 Rv). Daarbij is met name van belang dat mag worden aangenomen dat in alle hiervoor genoemde gevallen de moderne communicatiemiddelen het mogelijk maken dat de advocaat aan wiens kantoor op de voet van art. 63 lid 1 Rv het rechtsmiddelexploot wordt gedaan, in de regel erin zal slagen om binnen de termijn van een week te bewerkstelligen dat dit stuk degene bereikt voor wie het is bestemd.
2.4.3
Het vorenstaande betekent dat bij kantoorbetekening van een rechtsmiddelexploot op de voet van art. 63 lid 1 Rv kan worden volstaan met de in art. 115 lid 3 Rv voorgeschreven termijn van dagvaarding van ten minste een week, indien degene voor wie het stuk is bestemd, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in een lidstaat waar de Betekeningsverordening II van toepassing is, dan wel in een (al dan niet in Europa gelegen) staat die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag.
In deze gevallen dient de rechter met inachtneming van het verdedigingsbelang te beslissen over verstekverlening. Indien degene voor wie het rechtsmiddelexploot is bestemd, op de dienende dag niet verschijnt en er aanleiding bestaat eraan te twijfelen of het stuk de buitenlandse geadresseerde heeft bereikt, dient de rechter het verstek niet terstond te verlenen. De rechter kan zo nodig inlichtingen hieromtrent (doen) inwinnen bij de advocaat aan wiens kantoor het rechtsmiddelexploot is gedaan.
Indien de advocaat aan wiens kantoor het rechtsmiddelexploot is gedaan, eigener beweging of desgevraagd meedeelt dat hij (nog) niet erin is geslaagd zijn (voormalige) cliënt op de hoogte te stellen van de inhoud van het stuk, dient de rechter dit in zijn oordeelsvorming te betrekken.