Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen.1 Het heeft, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
De rechter kan ingevolge art. 5:79 BW een erfdienstbaarheid opheffen als de eigenaar van het heersend erf geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening ervan en niet aannemelijk is dat het redelijk belang bij de uitoefening zal terugkeren. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad gaat het daarbij alleen om het belang van de gerechtigde bij de uitoefening van zijn recht, en spelen de belangen van de eigenaar van het dienend erf geen rol. Art. 5:79 BW vindt alleen toepassing in gevallen waarin voortzetting van de erfdienstbaarheid voor de gerechtigde niet van betekenis moet worden geacht. (rov. 3.9)
De inhoud van de erfdienstbaarheid dient te worden bepaald op basis van de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Zo uitgelegd, biedt de onderhavige erfdienstbaarheid de eigenaar van perceel [001] een recht van weg, waarvan gebruik mag worden gemaakt om vanaf dat perceel naar de openbare weg te gaan (en omgekeerd). De gebezigde bewoordingen bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de betrokken partijen in 2005 de erfdienstbaarheid hebben willen vestigen om daarmee een meer specifiek doel te bereiken dan wel aan het gebruik ervan bepaalde beperkingen hebben willen verbinden. (rov. 3.10)
Tussen partijen staat vast dat de erfdienstbaarheid de eigenaar van perceel [001] steeds de mogelijkheid heeft geboden vanaf dat perceel de openbare weg te bereiken (en omgekeerd). Die situatie is door de verkoop van het perceel niet gewijzigd. Met de verwijdering van de schutting tussen de percelen [001] en [003] is voor de eigenaar van perceel [001] het redelijk belang bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid niet komen te vervallen. De erfdienstbaarheid zoals deze uit de vestigingsakte blijkt, is niet beperkt tot de situatie dat perceel [001] uitsluitend via perceel [002] bereikt kon worden en niet via een ander perceel. De omstandigheid dat de percelen [001] en [003] nu dezelfde eigenaar hebben, brengt niet mee dat de percelen niet langer als afzonderlijke percelen beschouwd kunnen worden. De erfdienstbaarheid betreft de percelen, en niet de wijze waarop de bedrijven op die percelen vorm krijgen. Door ook na verwijdering van de schutting het gebruik van de erfdienstbaarheid voort te zetten, maakt [verweerster 1] geen misbruik van haar bevoegdheid. Haar redelijk belang bij handhaving van de erfdienstbaarheid is ook nu nog aanwezig. (rov. 3.11)
Het betoog van [eisers] kan niet leiden tot de conclusie dat voortzetting van de erfdienstbaarheid voor de eigenaar van perceel [001] niet van betekenis moet worden geacht. Er bestaat daarom geen grond om de erfdienstbaarheid op te heffen op de voet van art. 5:79 BW. (rov. 3.12)
De erfdienstbaarheid houdt geen beperking in ten aanzien van de omvang van het verkeer via de erfdienstbaarheid, zodat een eventuele toename van dat verkeer op zich geen reden is voor wijziging of opheffing van de erfdienstbaarheid. De (niet onaannemelijke) wijzigingen in de verkeersstromen ter plaatse zijn geen onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in art. 5:78, aanhef en onder a, BW. (rov. 3.13)
Aan de vorderingen tot verklaringen voor recht en veroordelingen die ertoe strekken dat de erfdienstbaarheid uitsluitend mag worden gebruikt voor verkeer en personen met eindbestemming perceel [001] , ligt steeds ten grondslag dat volgens [eisers] de erfdienstbaarheid uitsluitend gebruikt mag worden voor verkeer van de openbare weg naar perceel [001] en omgekeerd, en niet voor verkeer naar en vanaf perceel [003] . Het bereiken van een ander perceel dan perceel [001] is weliswaar in de tekst van de erfdienstbaarheid in de notariële akte niet als bestemming opgenomen, maar het kunnen bereiken van een ander perceel via perceel [001] is er niet door uitgesloten. Dat perceel [003] voorheen niet vanaf perceel [001] bereikbaar was en nu wel, is een omstandigheid die weliswaar tot enige verandering in de verkeersstroom over de erfdienstbaarheid aanleiding kan geven, maar dat rechtvaardigt niet de conclusie dat er sprake is van niet toegestaan gebruik. Dat zou anders zijn indien de erfdienstbaarheid door [verweerster 1] zou worden gebruikt als ware ook perceel [003] heersend erf geworden, maar dat daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken. (rov. 3.15)