Voor zover in cassatie van belang, heeft de kantonrechter de vordering van FNV toegewezen en heeft het hof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen.
Art. 37 CAO bepaalt dat een (extra) vergoeding is verschuldigd over de uren tussen 20.00 en 04.00 uur en voorts dat dit geldt voor nachtritten. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het verrichten van werkzaamheden (deels of geheel) vallend in de periode 20.00 tot 04.00 uur dient te worden beschouwd als een nachtrit (FNV) dan wel dat eerst van een nachtrit sprake is als (ook) in de periode 00.00 tot 04.00 uur is gewerkt
([eiseres]). Nu een afzonderlijke definitie van het begrip nachtrit in de CAO ontbreekt, dient de bepaling te worden uitgelegd overeenkomstig de voor uitleg van cao’s geldende norm. (rov. 3.4.2)
Uit art. 37 CAO volgt in ieder geval dat de werkzaamheden vallend tussen 20.00 en 04.00 in beginsel– het element ‘nachtrit’ daargelaten – voor een toeslag in aanmerking komen. Het gaat daarbij naar zijn aard om een inconveniëntentoeslag. FNV stelt zich op het standpunt dat alle werkzaamheden vallend binnen dit tijdsbestek voor deze extra vergoeding in aanmerking komen, terwijl [eiseres] betoogt dat dit enkel geldt voor het geval de desbetreffende werkzaamheden – al dan niet ook – vallen binnen het tijdsbestek van 00.00 tot 04.00 uur. Die laatste lezing kan niet worden gevolgd. Een dergelijke nadere voorwaarde komt in de CAO als zodanig niet voor en het ligt voorts meer voor de hand een rit die valt in het in de CAO genoemde tijdsbestek van 20.00 en 04.00 aan te merken als een nachtrit in de zin van de CAO waarover toeslag is verschuldigd. Deze uitleg strookt ook met de duidelijkheid (lees: de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen) in die zin dat de werkzaamheden verricht in de uren (niet enkel tussen 00.00 en 04.00 maar ook die) gelegen tussen 20.00 en 00.00 uur altijd worden vergoed, waar in de visie van [eiseres] de vergoeding voor laatstbedoelde werkzaamheden nog afhankelijk is van de vraag of tevens na 00.00 uur is gewerkt. Laatstbedoelde uitleg zou er bovendien toe leiden dat de uren gewerkt tussen 20.00 en 00.00 uur de ene keer wel en de andere keer niet voor vergoeding in aanmerking komen, hetgeen op gespannen voet staat met de hiervoor aangeduide aard van de toeslag. (rov. 3.4.3)
Bij de aldus voorgestane uitleg is tevens acht geslagen op de systematiek van de cao’s geldend vóór 1994, waarin laatstelijk in art. 32 van de desbetreffende cao de uren tussen 06.00 en 20.00 uur werden aangeduid als dagdienst, waarbij geen toeslag was verschuldigd in tegenstelling tot de uren gelegen tussen 20.00 en 06.00 uur, waarvoor wel een toeslag gold (rov. 3.4.4).
Het feit dat in de door het hof voorgestane uitleg de toevoeging ‘nacht’ aan het begrip ‘eendaagse ritten’ in art. 37 CAO ook weggelaten had kunnen worden, weegt onvoldoende op tegen de hiervoor gegeven argumentatie om tot een ander oordeel te komen (rov. 3.4.6).