In een eerdere uitspraak heeft de Hoge Raad over niet-naleving van de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv, samengevat weergegeven, als volgt overwogen.2
Weliswaar moet ingevolge art. 120 lid 1 Rv (onder meer) hetgeen in art. 112 Rv is voorgeschreven, op straffe van nietigheid in acht worden genomen, maar een overschrijding van de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv is niet aan te merken als een geval waartoe de nietigheidssanctie van art. 120 lid 1 Rv zich uitstrekt.
Blijkens de parlementaire geschiedenis is de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv bedoeld als een (terugreken)termijn die moet waarborgen dat de verweerder tussen het tijdstip waarop het oproepingsbericht en de procesinleiding worden betekend en de uiterste verschijndatum (die op grond van art. 30a lid 3, aanhef en onder c, Rv ten minste vier weken na de dag van indiening van de procesinleiding moet liggen) ten minste twee weken gelegenheid heeft te beslissen of hij in de procedure wil verschijnen, voordat wordt beslist of tegen hem verstek wordt verleend.
Heeft een verweerder in de periode tussen de betekening van het exploot en de uiterste verschijndatum niet gedurende ten minste twee weken gelegenheid gehad om te beslissen of hij in de procedure wil verschijnen, dan zal de rechter nog geen verstek kunnen verlenen, maar de eiser moeten gelasten aan de verweerder bij exploot een nieuwe uiterste verschijndatum aan te zeggen die de verweerder alsnog een termijn van twee weken geeft om te beslissen of hij wil verschijnen. De kosten van dat exploot kunnen als nodeloos veroorzaakte kosten voor rekening van de eiser worden gelaten (art. 237 lid 1 Rv).
Zijn echter ten minste twee weken verstreken tussen de betekening van het exploot en de in het exploot aangezegde uiterste verschijndatum, dan is overschrijding van de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv geen beletsel voor verstekverlening.