3.2
Onderdeel 1 klaagt onder meer dat het hof in zijn rolbeslissingen van 26 april 2016 en 10 mei 2016 en in zijn arrest van 7 juni 2016 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de goede procesorde, dan wel zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe voert het onderdeel onder meer aan (i) dat noch [eiser] noch zijn advocaat ervan op de hoogte was (gesteld) dat ten tijde van het aanbrengen van de onderhavige zaak bij het hof niet het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: het Landelijk procesreglement), maar het pilotreglement van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het pilotreglement) van toepassing was, (ii) dat de advocaat ervan uitging dat, in overeenstemming met het Landelijk procesreglement, na een eerste termijn voor het nemen van de memorie van grieven een tweede termijn van (niet twee weken, maar) vier weken zou worden gegeven, en (iii) dat het hof niet kon volstaan met de hiervoor in 3.1 onder (v) bedoelde aantekening in het roljournaal, maar contact had moeten opnemen met de advocaat om hem duidelijk te maken dat een laatste termijn van twee weken werd gegeven op straffe van ambtshalve akte niet-dienen.
3.3
In de rolbeslissing van 26 april 2016 is [eiser] een termijn van veertien dagen gegeven voor het nemen van een memorie van grieven en is (overeenkomstig art. 133 lid 4 Rv en art. 1.7 van het pilotreglement) aangetekend dat bij niet-dienen van grieven het recht daarop vervalt. Tegen een dergelijke beslissing, die louter een maatregel betreft ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van de procesgang en die op zichzelf niet ingrijpt in de rechten en belangen van een partij, kan geen rechtsmiddel worden aangewend (vgl. HR 10 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6519, NJ 2006/405, rov. 4.2-4.3). [eiser] zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep tegen deze beslissing.
3.4.1
In de rolbeslissing van 10 mei 2016 en in het arrest van 7 juni 2016 heeft het hof toepassing gegeven aan het pilotreglement. Hoewel het pilotreglement daarin niet uitdrukkelijk voorziet, heeft het hof op de voet van de rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. onder meer HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1075, en HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:606, NJ 2016/266), nadat [eiser] de eerste termijn van zes weken voor het nemen van een memorie van grieven niet had benut, ambtshalve aan [eiser] een extra termijn van veertien dagen gegeven om dit verzuim te herstellen.
3.4.2
In de procedure bij het hof werd [eiser] vertegenwoordigd door een advocaat. Een advocaat wordt op grond van zijn deskundigheid en kennis zonder meer geacht op de hoogte te zijn van de in de desbetreffende procedure geldende termijnen en van de verstrekkende gevolgen die zijn verbonden aan overschrijding daarvan. Een en ander geldt ook voor de termijnen en de rechtsgevolgen die voortvloeien uit het pilotreglement (vgl. onder meer HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1075). Op het vorenstaande stuiten de hiervoor in 3.2 weergegeven klachten af dat de advocaat van [eiser] niet op de hoogte was (gesteld) van de toepasselijkheid van het pilotreglement en dat hij ervan uitging dat na een eerste termijn voor het nemen van de memorie van grieven een tweede termijn van vier weken zou worden gegeven.
3.4.3
Evenmin slaagt de klacht dat het hof niet kon volstaan met de hiervoor in 3.1 onder (v) bedoelde aantekening in het roljournaal, maar contact had moeten opnemen met de advocaat om hem duidelijk te maken dat een laatste termijn van twee weken werd gegeven op straffe van ambtshalve akte niet-dienen. Het behoort tot de taak van de advocaat om zich op de hoogte te stellen van de stand van zaken van de procedure en om daartoe het elektronisch roljournaal te raadplegen. In dit geval had de advocaat het elektronisch roljournaal dienen te raadplegen nadat hij de eerste termijn van zes weken voor het nemen van een memorie van grieven ongebruikt had laten verstrijken, teneinde kennis te nemen van de rolbeslissing.
3.4.4
In cassatie is niet aangevoerd dat zich in dit geval de situatie aandient dat het elektronisch roljournaal in de relevante periode niet functioneerde, dan wel onjuiste of verwarringwekkende informatie bevatte, in welke situatie het gerechtvaardigd kan zijn om een uitzondering te maken op de gevolgen die zijn verbonden aan overschrijding van een processuele termijn (vgl. HR 29 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7843, NJ 2013/202; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2813, NJ 2014/417; HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2798, NJ 2014/418). Evenmin is in cassatie aangevoerd dat sprake is van een ‘apparaatsfout’ doordat van de zijde van (de administratie van) het hof anderszins onjuiste of verwarringwekkende informatie is verstrekt die van belang is in verband met de relevante termijnen, in welke situatie onder omstandigheden eveneens een uitzondering als hiervoor bedoeld gerechtvaardigd kan zijn (vgl. HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2814, NJ 2015/389).
3.4.5
Het vorenstaande brengt mee dat de hiervoor in 3.2 weergegeven klachten falen.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.