3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) In 2003 waren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] door middel van respectievelijk [B] B.V. en [C] B.V. ieder voor 50% aandeelhouder van [verweerster] (hierna: [verweerster] ). Deze vennootschap was tot 1995 de holding van het familiebedrijf [A] .
(ii) Vanaf 1995 zijn de zonen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] door middel van hun houdstermaatschappijen ieder voor 25% gerechtigd geworden in [A] Holding B.V. Deze holding is voor 80% gerechtigd in de certificaten uitgegeven door de Stichting Administratiekantoor Beheermaatschappij Handelsonderneming [A] (hierna: STAK); de andere 20% is in handen van Agrifirm Meppel B.V.
(iii) STAK houdt 100% van de aandelen van Beheermaatschappij Handelsonderneming [A] B.V. (hierna: [BH [A]] , in de stukken ook aangeduid als [BH [A]] ). [BH [A]] houdt op haar beurt 100% van de aandelen in Handelsonderneming [A] B.V. (hierna: [HO [A]] ) en door middel van [HO [A]] in een aantal (klein)dochters.
(iv) Het bestuur van [BH [A]] bestond in 2003 uit [B] B.V. en [D] B.V.
(v) Op 8 januari 2003 hebben [BH [A]] en [betrokkene 2] een geldleningsovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst houdt onder meer het volgende in:
“De besloten vennootschap Beheermaatschappij Handelsonderneming [A] B.V. gevestigd te [vestigingsplaats] , ten deze vertegenwoordigd door [betrokkene 1] , directeur, hierna te noemen: de vennootschap [betrokkene 2] wonende te [woonplaats] , hierna te noemen schuldeiser,
in aanmerking nemende:
dat de vennootschap in ernstige liquiditeitsproblemen verkeert en op zeer korte termijn gelden behoeft, teneinde aan haar lopende betalingsverplichtingen te kunnen voldoen;
dat de bank niet bereid is de aan de vennootschap verstrekte kredieten te verhogen, zodat de noodzaak bestaat naar andere geldschieters te zoeken; (…)
verklaren te zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1
Schuldeiser verstrekt aan de vennootschap een geldlening ten bedrage van € 2.500.00,00 (…), gelijk de vennootschap deze geldlening aanvaar[d]t.
Artikel 2
Deze geldlening wordt aangegaan voor de duur van drie maanden, derhalve tot 1 maart 2003, zulks tegen een rente van 6% ’s jaars.
Artikel 3
Na de in artikel 2 genoemde einddatum zal deze lening automatisch wekelijks, voor het eerst tot 8 maart 2003 en daarna tot 15 maart 2003 en zo vervolgens, worden verlengd, waarbij schuldeiser op zijn eerste verzoek de geldlening kan beëindigen. De vennootschap is alsdan verplicht terstond aan haar betalingsverplichting jegens schuldeiser te voldoen.”
Onder deze overeenkomst staan de namen en handtekeningen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
(vi) Op 13 januari 2003 is een overeenkomst gesloten waarvan de schriftelijke vastlegging als volgt luidt:
“De besloten vennootschap Beheermaatschappij Handelsonderneming [A] B.V. (en haar dochtermaatschappijen) gevestigd te [vestigingsplaats] , ten deze vertegenwoordigd door [betrokkene 3] , directeur, en [betrokkene 1] , directeur, hierna te noemen [BH [A]]
De besloten vennootschap [verweerster] B.V. (en haar dochtermaatschappijen) gevestigd te [vestigingsplaats] , ten deze vertegenwoordigd door [betrokkene 2] , directeur, en [betrokkene 1] , directeur, hierna te noemen [verweerster]
[betrokkene 2] wonende te [woonplaats] , hierna te noemen schuldeiser
Dat [BH [A]] op korte termijn behoefte had aan liquiditeiten om de continuïteit van de onderneming van [BH [A]] en aan haar gerelateerde vennootschappen te waarborgen;
Dat [verweerster] een lening aan [A] Holding heeft verstrekt van 4,5 mln euro en dat [verweerster] een lening van 3,4 mln euro heeft verstrekt aan Handelsonderneming [A] B.V.;
Dat de kans op aflossing van deze lening in ernstig gevaar zou komen ingeval de continuïteit van [BH [A]] en aan haar gerelateerde vennootschappen in gevaar zou komen;
Dat schuldeiser bereid is om een lening te verstrekken van 2,5 mln. euro aan [BH [A]] mits hiervoor voldoende zekerheid kan worden verstrekt;
Dat [BH [A]] zelfstandig niet voldoende financiering kan arrangeren en dat [verweerster] daarom bereid is, met het oog op het zoveel mogelijk veilig stellen van haar eigen vorderingen, mede aansprakelijk te zijn voor nakoming van de verplichtingen van [BH [A]] uit hoofde van de leningovereenkomst tussen [BH [A]] en schuldeiser en daarvoor bereid is zekerheid te verstrekken via verpanding van de aandelen in HS Beteiligungsgesellschaft mbH.
Verklaren dan ook te zijn overeengekomen als volgt:
1. [verweerster] is mede-schuldenaar en volledig aansprakelijk voor nakoming van verplichtingen van [BH [A]] jegens schuldeiser in het kader van de leningsovereenkomst ten bedrage van 2,5 mln. euro.
2. [verweerster] verstrekt op ieder door schuldeiser gewenst moment zekerheid voor de verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst door verpanding van aandelen in HS Beteiligungsgesellschaft mbH.
3. Na vestiging van dit pandrecht is schuldeiser bevoegd dit pandrecht over te dragen aan haar schuldeisers indien en voor zover schuldeiser voor het verstrekken van de lening aan [BH [A]] zelf gelden heeft geleend.
4. Indien [verweerster] op grond van deze overeenkomst enig[e] betaling aan schuldeiser moet doen dan verkrijgt [verweerster] een regresvordering op [BH [A]] en of haar dochtermaatschappijen. Deze regresvordering kan evenals de verstrekte leningen van totaal 7,9 mln. euro gecompenseerd worden met eventuele vorderingen van [BH [A]] en of haar dochtermaatschappijen.
Aldus in duplo overeen gekomen op 13 januari 2003 te Kornhorn
Beheersmaatschappij Handelsonderneming [A] B.V./ [betrokkene 1] / [betrokkene 3] [met daaronder de handtekening van [betrokkene 3] ]
Beheersmaatschappij [A] B.V./ [betrokkene 2] / [betrokkene 1] [met daaronder de handtekeningen van [betrokkene 2] , tweemaal, en die van [betrokkene 1] ]”
(vii) op 13 mei 2003 heeft de rechtbank Groningen het faillissement uitgesproken van [BH [A]] en [HO [A]] met aanstelling van M.J. Ubbens en J. Hielkema (hierna: Ubbens respectievelijk Hielkema, en gezamenlijk de curatoren) tot curatoren.
(viii)In mei 2003 hebben verschillende rechtbanken tevens het faillissement uitgesproken van diverse kleindochters van [BH [A]] met aanstelling van Ubbens en Hielkema tot curatoren.
(ix) Op 24 mei 2011 is Hielkema als curator in de hiervoor onder (vii) en (viii) genoemde faillissementen teruggetreden, zodat thans uitsluitend Ubbens (hierna: de curator) curator is.
(x) [BH [A]] is haar betalingsverplichtingen jegens [betrokkene 2] uit hoofde van de overeenkomst van 8 januari 2003 niet nagekomen. [betrokkene 2] heeft daarop het door [verweerster] gevestigde pandrecht uitgewonnen.
(xi) [verweerster] heeft in zowel het faillissement van [BH [A]] , het faillissement van [HO [A]] , als in de faillissementen van de hiervoor onder (viii) bedoelde kleindochters van [BH [A]] bij de curatoren een vordering ingediend ten bedrage van € 2.505.753,--.
(xii) Op de verificatievergadering in augustus 2008 hebben de curatoren de vordering van [verweerster] in het faillissement van [BH [A]] voor een bedrag van € 2.505.753,-- erkend en is deze vordering overgebracht naar de lijst van erkende crediteuren.
(xiii) De curatoren hebben de vordering van [verweerster] in het faillissement van [HO [A]] en in de faillissementen van de kleindochters van [BH [A]] , betwist. De rechter-commissaris heeft partijen verwezen naar (een renvooiprocedure voor) de rechtbank.
(xiv) Uit praktische overwegingen zijn partijen met instemming van de rechter-commissaris overeengekomen dat slechts één renvooiprocedure zal worden gevoerd, te weten de onderhavige procedure in het faillissement van [HO [A]] .
3.2.1
[verweerster] vordert dat zij tot een bedrag van € 2.505.753,-- als schuldeiser in het faillissement van [HO [A]] zal worden toegelaten.
3.2.2
De rechtbank heeft de vordering afgewezen. In het hoger beroep heeft [verweerster] de grondslag van haar vordering verduidelijkt. Primair baseert zij zich op de overeenkomst van 8 januari 2003. Zij stelt dat zij is gesubrogeerd in de daaruit voortvloeiende vordering van [betrokkene 2] op alle hoofdelijk verbonden partijen: [BH [A]] , [HO [A]] en de kleindochters van [BH [A]] . Subsidiair baseert [verweerster] zich op de regresvordering die voortvloeit uit art. 4 van de overeenkomst van 13 januari 2003.
3.2.3
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en heeft [verweerster] tot een bedrag van € 2.505.753,-- toegelaten als schuldeiser in het faillissement van [HO [A]] . Het heeft de primaire grondslag van de vordering verworpen, maar achtte het beroep op de subsidiaire grondslag terecht voorgesteld. Het heeft daartoe als volgt overwogen:
“5.15 In het onderhavige geval is door de curator betoogd dat [BH [A]] als bestuurder van [HO [A]] en indirect bestuurder van de kleindochters bij het aangaan van de overeenkomst van 13 januari 2003 heeft gehandeld met een tegenstrijdig belang, aangezien zij ten tijde van het aangaan van die overeenkomst enig schuldenaar was van [betrokkene 2] en als gevolg van die overeenkomst “regres” door de extra bijgekomen schuldenaar [verweerster] op [HO [A]] en de kleindochters van [BH [A]] mogelijk is gemaakt. Dit was wel in het belang van [BH [A]] en in het belang van [verweerster] en [betrokkene 2] , maar niet in het belang van [HO [A]] en de kleindochters van [BH [A]] , aldus de curator.