In de onderhavige procedure vordert de dochter de moeder te veroordelen tot terugbetaling van onder meer een bedrag van € 2.314,--, welk bedrag de dochter op 15 mei 2014 ter uitvoering van de proceskostenveroordeling in het vernietigde arrest aan de moeder heeft voldaan. Zij betoogt dat met de onherroepelijke vernietiging door de Hoge Raad van dat arrest, de rechtsgrond aan de betaling is komen te ontvallen.
De kantonrechter heeft de vordering van de dochter afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het heeft daartoe als volgt overwogen.
“8. Het hof is voorts van oordeel dat het betoog van de dochter dat de uitspraak van het hof Den Haag “van de baan” is en onherroepelijk is vernietigd, niet juist is. Ingevolge artikel 424 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zet de rechter, naar wie het geding is verwezen, i.c. het hof Amsterdam, de behandeling daarvan voort en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. De procedure na cassatie en verwijzing is geen zelfstandige instantie met een eigen inzet en procesgang, maar vormt de voortzetting van de instantie die voorafging aan het cassatiegeding. Ook al vernietigt de Hoge Raad in het dictum van zijn arrest de bestreden uitspraak zonder enige beperking, dan mag daaruit niet worden afgeleid dat al hetgeen de bestreden uitspraak inhield is vernietigd; het is aan het hof Amsterdam, aan de hand van het door de Hoge Raad overwogene en besliste, te beoordelen welke onderdelen van de vernietigde uitspraak in cassatie niet of tevergeefs bestreden zijn en derhalve onaantastbaar zijn geworden. De proceskostenveroordeling is een beslissing die voortbouwt op, althans onverbrekelijk samenhangt met de vernietigde beslissing. Ten aanzien van een dergelijk voortbouwende beslissing geldt dat de rechter na verwijzing hieraan niet is gebonden. De vernietiging van de beslissing ten aanzien van de proceskosten is eerst definitief indien het hof Amsterdam tot deze beslissing komt. Indien de kwestie waarop de vernietigde beslissing betrekking had na verwijzing weer in dezelfde zin kan worden beslist als vóór cassatie, dan is de vernietiging van de proceskostenveroordeling slechts een voorwaardelijke. In het geval de rechter na verwijzing de kwestie weer in dezelfde zin beslist als de rechter vóór cassatie, herleeft de voortbouwende beslissing. Uit het voorgaande volgt dat in het arrest van de Hoge Raad, waarbij de vernietiging en verwijzing is uitgesproken, geen definitieve beslissing ten aanzien van de proceskostenveroordeling besloten ligt.
De grief van de dochter faalt.”
3.3.1
Onderdeel I van het middel richt een rechtsklacht tegen rov. 8 van het bestreden arrest. Het betoogt dat de beslissing in het vernietigde arrest over de proceskosten door de Hoge Raad onherroepelijk is vernietigd. Daarmee is de rechtsgrond onherroepelijk komen te ontvallen aan de betaling van de proceskosten en zijn deze kosten onverschuldigd betaald.
3.3.2
Na verwijzing door de Hoge Raad dient de rechter naar wie het geding wordt verwezen, de behandeling daarvan voort te zetten en te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad (art. 424 Rv). De vernietiging door de Hoge Raad van een uitspraak treft niet alleen de in die uitspraak voorkomende beslissingen die in cassatie met succes zijn bestreden, maar brengt ook mee dat alle beslissingen die daarop voortbouwen of daarmee onverbrekelijk samenhangen, hun kracht verliezen omdat daaraan de grondslag is ontvallen (HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2739, rov. 3.6.2). Dit geldt ook voor de beslissing over de proceskosten.
Anders dan het hof heeft overwogen, behelst de vernietiging van de beslissing over de proceskosten geen ‘voorwaardelijke’ vernietiging en kan van ‘herleven’ van die beslissing geen sprake zijn, ook niet indien het verwijzingshof met betrekking tot het punt waarop is vernietigd tot dezelfde beslissing komt als het hof voor cassatie. Een verwijzingshof is gehouden de proceskosten van het hoger beroep opnieuw te begroten, zowel wat betreft de proceshandelingen die aan de vernietiging zijn voorafgegaan, als die welke na verwijzing zijn verricht. Onderdeel I slaagt derhalve.
3.3.3
Onderdeel II bouwt voort op onderdeel I en is gericht tegen de bekrachtiging door het hof van de veroordeling van de dochter in de proceskosten van de onderhavige procedure in eerste aanleg en de compensatie van de proceskosten van de onderhavige procedure in hoger beroep. Uit het voorgaande volgt dat deze klachten slagen.