3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Braun exploiteert een internationaal opererend bedrijf dat producten levert op het gebied van gezondheidszorg en farmacie. Tot haar assortiment behoren onder meer (intraveneuze) katheters met een hypodermale naald en een naaldbeschermingsamenstel, bestemd voor het inbrengen van een katheter bij een patiënt, bijvoorbeeld voor het afnemen van bloed of het toedienen van medicatie in de bloedbaan.
(ii) Becton c.s. zijn actief op de Nederlandse markt en bieden medische hulpmiddelen aan. Becton c.s. hebben in hun assortiment een serie intraveneuze katheters met hypodermale naald en een naaldbeschermingsamenstel, onder de naam Venflon Pro Safety IV Catheter (VPS). De VPS wordt in ieder geval sinds februari 2007 door Becton c.s. in Nederland op de markt gebracht.
(iii) Braun is houdster van het Europese octrooi EP 2 319 556 B1, getiteld: ‘Needle tip guard for hypodermic needles’.
3.2.1
In dit kort geding vordert Braun Becton c.s. te verbieden inbreuk te maken op haar hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde octrooi, alsmede een aantal nevenvoorzieningen. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 17 juni 2016 de vorderingen afgewezen en Braun veroordeeld in de proceskosten, begroot op de voet van art. 1019h Rv.
3.2.2
Braun heeft bij exploot van 20 juli 2016 hoger beroep ingesteld. Het hof heeft bij rolbeslissing vastgesteld dat het exploot van dagvaarding niet is uitgebracht binnen de in art. 339 lid 2 Rv voorgeschreven beroepstermijn en partijen in de gelegenheid gesteld zich over de ontvankelijkheid van het hoger beroep uit te laten. Partijen hebben vervolgens aktes genomen en gepleit.
3.2.3
Bij eindarrest heeft het hof Braun niet-ontvankelijk verklaard en haar veroordeeld in de kosten. Deze heeft het hof voor de periode van 6 tot en met 15 juli 2016 op de voet van art. 1019h Rv begroot op € 28.795,-- en voor de periode nadien met toepassing van het liquidatietarief. Daartoe heeft het hof overwogen (rov. 19):
“De slotsom is dat B. Braun niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en in de kosten zal worden veroordeeld. Becton c.s. vordert veroordeling van B. Braun in de kosten als bedoeld in artikel 1019h Rv. De kosten gemaakt van 6 juli 2016 tot en met 15 juli 2016 (…) worden aangemerkt als voorbereidende werkzaamheden die betrekking hebben op geschilpunten die onder het bereik van artikel 1019h Rv vallen. De kosten die na 15 juli 2016 zijn gemaakt (honorarium en vertaalkosten), betreffen de ontvankelijkheidsvraag vanwege de termijnoverschrijding en de vaststelling van de omvang van de kosten. Deze kosten vallen niet onder het bereik van artikel 1019h Rv en worden begroot met toepassing van het liquidatietarief (HR 11 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:390 en HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR: 2016:1087 ) op € 2.235,- (…).”
3.3.1
In onderdeel 1.1 van het middel betogen Becton c.s. dat het oordeel van het hof, dat kosten die de ontvankelijkheidsvraag betreffen niet onder het bereik van art. 1019h Rv vallen, onjuist is. Art. 1019h Rv is van toepassing wanneer de eiser intellectuele-eigendomsrechten handhaaft jegens zijn wederpartij. De grondslag van het verweer van die wederpartij doet daarbij niet terzake en ook de processuele opstelling van de wederpartij is niet beslissend, aldus de klacht.
3.3.2
Ingevolge art. 1019h Rv wordt in procedures betreffende de handhaving van rechten van intellectuele eigendom als genoemd in art. 1019 Rv, de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. In de titel waarvan deze bepalingen deel uitmaken is de Handhavingsrichtlijn geïmplementeerd (Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten). Art. 1019h Rv vormt de implementatie van art. 14 Handhavingsrichtlijn en moet dus in overeenstemming met die richtlijn worden uitgelegd.
3.3.3
Over het toepassingsbereik van art. 14 Handhavingsrichtlijn heeft het HvJEU overwogen dat de bepalingen van deze richtlijn niet beogen alle aspecten betreffende de intellectuele-eigendomsrechten te regelen, maar alleen de aspecten die inherent zijn aan enerzijds de handhaving van deze rechten en anderzijds de inbreuken op die rechten, door te eisen dat doeltreffende rechtswegen bestaan om elke inbreuk op een bestaand intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen, te doen staken of te verhelpen (HvJEU 10 april 2014, zaak C-435/12, ECLI:EU:C:2014:254, NJ 2016/185 (ACI Adam/Thuiskopie), punt 61 en HvJEU 16 juli 2015, zaak C-681/13, ECLI:EU:C:2015:471, NJ 2017/32 (Diageo/Simiramida), punt 73).
3.3.4
Tot de procedures waarop de Handhavingsrichtlijn van toepassing is behoren niet alleen de procedures waarin een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht aan de orde is, maar ook die waarin om bewarende maatregelen wordt verzocht voorafgaand aan een procedure en anderzijds vervolgprocedures, zoals een exequaturprocedure of een door de verwerende partij aangespannen schadevergoedingsprocedure volgend op een inbreukprocedure (HvJEU 18 november 2011, zaak C-406/09, ECLI:EU:C:2011:668, NJ 2012/19 (Realchemie/Bayer) en het hiervoor in 3.3.3 genoemde arrest van het HvJEU inzake Diageo/Simiramida, punten 74-76). Niet onder de werkingssfeer van de richtlijn vallen bijvoorbeeld procedures die enkel strekken tot nietigverklaring van een intellectuele-eigendomsrecht (HvJEU 15 november 2012, zaak C-180/11, ECLI:EU:C:2012:717 (Bericap/Plastinova)), alsmede een procedure over de reikwijdte van het stelsel van de uitzondering (in het auteursrecht) voor het kopiëren voor privégebruik en de gevolgen hiervan voor de heffing en verdeling van de billijke compensatie (zie het hiervoor in 3.3.3 genoemde arrest van het HvJEU in de zaak ACI Adam/Thuiskopie, punten 63-64). De grond daarvoor is dat aan dergelijke procedures geen op een intellectuele-eigendomsrecht gebaseerde vordering van rechthebbenden ten grondslag ligt met het doel een inbreuk daarop te voorkomen, te doen staken of te verhelpen.
3.3.5
Met het voorgaande is nog niet de vraag beantwoord of alle werkzaamheden in verband met een procedure die wat betreft het onderwerp van het geschil onder de werkingssfeer van de Handhavingsrichtlijn valt – zoals de onderhavige, naar niet in het geding is – voor een vergoeding op de voet van art. 14 Handhavingsrichtlijn in aanmerking dienen te komen. In dit verband valt enerzijds te denken aan werkzaamheden ter voorbereiding van zodanige procedure. Eerder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dergelijke werkzaamheden op de voet van art. 1019h Rv voor vergoeding in aanmerking komen, ook indien de rechter niet aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil toekomt (zoals bij intrekking van een kort geding, zie HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, NJ 2018/56, rov. 3.6).
Die werkzaamheden hebben in dergelijke gevallen immers betrekking op de vordering tot handhaving van het desbetreffende intellectuele-eigendomsrecht die inzet was van de (beoogde) procedure. Anderzijds valt te denken aan verweren of incidenten van processuele aard, dan wel verweren die op andere gronden dan die ontleend aan een intellectuele-eigendomsrecht aan de toewijsbaarheid van de vordering in de weg staan (zoals een gebrek aan spoedeisend belang in kort geding, een beroep op verjaring, of rechtsverwerking). In veel gevallen valt op een dergelijk verweer of incident niet te beslissen zonder daarbij het materiële geschil te betrekken. Als een dergelijk verweer is ook aan te merken het verweer dat de verzochte erkenning van een buitenlandse uitspraak afstuit op de openbare orde. Daarover overwoog het HvJEU in de (hiervoor in 3.3.3 genoemde) zaak Diageo/Simiramida:
“77. Aangaande artikel 14 van richtlijn 2004/48 heeft het Hof reeds geoordeeld dat deze bepaling beoogt het niveau van de bescherming van de intellectuele eigendom te versterken door te voorkomen dat een benadeelde partij ervan zou worden weerhouden om ter waarborging van zijn rechten een gerechtelijke procedure in te stellen (zie arrest Realchemie Nederland, C-406/09, EU:C:2011:668, punt 48).
78. Gelet op deze doelstelling alsmede de ruime en algemene bewoordingen van artikel 14 van richtlijn 2004/48, waarin wordt verwezen naar de ‘in het gelijk gestelde partij’ en de ‘verliezende partij’ zonder nadere verduidelijking of beperking van de aard van de procedure waarop de daarbij vastgestelde regel toepassing moet vinden, dient te worden aangenomen dat deze bepaling van toepassing is op de gerechtskosten die zijn gemaakt in elke procedure die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt.
79. In dit verband is de omstandigheid dat in het hoofdgeding de beoordeling van de rechtmatigheid van het betrokken beslag de vraag naar erkenning of weigering van erkenning van een in een andere lidstaat gegeven beslissing doet rijzen, van geen belang. Een dergelijke vraag is immers bijkomstig en wijzigt niet het voorwerp van het geding.”
3.3.6
In het onderhavige geval gaat het, wat betreft de periode voor het verstrijken van de appeltermijn, om werkzaamheden ter voorbereiding van het verweer van Becton c.s. in het door Braun aangekondigde hoger beroep tegen de afwijzing van haar vordering (tot handhaving van haar octrooirecht). Het hof heeft de aan deze werkzaamheden verbonden kosten terecht begroot op de voet van art. 1019h Rv (zie de hiervoor in 3.3.5 genoemde prejudiciële beslissing van 3 juni 2016).
3.3.7
Tussen partijen staat vast dat de werkzaamheden die na het verstrijken van de appeltermijn zijn verricht, uitsluitend betrekking hebben op de vraag of de overschrijding van die termijn tot niet-ontvankelijkheid diende te leiden. Een dergelijke kwestie – waarover de appelrechter ambtshalve heeft te oordelen – is van zuiver processuele aard; het materiële geschil is op geen enkele wijze van invloed op de beoordeling daarvan. Dit kan een argument opleveren om deze werkzaamheden niet onder de werkingssfeer van art. 14 Handhavingsrichtlijn en art. 1019h Rv te laten vallen. Dat geldt zowel indien de appelrechter niet-ontvankelijkheid van appellant in het hoger beroep uitspreekt als indien hij tot het oordeel komt dat appellant in het hoger beroep wel ontvankelijk is.
Hierbij komt dat de Handhavingsrichtlijn niet beoogt alle aspecten betreffende de intellectuele-eigendomsrechten te regelen (zie hiervoor in 3.3.3) en dat de vraag of een rechtsmiddel binnen de daarvoor geldende termijn is ingesteld van openbare orde is en dus ook zonder daarop gericht verweer dient te worden beoordeeld.
3.3.8
Voor toepasselijkheid van art. 14 Handhavingsrichtlijn op (ook) de werkzaamheden na het verstrijken van de appeltermijn, pleit evenwel dat die bepaling volgens het HvJEU een ruim toepassingsbereik heeft en dat uit de hiervoor in 3.3.5 aangehaalde overwegingen van het HvJEU in de zaak Diageo/Simiramida lijkt te volgen dat deze bepaling van toepassing is op alle – ‘de’ – gerechtskosten die zijn gemaakt in een procedure die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt, ook voor zover het gaat om kosten die verband houden met een bijkomstige vraag. In verband met het ruime toepassingsbereik is van belang dat de niet-ontvankelijkverklaring van een appellerende partij ertoe leidt dat de geïntimeerde de zaak wint en heeft te gelden als de “in het gelijk gestelde partij” als bedoeld in art. 14 Handhavingsrichtlijn.
Om dezelfde reden valt, hoewel de appelrechter ambtshalve dient te beoordelen of het hoger beroep tijdig is ingesteld, in het algemeen te billijken dat de geïntimeerde kosten maakt om een daarop gericht verweer te voeren.
3.3.9
De hiervoor in 3.3.8 vermelde argumenten die, gelet op de hiervoor in 3.3.5 aangehaalde overwegingen van het HvJEU in de zaak Diageo/Simiramida, ervoor pleiten ook de werkzaamheden verband houdend met een zuiver processuele kwestie als de onderhavige onder de werkingssfeer van
art. 14 Handhavingsrichtlijn en art. 1019h Rv begrepen te achten, wegen zodanig zwaarder dan de tegenargumenten, dat in dit kort geding daarover geen prejudiciële vragen aan het HvJEU zullen worden gesteld.
3.3.10
Opmerking verdient dat slechts redelijke en evenredige kosten voor vergoeding in aanmerking komen, en dat ook deze kosten buiten beschouwing mogen worden gelaten voor zover de billijkheid zich tegen de vergoeding ervan verzet.
In zijn arrest van 28 juli 2016, zaak C-57/15, ECLI:EU:C:2016:611 (United Video Properties) heeft het HvJEU daarover het volgende overwogen.
Bij het bepalen van een vergoeding als bedoeld in art. 14 Handhavingsrichtlijn dient rekening te worden gehouden met alle specifieke kenmerken van het geval (punt 23). Deze bepaling verplicht de lidstaten enkel te verzekeren dat de “redelijke” proceskosten worden vergoed. Bovendien bepaalt art. 3 lid 1 Handhavingsrichtlijn onder meer dat de door de lidstaten vastgestelde procedures niet onnodig kostbaar mogen zijn (punt 24). In dit verband kan een nationale regeling die beoogt vergoeding tegen te gaan van kosten die buitensporig zijn wegens ongewoon hoge honoraria die de in het gelijk gestelde partij en haar advocaat waren overeengekomen, of wegens diensten van de advocaat die niet noodzakelijk worden geacht voor het waarborgen van de eerbiediging van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht, gerechtvaardigd zijn (punt 25). Het evenredigheidsvereiste impliceert dat de verliezende partij niet noodzakelijkerwijze alle kosten van de andere partij moet vergoeden, maar vergt wel dat de in het gelijk gestelde partij recht heeft op vergoeding van minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten die zij daadwerkelijk heeft gemaakt (punt 29).
De omstandigheid dat art. 14 Handhavingsrichtlijn van zijn werkingssfeer de gevallen uitsluit waarin de billijkheid zich ertegen verzet dat de verliezende partij de proceskosten draagt, heeft betrekking op nationale regels op grond waarvan de rechter in een bijzonder geval bij wijze van uitzondering de algemene regeling inzake proceskosten buiten toepassing mag laten als die zou leiden tot een resultaat dat onrechtvaardig wordt geacht (punt 31).
Deze overwegingen van het HvJEU bieden de rechter de ruimte om, bij de vaststelling van het bedrag dat op de voet van art. 1019h Rv voor vergoeding in aanmerking komt, in een concreet geval rekening te houden met de noodzaak kosten te maken in verband met een ontvankelijkheidsverweer als hier aan de orde en de eventuele buitensporigheid van het terzake gevorderde bedrag.
3.4.1
In het licht van hetgeen hiervoor in 3.3.1-3.3.9 is overwogen slaagt onderdeel 1.1. Na verwijzing zullen de kosten die Becton c.s. hebben gemaakt in de periode na 15 juli 2016, met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.3.10 is overwogen, moeten worden begroot op de voet van art. 1019h Rv.
3.4.2
De onderdelen 1.2 en 1.3 behoeven geen behandeling.