Dossier 6/ Feit 4 ("Heroïnezaak")
Uit de telefoontaps in dossier 6 leidt het hof af, gelet op de tijdstippen waarop de daarin opgenomen gesprekken werden gevoerd en de informatie die door de betrokken gespreksdeelnemers wordt uitgewisseld in combinatie met onder andere de voor verdachte belastende verklaringen van [betrokkene 22] en [betrokkene 21] , afgelegd op 13 respectievelijk 14 januari 1998 tegenover de Turkse politie, op 16 januari 1998 tegenover officier van justitie Salihoglu en op 16 januari 1998 tegenover rechter Zeyrek, deze laatste voor zover zij inhouden in hoeverre de eerdergenoemde verklaringen juist zijn, dat de telefoontaps betrekking hebben op het bewezen verklaarde en de rol van de verdachte daarin.
Dat de tot bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 21] niet als zodanig bruikbaar zijn, omdat ze onder druk (marteling) tot stand zijn gekomen, zoals dit door de verdediging is gesteld, is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.
In de eerste plaats wijst het hof er op dat in die verklaringen niet wordt gerept over dwang of marteling. Voorts wijst het hof in dit verband op het verslag van medisch onderzoek d.d. 30 april 1998, opgemaakt door forensisch geneeskundige Fatima Öztürk, bijlage D-6-40, dossierpagina 1490, inhoudende:
'(...)
1. oud operatielitteken van 4 cm aan de linkerkant van de rug van [betrokkene 2] , zoon van [betrokkene 2] , geboren in 1950; geen littekens als gevolg van mishandeling.
(...)
4. geen littekens als gevolg van mishandeling bij
[betrokkene 23] , zoon van [betrokkene 24] , geboren in 1969.
5. geen littekens als gevolg van mishandeling bij
[betrokkene 21] , zoon van [betrokkene 25] , geboren in 1961.
(...)’
Het door de verdediging impliciet ingenomen standpunt dat deze in Turkije opgemaakte medische verklaring niet is/kan zijn opgemaakt in onafhankelijkheid, legt het hof als onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden, terzijde.
Voorts blijkt er ruimte te zijn geweest om terug te komen op eerdere verklaringen, zoals blijkt uit de verklaring van [betrokkene 2] tegenover de Turkse rechter en uit de verklaring van [betrokkene 21] tegenover de Turkse officier van justitie.
Ook de verklaring van [betrokkene 23] , afgelegd tegenover de Turkse politie op 14 januari 1998, acht het hof bruikbaar voor het bewijs.
Weliswaar stelt [betrokkene 23] tegenover eerdergenoemde Turkse rechter op 16 januari 1998, dat hij niet zo'n verklaring afgelegd heeft, dat hij gedwongen was om de verklaring te tekenen en dat de inhoud niet klopt, maar onderbouwt dit, terwijl het toch om een zeer gedetailleerde verklaring gaat, niet, terwijl voorts uit eerdergenoemd medisch onderzoeksrapport van [betrokkene 26] ook ten aanzien van [betrokkene 23] niet blijkt van beschadiging als gevolg van mishandeling.
De impliciete stelling van de verdediging dat ook deze verklaring onder druk/marteling tot stand is gekomen, is naar 's hofs oordeel niet aannemelijk geworden.
Dat door of vanwege de Nederlandse justitie vóór februari 1998 onderzoeksinformatie (bijvoorbeeld tapgesprekken en niet zijnde de door de advocaat-generaal bij repliek beschreven sturingsinformatie van de Nederlandse politie aan de Turkse politie (7 januari 1998) verstrekt over [betrokkene 21] ) voor zover hier van belang, op basis waarvan de Turkse justitie onderzoekshandelingen zou hebben verricht (bijvoorbeeld door die tapgesprekken voor te houden aan [betrokkene 2] zoals deze dit aan verdachte telefonisch meldt) zou zijn verstrekt, welke hier zijn beslag zou hebben gekregen, is naar 's hofs oordeel niet aannemelijk geworden. Het hof gaat hierbij uit van de verklaringen van de betrokken Nederlandse justitiefunctionarissen, terzake afgelegd of overgelegd in het vooronderzoek en/of ter terechtzitting bij het hof ( [betrokkene 27] , [betrokkene 28] , [betrokkene 10] en [betrokkene 29] , zoals aangegeven door de advocaat-generaal bij zijn repliek).
Dat [betrokkene 2] in januari 1998 tegenover verdachte telefonisch aangeeft met tapgesprekken te zijn geconfronteerd door de Turkse politie, ziet het hof als een poging van die [betrokkene 2] om zich in te dekken tegenover verdachte met betrekking tot het feit dat hij is doorgeslagen en verdachte heeft belast. Het hof houdt de verklaring van [betrokkene 2] in zoverre voor onwaar.