Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
Het hof heeft in rov. 4.10.1 van het tussenarrest overwogen dat de Gemeente zal moeten worden veroordeeld tot een aanvullende schadeloosstelling als bedoeld in art. 61 lid 2 Ow. De rechtbank heeft in haar eindvonnis geen aanvullende schadeloosstelling toegekend. Dat is echter niet in strijd met de beslissing van het hof omdat het hof in het tussenarrest uitging van de impliciete aanname dat er aanvullende schade is. Er is geen relevant verschil tussen het afwijzen van een aanvullende schadeloosstelling en het toekennen van een op nihil begrote schadeloosstelling. (rov. 5.5.2-5.5.3)
Vast staat dat niet tijdig met het werk is aangevangen. Dat daarbij geen opzet in het spel was en sprake was van een vergissing (doordat van een verkeerde aanvangsdatum werd uitgegaan) laat onverlet dat niet tijdig is aangevangen (rov. 5.6.3).
Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat de bestemming waarvoor was onteigend, is gerealiseerd en het daartegen gerichte cassatiemiddel is door de Hoge Raad verworpen (rov. 5.6.6). Dat betekent dat hoe dan ook inmiddels aan elke vertraging een einde is gekomen (rov. 5.6.7) en dat de uiteindelijke uitvoering dient te worden aangemerkt als realisatie van de bestemming waarvoor de gronden waren onteigend (rov. 5.6.8).
In het tussenarrest had het hof, in het kader van de vordering tot teruglevering, gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de Staat de grond nodig had en dus na teruglevering opnieuw zou gaan onteigenen, hetgeen meebrengt dat [eisers] geen rechtens te respecteren belang hebben bij teruglevering. In die overweging ligt niet besloten dat bij de bepaling van een aanvullende schadeloosstelling zou moeten worden uitgegaan van de fictie dat er zou zijn teruggeleverd en opnieuw zou zijn onteigend (rov. 5.7.2-5.7.4). Indien wordt uitgegaan van deze fictie valt er geen enkele zinnige uitspraak te doen over het tijdstip waarop zou zijn onteigend. Een dergelijke benadering zou tot geheel arbitraire en nauwelijks te verdedigen keuzes leiden. De billijke aanvullende schadeloosstelling als bedoeld in art. 61 lid 2 Ow dient begroot te worden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waarvoor ook relevant is dat in dit geval de vertraging kennelijk is ontstaan door een vergissing (doordat ervan werd uitgegaan dat de termijn aanvangt op het moment dat het onteigeningsvonnis is ingeschreven in de openbare registers), dat van opzet of kwade trouw niet is gebleken, en dat de vertraging in de omvang vrij beperkt is gebleven (rov. 5.7.5).
Een aanvullende schadeloosstelling op basis van art. 61 Ow heeft geen punitief karakter. Indien er geen waardevermeerdering in de in aanmerking te nemen periode is geweest, kan daaraan ook geen rechtvaardiging voor het toekennen van enige aanvullende schadevergoeding worden ontleend. Het is redelijk bij de begroting uit te gaan van een periode die in elk geval substantieel langer is dan de mate waarin er ontijdig is onteigend. Dat is niet ingegeven door overwegingen van punitieve aard, doch uitsluitend door het gegeven dat onzekerheid omtrent de vraag welke periode in aanmerking moet worden genomen, onvermijdelijk, in het voordeel van de onteigende ruim genomen dient te worden. Een nog langere periode komt echter als regel niet in aanmerking, omdat anders de aanvullende schadeloosstelling alsnog een punitief karakter zou krijgen. (rov. 5.7.6)
Omdat het onjuist zou zijn om uit te gaan van een uiterst onzeker en speculatief verloop van een fictieve heronteigening, is er geen grond om bij het vaststellen van de fictieve waarde uit te gaan van enig later tijdstip dan waarop de bestemming is of geacht moet worden te zijn gerealiseerd. Het hof kwam in het tussenarrest van 2009, na de laatste proceshandeling in mei 2009, tot de conclusie dat de bestemming was gerealiseerd, zodat in geen geval van een later tijdstip dan mei 2009 moet worden uitgegaan. Doch in wezen ligt dit tijdstip nog veel eerder. Rekening houdend met een omstreeks drie maanden ‘te vroege’ onteigening en een ruime marge ten behoeve van de onteigenden, zou zijn te denken aan een periode van omstreeks, doch niet meer dan een jaar vanaf de feitelijke peildatum van 21 mei 2001. Dat betekent dat relevant zouden kunnen zijn eventuele waardestijgingen tot 21 mei 2002 of daaromtrent. (rov. 5.7.7)
De billijke aanvullende schadeloosstelling valt niet noodzakelijkerwijze samen met de hypothetische waardevermeerdering in het hypothetische geval dat bij een latere onteigening van een latere peildatum zou zijn uitgegaan, doch het ligt voor de hand dat de aan- of afwezigheid van zodanige waardevermeerdering bij de bepaling van de billijke aanvullende schadeloosstelling wel een substantiële rol speelt (rov. 5.8.1).
Van algemene of specifieke waardestijgingen in de periode tussen 21 mei 2001 en 21 mei 2002 is geen sprake geweest (rov. 5.8.3-5.8.24).
Daarmee blijft over de vertraging. [eisers] hebben echter geen inzicht gegeven in de feiten en omstandigheden die als gevolg daarvan zouden hebben geleid tot een geringe verhoging van de reeds bestaande hinder en ergernis als gevolg van de onteigening als zodanig en evenmin in, bijvoorbeeld, de uren die daarmee gemoeid zouden zijn geweest. (rov. 5.9.2) Andere omstandigheden die van belang zouden kunnen zijn bij het vaststellen van een billijke aanvullende schadeloosstelling zijn niet naar voren gebracht of gebleken (rov. 5.10).