In rov. 3.28 heeft het hof geoordeeld dat, ingeval de advocaten de cassatietermijn niet hadden laten verstrijken, de procedures in cassatie en bij het verwijzingshof ertoe zouden hebben geleid dat [verweerster] haar aansprakelijkheid wel had mogen beperken, en dat [verweerster] dus haar schade mag verhalen op de advocaten. Aan dit oordeel heeft het hof, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
In beginsel moet worden beoordeeld hoe de Hoge Raad had behoren te beslissen, en in geval van verwijzing, hoe het verwijzingshof had behoren te beslissen, althans moet het toewijsbare bedrag worden geschat aan de hand van goede en kwade kansen die [verweerster] zou hebben gehad in cassatie, en eventueel in de verwijzingsprocedure, als het cassatieberoep tijdig was ingesteld. (rov. 3.13) Nu in dit geval de middelen van cassatie bekend zijn, en niet gesteld of gebleken is dat tevens incidenteel cassatieberoep zou zijn ingesteld, is het in het onderhavige geval mogelijk de omvang van het geding in cassatie vast te stellen en aldus het verloop van het cassatiegeding en van het geding na een eventuele verwijzing, concreet te beoordelen.
(rov. 3.14)
In de te laat uitgebrachte cassatiedagvaarding is geklaagd over de onjuiste toepassing door het hof van het criterium ‘roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien’, zoals bedoeld in art. 951e (oud) WvK. (rov. 3.15) Volgens de 5 januari-arresten (HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9308,NJ 2001/391 en ECLI:NL:HR:2001:AA9309, NJ 2001/ 392) is van bewuste roekeloosheid sprake als degene die zich aldus gedraagt het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar zich door dit een en ander niet van dit gedrag laat weerhouden. (rov. 3.17)
Uit het [betrokkene 1] -arrest kan niet worden afgeleid dat dit criterium voor bewuste roekeloosheid is gehanteerd. (rov. 3.19) De Hoge Raad had tot cassatie behoren over te gaan. (rov. 3.20) Het verwijzingshof zou hebben geoordeeld dat niet aan voornoemd criterium was voldaan. (rov. 3.21)
Uit de rapporten blijkt weliswaar waaruit het gevaar bestond, maar niet dat de kans dat het gevaar zich zou verwezenlijken groter was dan 50%. (rov. 3.23)
Zou uit de inherente instabiliteit zijn af te leiden dat het gevaar zich zeker op enig moment zou verwezenlijken, dan kan uit de vaststaande feiten niet worden afgeleid dat [verweerster] zich daarvan bewust is geweest. (rov. 3.24) Het gaat om het subjectieve bewustzijn, dat moet worden afgeleid uit de gegeven feiten en omstandigheden. (rov. 3.25) [verweerster] is ervan uitgegaan dat overbelading de oorzaak was van het kapseizen in 1993 en was zich niet bewust van een inherente instabiliteit. Dat dat uitgangspunt mogelijk onjuist is geweest doet daaraan niet af. (rov. 3.26)