3.1
In deze zaak kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Uit het huwelijk van [de vader] (hierna: de vader) en [de moeder] (hierna: de moeder) zijn zeven kinderen geboren, te weten [verweerster 1] , [eiser] , [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , [betrokkene 1] en [verweerder 6] .
(ii) De vader is overleden in 1989, de moeder in 2000. Tussen de kinderen zijn geschillen ontstaan over de verdeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder.
(iii) Mr. Breuker is aangesteld als bewindvoerder over het erfdeel van [betrokkene 1] . In die hoedanigheid is hij in de hierna in 3.2.2 en 3.2.3 te noemen feitelijke instanties partij geweest. [betrokkene 1] is in 2014 overleden.
3.2.1
[verweerster 1] heeft onder meer vaststelling van de wijze van verdeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder gevorderd.
3.2.2
In haar eindvonnis heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder vastgesteld en het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.2.3
Het hof heeft, voor zover thans van belang, [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in het door hem tegen [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] ingestelde hoger beroep, de bestreden vonnissen bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.3
De door [verweerster 1] ingestelde vordering tot verdeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder betreft rechtsverhoudingen waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhoudingen betrokkenen, in dit geval [verweerster 1] , [eiser] , [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] . Indien sprake is van een dergelijke processueel ondeelbare rechtsverhouding kan de rechter de beslissing over die verdeling slechts geven in een geding waarbij allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Dat geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden opgeroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties. (Vgl. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, rov. 3.4.)
3.4.1
[eiser] heeft de procesinleiding en het oproepingsbericht bij afzonderlijke exploten doen betekenen aan [verweerster 1] , [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] . Aldus heeft hij gehandeld overeenkomstig hetgeen is overwogen in het hiervoor in 3.3 genoemde arrest van de Hoge Raad.
3.4.2
Bij faxbericht van 9 juni 2017 heeft de cassatieadvocaat van [eiser] aan de Hoge Raad medegedeeld dat zij van mening is dat [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] ten onrechte zijn opgeroepen, aangezien [eiser] in zijn hoger beroep tegen hen niet-ontvankelijk is verklaard en hij tegen deze beslissing geen klachten heeft gericht. Het cassatieberoep ten aanzien van [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] is bij die gelegenheid ingetrokken, en alleen ten aanzien van [verweerster 1] voortgezet.
3.4.3
Deze gang van zaken miskent dat de omstandigheden dat [eiser] door het hof niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] , en dat hij daartegen in cassatie geen klachten richt, onverlet laten dat op hem – in overeenstemming met hetgeen is overwogen in het hiervoor in 3.3 genoemde arrest van de Hoge Raad – de verplichting rust om alle partijen die zijn betrokken bij de onderhavige processueel ondeelbare rechtsverhoudingen, in het geding in cassatie op te roepen.
3.5
Overeenkomstig rov. 3.6.1 van het hiervoor in 3.3 genoemde arrest van de Hoge Raad dient [eiser] gelegenheid te worden gegeven om [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] alsnog als partij in het geding in cassatie te betrekken door hen daartoe op te roepen.
In deze zaak is in cassatie het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de regelgeving inzake digitaal procederen in vorderingszaken in cassatie (Besluit van 25 januari 2017, Stb. 2017, 16). De hiervoor bedoelde oproeping dient derhalve te geschieden op de voet van art. 30g Rv.
Ingevolge art. 30g, laatste volzin, Rv is art. 112 Rv niet van toepassing op de oproeping van derden. Dit betekent dat de oproeping met de procesinleiding en het onderhavige arrest bij exploot dient te worden betekend, en dat dit niet kan geschieden door bezorging op andere wijze als bedoeld in art. 112 lid 1 Rv.
3.6
De oproeping op de voet van art. 30g Rv dient te geschieden binnen twee weken na heden. Daarbij dient aan [verweerster 2] , [verweerster 3] , [verweerder 4] , mr. Breuker en [verweerder 6] een uiterste datum voor verschijning te worden aangezegd. De Hoge Raad zal deze datum met overeenkomstige toepassing van art. 121 lid 2 Rv in verbinding met art. 30a lid 3, aanhef en onder c, Rv en art. 30g Rv bepalen op vier weken na heden (vgl. HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2628, NJ 2017/419, rov. 2.3.7).