3.1
De Hoge Raad verwijst voor de vaststaande feiten, de vordering van Het Grootslag en het door het hof gegeven oordeel naar zijn tussenarrest.
3.2.1
Bij het tussenarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de eerste twee onderdelen van het middel niet tot cassatie kunnen leiden. Wat betreft het tweede onderdeel steunde dat oordeel onder meer op de overweging dat partijen in het kader van de vraag of de Gemeente is tekortgeschoten in de op haar ingevolge de overeenkomst tussen partijen rustende inspanningsverplichting, twisten over de vraag of de Gemeente met [A] een exploitatieovereenkomst kon sluiten naar oud recht (WRO) of nieuw recht (Wro) (rov. 3.4.4-3.4.6).
3.2.2
Deze overweging is, naar de Hoge Raad thans constateert, niet juist. Partijen twisten (in ieder geval mede) over de vraag of de Gemeente de mogelijkheid had om [A] te dwingen tot betaling van een exploitatiebijdrage op grond van het nieuwe recht (art. 6.17 e.v. Wro). Het tweede onderdeel heeft betrekking op dit geschilpunt van partijen en het oordeel dat het hof daarover heeft gegeven. Het oordeel in het tussenarrest dat dit onderdeel niet tot cassatie kan leiden, dient daarom te worden heroverwogen (vgl. HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521, NJ 2010/634).
3.2.3
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich over het voornemen tot heroverweging uit te laten. Zij hebben beide van die gelegenheid gebruik gemaakt.
3.3.1
De Hoge Raad overweegt thans als volgt met betrekking tot onderdeel 2.
3.3.2
Grondslag van de (primaire) vordering van Het Grootslag is dat de Gemeente in het geval van [A] is tekortgeschoten in de op haar ingevolge art. 9 van de exploitatieovereenkomst van partijen rustende inspanningsverplichting om van derden die binnen het plangebied als bedoeld in die overeenkomst een glasopstand willen oprichten, bij exploitatieovereenkomst de met Het Grootslag overeengekomen exploitatiebijdrage van € 12,-- per te bebouwen vierkante meter te bedingen, ten behoeve van de door Het Grootslag aangelegde en betaalde voorzieningen van openbaar nut.
Vast staat dat de Gemeente op 25 juli 2008 aan [A] heeft toegezegd haar bouwaanvraag voor het oprichten van kassen te honoreren en dat zij daarbij heeft bevestigd met [A] een exploitatieovereenkomst te sluiten op grond waarvan [A] een exploitatiebijdrage van € 2,-- per te bebouwen vierkante meter verschuldigd zal zijn (rov. 3.1 onder (xiv) van het tussenarrest van de Hoge Raad), een lagere bijdrage dus dan de exploitatiebijdrage van € 12,-- per te bebouwen vierkante meter die de Gemeente met Het Grootslag is overeengekomen om te trachten te bedingen van derden.
3.3.3
De Gemeente heeft als verweer tegen de vordering van Het Grootslag aangevoerd dat zij [A] niet tot het sluiten van een exploitatieovereenkomst kon dwingen. Daartoe heeft zij erop gewezen dat de wet in dit verband voor haar niet voorziet in enig dwangmiddel, en dat het middel dat zij heeft om een belanghebbende ertoe te bewegen een dergelijke overeenkomst met haar aan te gaan, namelijk het weigeren van medewerking aan wijziging van de geldende bestemming - in het gebruik van welk middel art. 9.1 van de exploitatieovereenkomst van partijen voorziet (zie voor die bepaling rov. 3.1 onder (ii) van het tussenarrest) -, in het geval van [A] niet kon worden toegepast. Voor dat laatste heeft de Gemeente erop gewezen dat zij bij eerdere aanvragen, van [B] en [C] , op welke gevallen [A] zich heeft beroepen, reeds had meegewerkt aan wijziging van de geldende bestemming waardoor de bouw van kassen mogelijk werd, en dat het enkele feit dat de belanghebbende weigert om een exploitatieovereenkomst aan te gaan, volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak geen grond kan zijn om medewerking aan de wijziging van een bestemming te weigeren. Omdat [A] aandrong op een spoedig besluit op zijn aanvraag om een bouwvergunning voor de kassen, kon de Gemeente in juli 2008 niet anders dan (dit besluit ten minste toezeggen en) genoegen nemen met de exploitatiebijdrage van € 2,-- per te bebouwen vierkante meter, waartoe [A] wel bereid was zich te verplichten.
3.3.4
Naar aanleiding van dit verweer heeft Het Grootslag gewezen op de mogelijkheid die art. 6.17 e.v. Wro bevat om in samenhang met een exploitatieplan de betaling van een exploitatiebijdrage op te leggen, los van een overeenkomst dus. Het Grootslag heeft betoogd dat de tussen partijen overeengekomen inspanningsverplichting meebrengt dat de Gemeente van deze mogelijkheid, die haar met het in werking treden van de Wro op 1 juli 2008 vanaf die datum ten dienste stond, in het geval van [A] gebruik had moeten maken.
3.3.5
In reactie op deze nadere grondslag van de vordering heeft de Gemeente aangevoerd dat volgens art. 9.1.5 lid 2 Invoeringswet Wro de WRO van toepassing blijft op wijzigingsplannen waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd in het jaar na de inwerkingtreding van de Wro (tot 1 juli 2009 dus). De WRO was derhalve nog van toepassing op de planologische wijziging die nodig was voor de door [A] verzochte bouwvergunning, op welke verzoek de Gemeente spoedig moest beslissen nu [A] daarop aandrong. Van de in juli 2008 met [A] gemaakte afspraak kon de Gemeente niet terugkomen.
3.3.6
Het hof heeft dit nadere verweer van de Gemeente verworpen in rov. 3.11 van zijn tussenarrest. Het heeft overwogen dat volgens art. 9.1.5 Invoeringswet Wro het oude recht van toepassing blijft indien vóór de inwerkingtreding van de Wro een wijzigingsplan ter inzage is gelegd. Nu dat laatste niet is gebeurd, was vanaf 1 juli 2008 de Wro van toepassing op de aanvraag van [A] . De Gemeente had derhalve, aldus het hof, de mogelijkheid om op grond van de Wro een exploitatiebijdrage op te leggen aan [A] (rov. 3.12 en 3.13).
3.3.7
Onderdeel 2.1 klaagt dat het oordeel van het hof onjuist is omdat volgens art. 9.1.5 lid 2 Invoeringswet Wro het oude recht van toepassing blijft indien binnen een jaar na de inwerkingtreding van de Wro een wijzigingsplan ter inzage is gelegd (dus niet, zoals het hof overweegt: indien vóór de inwerkingtreding van de Wro een wijzigingsplan ter inzage is gelegd).
3.3.8
Deze klacht is gegrond. De bepaling van art. 9.1.5 lid 2 Invoeringswet Wro luidt zoals het onderdeel aanvoert. Kennelijk is het hof abusievelijk uitgegaan van de tekst van art. 9.1.5 lid 2 Invoeringswet Wro zoals deze aanvankelijk is voorgesteld (Kamerstukken II 2006-2007, 30 938, nrs. 1-2). Zijn oordeel is dus onjuist.
3.3.9
De gegrondheid van het onderdeel brengt mee dat de arresten van het hof niet in stand kunnen blijven. Weliswaar bestond vanaf 1 juli 2008 ingevolge de Wro voor de Gemeente de mogelijkheid om in samenhang met een exploitatieplan een exploitatiebijdrage op te leggen, maar een exploitatieplan kan, voor zover voor deze zaak van belang, uitsluitend tot stand komen tezamen met een wijzigingsplan (art. 6.12 lid 4 Wro). Op grond van art. 9.1.5 lid 2 Invoeringswet Wro blijft evenwel het oude recht van toepassing indien binnen een jaar na de inwerkingtreding van de Wro een wijzigingsplan ter inzage is gelegd. Het standpunt van de Gemeente dat zij tot 1 juli 2009 geen mogelijkheid had om een exploitatiebijdrage op te leggen aan [A] nu de door deze gedane aanvraag om een bouwvergunning noopte tot een wijziging van de ter plaatse geldende bestemming, is daarom juist.