Rechtspraak.nl NJB 2016/1080 JWB 2016/192 NJ 2016/267 RvdW 2016/651 Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2016/4942 RFR 2016/106 RBP 2016/55 JIN 2016/123 met annotatie van E.L.M. Louwen JIN 2016/174 met annotatie van T.M. Subelack PFR-Updates.nl 2016-0137
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1 Verloop van het geding tot dusver
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn beschikking in de zaak 12/05089 van 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1246, NJ 2013/542;
b. de beschikking in de zaak 200.153.109/01 van het gerechtshof Amsterdam van 3 maart 2015.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2 Het tweede geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 12 februari 2016 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
-
i) Partijen zijn op 18 juni 2007 gehuwd.
-
ii) Hun huwelijk is op 20 december 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 21 november 2011 in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.1
De vrouw heeft in hoger beroep van de echtscheidingsbeschikking het gerechtshof te ’s-Gravenhage verzocht een bedrag van € 2.250,-- per maand vast te stellen als partneralimentatie. Dat verzoek is bij beschikking van 1 augustus 2012 afgewezen op de grond dat ingevolge art. 1:160 BW van rechtswege een einde is gekomen aan de onderhoudsplicht van de man.
3.2.2
Bij beschikking van 15 november 2013 heeft de Hoge Raad op het door de vrouw ingestelde cassatieberoep de beschikking van het gerechtshof te ’s-Gravenhage vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
3.2.3
Het hof heeft bij de thans bestreden beschikking het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering tot haar levensonderhoud (wederom) afgewezen. Het hof oordeelde dat ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 20 december 2011 aan de vereisten van art. 1:160 BW was voldaan (rov. 3.13). Daartoe overwoog het hof onder meer als volgt:
“3.6 Volgens vaste rechtspraak is het hof als verwijzingsrechter als uitgangspunt gebonden aan alle niet of tevergeefs in cassatie bestreden beslissingen (vgl. HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0383). In zoverre behoudt de door de Hoge Raad vernietigde beschikking dus haar werking. In geschillen betreffende levensonderhoud geldt evenwel een uitzondering, nu op grond van artikel 1:401 BW in een latere procedure steeds om wijziging of intrekking van een rechterlijke beschikking kan worden verzocht indien deze van meet af aan, dan wel door latere wijziging van omstandigheden, niet (langer) aan de wettelijke maatstaven voor levensonderhoud voldoet. Het hof is evenwel van oordeel dat deze verruimde mogelijkheid om in zaken van levensonderhoud ook na verwijzing nog nieuwe grieven, grondslagen of feiten aan te dragen, niet ziet op in de vernietigde beschikking gegeven oordelen over de vraag of partijen samenwonen in de zin van artikel 1:160 BW voor zover die oordelen in cassatie niet zijn bestreden of in stand zijn gelaten. Dergelijke feiten en omstandigheden hebben immers niet betrekking op de wettelijke maatstaven als bedoeld in artikel 1:401 BW. Het oordeel daarover is niet onderhevig aan wijziging op de voet van die bepaling. Aan die oordelen is het hof als verwijzingsrechter thans gebonden. In zoverre is aan de rechtsstrijd tussen partijen reeds een einde gekomen.
3.7
In het onderhavige geval betekent dit voor de omvang van [de] rechtsstrijd na verwijzing, dat het hof ervan dient uit te gaan dat de vrouw samenwoonde met een ander, nu blijkens rechtsoverweging 3.5. de Hoge Raad de tegen deze vaststelling geformuleerde klacht heeft verworpen. Voorts moet ervan worden uitgegaan dat die samenwoning in elk geval heeft bestaan op het moment van ontbinding van het huwelijk tussen partijen. Onderdeel 1 van het cassatiemiddel klaagde immers dat het gerechtshof ’s-Gravenhage ten onrechte artikel 1:160 BW had toegepast terwijl de echtscheidingsbeschikking nog niet onherroepelijk, althans voortijdig ingeschreven was. Dit onderdeel is door de Hoge Raad eveneens verworpen.
Al hetgeen de vrouw in haar Memorie na verwijzing Hoge Raad en ter zitting van 30 oktober 2014 heeft aangevoerd dat ertoe strekt te onderbouwen dat op de datum van ontbinding van het huwelijk en/of later tussen haar en Van den Hazelkamp geen sprake is geweest van samenwoning stuit daarop af. Ook de door haar na verwijzing nog ingebrachte andersluidende schriftelijke verklaringen van haar vader en van Van den Hazelkamp kunnen daaraan niet afdoen.
(…)
3.11 (…)
Voorts vindt het betoog van de vrouw dat de vraag naar haar samenwoning ex nunc moet worden beoordeeld geen steun in het recht. Indien op enig moment vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vereisten van artikel 1:160 BW is voldaan, eindigt op dat moment het recht van de vrouw op levensonderhoud van de man. Dat de vrouw op dit moment niet meer samenwoont, doet daaraan niet af.”
3.3
Volgens onderdeel 1a van het middel heeft het hof in de (hierboven geciteerde) rov. 3.6, 3.7 en 3.11 miskend dat de aard van een alimentatiegeschil een uitzondering rechtvaardigt op de in art. 424 Rv besloten liggende regel dat de verwijzingsrechter gebonden is aan de in cassatie niet of tevergeefs bestreden oordelen in de vernietigde uitspraak. Betoogd wordt dat de verwijzingsrechter het alimentatiegeschil in volle omvang opnieuw dient te beoordelen, rekening houdend met alle op dat moment bestaande en ter zake dienende omstandigheden, waaronder nieuwe feiten waarop eerst na verwijzing een beroep kon worden gedaan. Mede gelet op het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in art. 1:160 BW besloten liggende sanctie, moet ook de vraag of de vrouw is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd, beoordeeld worden op basis van de na verwijzing bestaande, actuele feitelijke situatie, aldus nog steeds het onderdeel.
3.4
De man heeft in deze procedure gesteld dat de vrouw (in ieder geval) ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking samenleefde met een ander als waren zij gehuwd, zoals bedoeld in art. 1:160 BW. Indien, zoals het hof heeft geoordeeld, op genoemd tijdstip aan de voorwaarden van art. 1:160 BW is voldaan, treden de rechtsgevolgen van die bepaling in (vgl. HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4844, NJ 2008/190). Daaraan doet niet af dat op enig moment nadien aan die samenleving een einde is gekomen. Daarom doet niet ter zake of de vrouw ten tijde van de beslissing van het verwijzingshof niet meer samenwoonde. Voor zover in de slotalinea van onderdeel 1a anders wordt betoogd, berust het onderdeel dus op een onjuiste rechtsopvatting.
3.5.1
Het hof heeft met betrekking tot de vraag of de vrouw ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking samenleefde met een ander als waren zij gehuwd in de zin van art. 1:160 BW, geoordeeld dat na verwijzing tot uitgangspunt dient dat de vrouw op genoemd tijdstip samenwoonde met een ander, aangezien de daartegen gerichte klacht door de Hoge Raad in rov. 3.5 van zijn beschikking was verworpen. Het hof heeft daarom de na verwijzing aangevoerde stellingen van de vrouw die ertoe strekten te onderbouwen dat zij op genoemd tijdstip niet samenwoonde met een ander, niet in aanmerking genomen (rov. 3.7), en heeft zich in de rov. 3.8–3.13 beperkt tot een onderzoek van de vraag of op genoemd tijdstip (ook) aan de overige vereisten van art. 1:160 BW was voldaan.
De tegen deze oordelen gerichte klachten van onderdeel 1a falen op grond van het navolgende.
3.5.2
Op zichzelf terecht wijst het onderdeel erop dat in de rechtspraak van de Hoge Raad de regel is aanvaard dat de alimentatierechter de zaak na vernietiging en verwijzing in volle omvang moet beoordelen, met inachtneming van alle op dat moment bestaande omstandigheden (HR 4 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2801, NJ 1999/675). Die regel – die een uitzondering inhoudt op de hoofdregel dat de verwijzingsrechter is gebonden aan de in cassatie niet of tevergeefs bestreden oordelen – wordt gerechtvaardigd door de aard van een alimentatiegeschil. Rechterlijke uitspraken aangaande alimentatie zijn immers in beginsel vatbaar voor wijziging, zelfs met terugwerkende kracht, op de in art. 1:401 BW vermelde gronden; beide partijen bij een dergelijk geschil hebben daarom belang erbij dat de vaststelling van de alimentatie berust op een juiste en volledige waardering van de van belang zijnde omstandigheden ten tijde van de uitspraak. De aard van dit geschil rechtvaardigt daarom dat de appelrechter bij de vaststelling van de alimentatie rekening houdt met nieuwe grieven, feiten, stellingen en verweren waarop door de partijen eerst na het formuleren van de grieven, onderscheidenlijk na het appelverweerschrift, beroep is gedaan, zodat wordt voorkomen dat op de voet van art. 1:401 BW wijziging van de rechterlijke uitspraak moet worden verzocht op die nieuwe gronden (vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6741, NJ 2012/446). Daarom dient na vernietiging in cassatie ook de verwijzingsrechter met dergelijke nieuw aangevoerde gronden rekening te houden.
3.5.3
De zojuist vermelde ratio voor de in de beschikking van de Hoge Raad van 4 december 1998 aanvaarde regel dat de alimentatierechter de zaak na vernietiging en verwijzing in volle omvang moet beoordelen met inachtneming van alle op dat moment bestaande omstandigheden, gaat echter niet op voor zover in cassatie niet of tevergeefs is opgekomen tegen het oordeel dat de alimentatiegerechtigde samenleeft of heeft samengeleefd met een ander als waren zij gehuwd, in de zin van art. 1:160 BW. Een beslissing over die vraag gaat immers vooraf aan de eventuele vaststelling van de alimentatie, en is zelf niet vatbaar voor wijziging op de voet van art. 1:401 BW.
Dit brengt mee dat het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat de vrouw ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking samenwoonde met een ander, nu de daartegen gerichte klacht in de eerste cassatieprocedure door de Hoge Raad was verworpen. Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in art. 1:160 BW besloten liggende sanctie brengt weliswaar mee dat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd en dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen (zie laatstelijk HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724), maar dat kan aan het voorgaande niet afdoen.
3.6
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 20 mei 2016.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: