In het door [eiseres] ingestelde principaal hoger beroep heeft ook het hof de gevorderde ontbinding en ontruiming toewijsbaar geoordeeld.
In het incidenteel hoger beroep zijn [verweerder] c.s. opgekomen tegen de afwijzing van hun vordering tot afdracht van onderhuurpenningen. Het hof heeft deze vordering alsnog toegewezen, en wel tot een bedrag van € 19.320,--. De in cassatie relevante overwegingen van het hof kunnen als volgt worden samengevat.
Tot uitgangspunt dient (i) dat het beding met betrekking tot de afdracht van onderhuurpenningen, dat is opgenomen in art. 1.4, tweede volzin, van de algemene bepalingen, valt onder het bereik van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn), (ii) dat onomstreden is dat [eiseres] als een consument is te beschouwen, (iii) dat het beding met betrekking tot de afdracht van onderhuurpenningen niet kan worden aangemerkt als een kernbeding, en (iv) dat niet is gesteld of gebleken dat over dit beding afzonderlijk is onderhandeld (rov. 3.11.4). In het midden kan blijven of [verweerder] c.s. als professionele verhuurder in de zin van de Richtlijn kunnen worden beschouwd, gezien het volgende (rov. 3.11.4, slotzin):
“3.11.5 Het hof is van oordeel dat dit beding, anders dan de kantonrechter aangaande het ook in artikel 1.4 van de algemene bepalingen opgenomen boetebeding heeft vastgesteld, niet oneerlijk is in de zin van bedoelde Richtlijn, nu dit beding niet een in de bijlage van de Richtlijn genoemd doel of gevolg heeft, in het bijzonder niet een onevenredig hoge schadevergoeding oplegt in de zin van artikel 1, aanhef en onder e. van de bijlage, zoals bedoeld in artikel 3 lid 3 van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het beding strekt immers ten doel af te romen wat de huurder in strijd met het onderverhuurverbod en dus ten onrechte en ten koste van de verhuurder heeft ontvangen. Anders gezegd, het gaat hier uitsluitend om afdracht van de door [eiseres] met de verboden onderverhuur verkregen inkomsten. Dat [verweerder] c.s. in dit geval geen schade heeft geleden, zoals [eiseres] stelt, is, zo al juist, daardoor niet relevant.”