De gronden waarop het hof tot zijn oordeel is gekomen, zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.20-2.22. Samengevat komen zij op het volgende neer.
Uitgangspunt is het door [verweerder] opgestelde en door partijen ondertekende stuk van 30 maart 2010. In dat handgeschreven stuk zijn te lezen de woorden ‘overeengekomen’ en ‘aankoop grond’, de kadastrale aanduidingen en oppervlaktes van de desbetreffende percelen en de te betalen prijs. Het stuk heeft een zeer summier karakter en bevat slechts losse steekwoorden. Een duidelijke verklaring dat partijen door ondertekening overgaan tot koop en verkoop ontbreekt in het stuk. In ieder geval behoefde het nog nadere uitwerking, in die zin dat er nog een uitgebreide schriftelijke koopovereenkomst moest worden opgesteld, vooruitlopend op het notariële transport. Nu in de akte van 30 maart 2010 – een onderhandse akte in de zin van art. 157 lid 2 Rv – een concrete, tot koop en verkoop strekkende verklaring ontbreekt, ontbeert dat stuk dwingende bewijskracht ten aanzien van de vraag of door de ondertekening ervan tussen partijen een overeenkomst van koop en verkoop tot stand is gekomen. Het komt daarom aan op een vrije waardering van het voorhanden bewijs overeenkomstig art. 152 Rv.
Naar het oordeel van het hof kan dit schriftelijke stuk derhalve niet bijdragen aan het bewijs van het probandum. (rov. 10.5)
Uit de getuigenverklaring van [betrokkene 1] valt op te maken dat partijen volgens hem overeenstemming hebben bereikt over de (nieuwe) prijs en over de (uiterste) leveringsdatum, maar uit de verklaring kan ook worden afgeleid dat op 30 maart 2010 nog niet alles rond was. (rov. 10.6)
Getuige [betrokkene 2] was niet bij het gesprek op 30 maart 2010 aanwezig en kan dus uit eigen wetenschap niet hieromtrent verklaren. [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij tijdens een bespreking op 8 april 2010, waarbij ook hijzelf en [betrokkene 3] aanwezig waren, welke bespreking werd gehouden naar aanleiding van een door [betrokkene 2] opgestelde conceptovereenkomst, bij [verweerder] heeft geverifieerd of er wilsovereenstemming was over de verkoop. Ook uit de verklaring van [betrokkene 2] blijkt niet dat op 30 maart 2010 tussen partijen al overeenstemming was bereikt, op welke vraag de bewijsopdracht ziet. Bovendien blijkt uit de verklaring van [betrokkene 2] dat [verweerder] in ieder geval op 8 april 2010 het concept nog aangepast wilde zien in verband met diens wens een kettingbeding op te nemen. Hierin valt steun te vinden voor het standpunt van [verweerder] dat de onderhandelingen op dat moment nog niet waren afgerond en dat er nog slechts sprake was van een (in de akte van 30 maart 2010 vastgelegde) intentie om tot een overeenkomst van koop en verkoop te gaan komen. (rov. 10.7)
[betrokkene 3] was niet zelf aanwezig bij het gesprek op 30 maart 2010. Hij heeft daaromtrent vernomen van [betrokkene 1] en door kennisneming van het stuk van 30 maart 2010. Zijn (weinig stellige) verklaring laat ook ruimte voor het standpunt van [verweerder] dat er – op 30 maart 2010 dan wel 8 april 2010 – nog geen definitieve overeenkomst was gesloten, maar dat op een aantal onderdelen nog verdere onderhandelingen nodig waren. (rov. 10.8)
De notaris heeft verklaard dat hij over de afspraken die indertijd door partijen zijn gemaakt niets anders weet dan in “het handgeschreven contractje” (het stuk van 30 maart 2010) stond. Notarisklerk [betrokkene 4] heeft verklaard dat hij voor het eerst kennisnam van de afspraken door de toezending van de door [betrokkene 2] opgestelde conceptovereenkomst aan hem, ongeveer twee weken na 30 maart 2010. Over het door [verweerder] en [betrokkene 1] op 30 maart 2010 besprokene heeft [betrokkene 4] niets kunnen verklaren, noch over het gesprek op 8 april 2010. (rov. 10.9)
A.L. [betrokkene 1] , medewerker van [eiseres] , de broer van [betrokkene 1] , heeft onder meer verklaard omtrent ontmoetingen tussen hem en [verweerder] die geruime tijd na 30 maart 2010 hebben plaatsgevonden, waarschijnlijk in 2011 en 2012. Ten aanzien van het op genoemde datum gevoerde gesprek tussen zijn broer en [verweerder] kan hij slechts verklaren naar aanleiding van hetgeen hem daarover in familieverband is verteld en op grond van de akte van 30 maart 2010. (rov. 10.10)
Uit de verklaring van [verweerder] blijkt dat er in zijn visie noch op 30 maart 2010, noch op 8 april 2010 al overeenstemming was over de koop en verkoop, in die zin dat er nog diverse problemen moesten worden opgelost.
De verklaring van [betrokkene 2] dat [verweerder] op 8 april 2010 heeft gezegd dat hij akkoord ging als [betrokkene 4] met de aanvullende bedingen in de koopovereenkomst akkoord zou zijn, is door [verweerder] tegengesproken. Ook vindt de verklaring van [betrokkene 2] geen bevestiging in de verklaring van [betrokkene 4] . In de verklaring van [betrokkene 3] , die ook aanwezig was bij het gesprek op 8 april 2010, valt evenmin steun te vinden voor bedoelde verklaring van [betrokkene 2] . Dat [verweerder] zich voorwaardelijk, namelijk indien [betrokkene 4] akkoord ging, akkoord heeft verklaard als bedoeld, is derhalve ook niet komen vast te staan. (rov. 10.13)
De verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] kunnen niet ten gunste van het door [eiseres] te leveren bewijs strekken. [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij niets afweet van de afspraken die precies tussen partijen gemaakt zijn. [betrokkene 6] heeft verklaard dat [verweerder] heeft gezegd dat hij pas zou verkopen als hij een vergunning voor de paarden had, hetgeen erop duidt dat nog geen perfecte (onvoorwaardelijke) overeenkomst tot stand was gekomen. (rov. 10.16)
Op grond van de bewijsmiddelen is niet komen vast te staan dat partijen op 30 maart 2010 definitief wilsovereenstemming hebben bereikt over de verkoop en levering door [verweerder] van de litigieuze percelen aan [eiseres] . De verklaring van [betrokkene 1] dienaangaande (met de beperking van art. 164 lid 2 Rv) wordt tegengesproken door de verklaring van [verweerder] . Ook op grond van de verklaringen met betrekking tot het op 8 april 2010 gevoerde gesprek kan die wilsovereenstemming niet worden vastgesteld. De verklaring van [betrokkene 2] dat er op 8 april 2010 wilsovereenstemming was, wordt tegengesproken door de verklaring van [verweerder] en vindt geen bevestiging in de verklaring van [betrokkene 3] . (rov. 10.17)
De conclusie moet zijn dat [eiseres] niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs (rov. 10.18).