2.3.
De voor de beoordeling van het middel van belang zijnde wettelijke bepalingen zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6. In het bijzonder zijn van belang:
- art. 1, eerste lid aanhef en onder a en c, Wet op de kansspelen:
"Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden:
a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend;
c. gebruik te maken van een onder a bedoelde gelegenheid, wetende dat voor het geven daarvan geen vergunning ingevolge deze wet is verleend."
- art. 36, eerste lid, Wet op de kansspelen:
"Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1, eerste lid, onder a, (...) zijn misdrijven, voorzover zij opzettelijk zijn begaan, en overigens overtredingen."
- art. 36a, eerste en derde lid, Wet op de kansspelen:
"1. Overtreding van de verbodsbepaling van artikel 1, eerste lid, onder c, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
3. De feiten, strafbaar gesteld in het eerste (...) lid, zijn overtredingen."
- art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr:
"Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf."
2.4.
Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte aanzienlijke winsten heeft behaald met pokerspellen bij gelegenheden als bedoeld in art. 1, eerste lid aanhef en onder a, Wet op de kansspelen en dat die winsten daarna vermengd zijn geraakt met legale inkomsten en vermogensbestanddelen van hem en zijn echtgenote. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de in de bewezenverklaring opgenomen voorwerpen daardoor gedeeltelijk middellijk afkomstig zijn uit enig "misdrijf". Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. De door de verdachte behaalde winsten vormen immers de opbrengsten of verdiensten van de "overtreding" bestaande in het gebruikmaken van de gelegenheid om mede te dingen naar prijzen of premies als bedoeld in art. 1, eerste lid aanhef en onder c, Wet op de kansspelen, maar betreffen op zichzelf niet tevens (middellijk) de opbrengsten of verdiensten van het "misdrijf" van het opzettelijk zonder vergunning gelegenheid geven om mede te dingen naar prijzen of premies als bedoeld in art. 1, eerste lid aanhef en onder a, Wet op de kansspelen.