Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van € 66.918,--. Daartoe heeft het, kort samengevat, als volgt overwogen.
Aangezien de man noch de vrouw grieven heeft gericht tegen de desbetreffende oordelen van de rechtbank, staat vast dat de niet uitgekeerde meewerkbeloningen overgespaarde inkomsten zijn en dat de aflossingen op de hypothecaire geldlening zijn voldaan met overgespaarde inkomsten. (rov. 6.5.1)
Het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen wordt vermoed gevormd te zijn uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit (art. 1:141 lid 3 BW). Het bewijsvermoeden heeft slechts betrekking op de vraag of het aanwezige vermogen al dan niet is gefinancierd uit hetgeen verrekend had moeten worden. (rov. 6.6.1)
Geen van partijen heeft zich beroepen op de in art. 1:141 lid 3 BW vervatte uitzondering (de ‘tenzij-clausule’). (rov. 6.6.2)
De man heeft onbetwist gesteld dat hij op de peildatum niet over enig, positief dan wel negatief, vermogen beschikte, zodat het hof daarvan zal uitgaan. (rov. 6.6.4)
De man heeft aan zijn stelplicht voldaan nu hij heeft aangevoerd dat er een verrekenverplichting is en dat daaraan niet is voldaan. Anders dan de vrouw stelt, behoort het niet tot de stelplicht en bewijslast van de man (ook nog) te stellen (en zo nodig te bewijzen) op welke wijze het vermogen van de vrouw zich tijdens het huwelijk heeft gevormd en wat de omvang van het vermogen van de vrouw op de peildatum is. (rov. 6.6.6)
De vrouw heeft de stellingen van de man niet genoegzaam weersproken, nu zij heeft volstaan met de stelling dat de man heeft nagelaten de omvang van de waarde van het vermogen inzichtelijk te maken, hetgeen niet van de man kan worden gevergd. Het had op de weg van de vrouw gelegen om haar stelling dat op de peildatum sprake kan zijn van vermogensbestanddelen die in waarde zijn afgenomen of van negatieve vermogensbestanddelen, genoegzaam te onderbouwen. (rov. 6.6.7)
Nu de vrouw de stellingen van de man onvoldoende heeft betwist, is komen vast te staan dat op de peildatum sprake was van een overgespaard vermogen van in ieder geval € 133.836,--. Dat bedrag komt voor finale verrekening in aanmerking. Ingevolge art. 1:135 BW is de man tot de helft daarvan gerechtigd, zodat de vordering van de man tot een bedrag van € 66.918,-- kan worden toegewezen. (rov. 6.6.8)