Titel XXII van Boek 3 SvA bevat een regeling voor de vergoeding van schade ten gevolge van toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen. De daarin opgenomen artikelen 178, 179 en 182 SvA houden, voor zover hier van belang, het volgende in.
Art. 178:
“Lid 1. Degene die schade heeft geleden ten gevolge van onrechtmatige toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, heeft recht op schadevergoeding. Bij rechtmatige toepassing van een dwangmiddel kan eveneens schadevergoeding worden toegekend, wanneer er gronden van redelijkheid en billijkheid aanwezig zijn, dat de geleden schade geheel of gedeeltelijk door het Land wordt gedragen.
Lid 2. De rechtmatigheid of onrechtmatigheid wordt beoordeeld naar het tijdstip, waarop het dwangmiddel werd toegepast.
Lid 3. Onder schade is mede begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan de hoogte van het bedrag van de schadevergoeding aan een maximum worden gebonden.
(…)”
Art. 179:
“Lid 1. Het verzoek om schadevergoeding kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak of de beslissing dat geen of geen verdere vervolging zal worden ingesteld.
(…)
Lid 3. Een verzoek om schadevergoeding kan ook door de erfgenamen van de gelaedeerde worden gedaan en de vergoeding kan ook aan hen worden toegekend. In dat geval blijft vergoeding van schade, die niet in vermogensschade bestaat, achterwege. (…).”
Art. 182:
“Degene die schade heeft geleden ten gevolge van de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, kan alleen krachtens de bepalingen van deze titel, met uitsluiting van enige vordering uit burgerlijk recht, om toekenning van schadevergoeding verzoeken.”