Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.
(i) Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren; een zoon in 1999 en een dochter in 2003.
(ii) Bij de echtscheidingsbeschikking is de hoogte van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: de kinderalimentatie) vastgesteld. Nadien is de hoogte van de kinderalimentatie herhaaldelijk gewijzigd.
(iii) Partijen hebben voor het laatst op 12 augustus 2013 overeenstemming bereikt over de hoogte van de kinderalimentatie. Die overeenstemming is neergelegd in een beschikking van de rechtbank van 27 augustus 2013.
(iv) Partijen hebben in aanvulling op deze beschikking een overeenkomst gesloten. Voor zover van belang bevat de overeenkomst de volgende afspraken:
“1. De man zal aan de vrouw bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voldoen voor [de dochter] van € 325,00 per maand met ingang van 1 september 2013. De bijdrage van de vrouw aan de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] is nihil. (…)
3. Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat de hiervoor overeengekomen kinderalimentatie niet bij rechterlijke uitspraak zal worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Een (positieve) inkomenswijziging of anderszins verhoging van de draagkracht aan de zijde van de vrouw dan wel de man zal niet tot enige wijziging kunnen leiden. In het geval de man in een werkloosheid- en/of arbeidsongeschiktheidssituatie komt te verkeren en zijn inkomen verlaagd zal een wijziging kunnen worden verzocht.”
(v) Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie voor de dochter per 1 januari 2018 € 347,01 per maand en per 1 januari 2019 € 353,95 per maand.