In het hoger beroep van [eiseres 3] heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd, en daartoe als volgt overwogen.
Het hof gaat voorbij aan twee stellingen van [eiseres 3], omdat die stellingen in strijd met de eisen van een goede procesorde voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep zijn aangevoerd. Dit betreft ten eerste de stelling dat de Gemeente welbewust de bouwaanvraag in de la heeft laten liggen en ten tweede de stelling dat de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld door na ommekomst van de beslistermijn niet in de plaatselijke kranten te publiceren dat de bouwvergunning van rechtswege was verleend. (rov. 2.7)
Het hof heeft de volgende door [eiseres 3] gestelde normschendingen onderscheiden:
(i) de Gemeente heeft de wettelijke termijn voor beslissing op de aanvraag overschreden;
(ii) de Gemeente heeft onbevoegdelijk gehandeld door na ommekomst van de beslistermijn, toen [betrokkene] reeds van rechtswege over een bouwvergunning beschikte, alsnog op de aanvraag te beslissen;
(iii) de Gemeente heeft in strijd met art. 57 Woningwet (oud) gehandeld door na te laten de van rechtswege verleende bouwvergunning in te schrijven in het in die wetsbepaling bedoelde register; en
(iv) de Gemeente heeft in strijd met art. 58 Woningwet (oud) gehandeld door na te laten de omwonenden in kennis te stellen van de verlening van rechtswege van de bouwvergunning (rov. 2.8).
De vraag of deze gestelde normschendingen strekken tot bescherming tegen de schade die [eiseres 3] stelt te hebben geleden, moet beantwoord worden aan de hand van art. 1:2 lid 1 Awb (rov. 2.11). [eiseres 3] is niet aan te merken als belanghebbende in de zin van art. 1:2 lid 1 Awb bij het besluit op de aanvraag om een bouwvergunning en is daarom niet op grond daarvan in haar belang getroffen door de door haar gestelde normschending. Dat zij door de normschending anderszins in enig belang is getroffen, is niet gesteld en niet aannemelijk geworden, aldus het hof. (rov. 2.16-2.17)