In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen ten aanzien van betrokkene. Betrokkene verbleef toen in een psychiatrisch ziekenhuis.
(ii) Bij het verzoekschrift was onder meer een geneeskundige verklaring gevoegd van de geneesheer-directeur, die betrokkene kort tevoren met het oog op een zodanige machtiging heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.
(iii) De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld in aanwezigheid van betrokkene, zijn advocaat, de behandelaar en de persoonlijk begeleider. De advocaat heeft aangevoerd dat het verzoek moet worden afgewezen omdat de geneeskundige verklaring niet is ondertekend door de hiervoor onder (ii) bedoelde psychiater, maar slechts door de geneesheer-directeur. De rechtbank heeft vervolgens de behandelaar verzocht om toezending van een “aanvullend stuk” aan de rechtbank en de advocaat.
(iv) De geneesheer-directeur heeft bij brief van 20 september 2018 onder meer het volgende aan de rechtbank geschreven:
“(…) Via de behandelend gedragskundige heb ik vernomen dat u binnen twee dagen een handtekening van de onderzoekende psychiater verlangt, zonder welke anders geen toekennende beschikking zou volgen. (…)
Art. 16 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat de geneesheer-directeur degene is die bevoegd is de geneeskundige verklaring te ondertekenen; het onderzoek mag uitgevoerd worden door een onafhankelijk psychiater, maar in alle gevallen dient de geneesheer-directeur te ondertekenen. In de Wet Bopz staat bij een aantal machtigingen dat ook de psychiater die de patiënt heeft onderzocht moet tekenen, zoals bij een voorwaardelijke machtiging en een zelfbindingsmachtiging. Als die handtekening vereist is wordt dat expliciet in de wet beschreven. Daar is hier geen sprake van.
Om bovengenoemde redenen en om geen precedentwerking te scheppen, ben ik niet voornemens om aan uw verzoek te voldoen en verzoek ik u de gevraagde machtiging te verlenen.”