Bij de beantwoording van de vraag welke termijn geldt voor het instellen van beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank waarbij op de voet van art. 3:159ij Wft de overdrachtsregeling is uitgesproken, is het volgende van belang.
De wet bevat daarvoor geen bijzondere termijn, zodat dan in beginsel ingevolge art. 426 lid 1 Rv een termijn van drie maanden zou gelden. Er bestaat evenwel grond om voor art. 3:159ij Wft uit te gaan van een kortere termijn.
In de gevallen waarin Afdeling 3.5.4a en Afdeling 3.5.5 van de Wft, die betrekking hebben op de overdrachtsregeling respectievelijk de noodregeling, uitdrukkelijk in rechtsmiddelen voorzien, is de termijn acht dagen voor het instellen van verzet en hoger beroep, en veertien dagen voor het instellen van cassatieberoep (vgl. art. 3:159aa lid 1 Wft, art. 3:159aa lid 3 Wft,art. 3:191 leden 1 en 2 Wft respectievelijk art. 3:191 lid 6 Wft). Aldus is in deze afdelingen niet alleen afgeweken van de gewone termijn van drie maanden van art. 358 lid 2 Rv voor hoger beroep respectievelijk van art. 426 lid 1 Rv voor cassatieberoep, maar ook, in art. 3:191 lid 6 Wft, van de regel van art. 426 lid 2 Rv dat in de gevallen waarin de wet voor het instellen van hoger beroep een kortere termijn dan drie maanden heeft voorgeschreven, de cassatietermijn het dubbele bedraagt van de appeltermijn.
Deze afwijkingen moeten worden bezien tegen de achtergrond van het spoedeisende karakter van zaken waarin toepassing is gegeven aan de overdrachtsregeling of de noodregeling (vgl. de citaten uit de parlementaire geschiedenis, hiervoor weergegeven in 3.4.1 als eerste en in 3.4.3). Die spoedeisendheid is evenzeer aan de orde bij het instellen van cassatieberoep tegen een beschikking waarbij op de voet van art. 3:159ij Wft de overdrachtsregeling is uitgesproken. Daarmee strookt niet dat de termijn wordt bepaald door art. 426 lid 1 Rv.
Daarom moet, nu dit past in het stelsel van de wet en aansluit bij de termijn van art. 3:191 lid 6 Wft, worden aanvaard dat naar de bedoeling van de wetgever cassatieberoep tegen een beschikking waarin de overdrachtsregeling is uitgesproken binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak moet worden ingesteld (vgl. HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3110).