Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:HR:2020:1081

Hoge Raad
19-06-2020
19-06-2020
19/02562
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:530, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:142, Gevolgd
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHAMS:2021:2946
Personen- en familierecht
Cassatie,Beschikking

Personen- en familierecht. Wijziging partneralimentatie met terugwerkende kracht; behoedzaamheid rechter vereist; HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:871. Motiveringsklachten.

Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0176
NJB 2020/1649
RvdW 2020/786
RFR 2020/119
JPF 2020/109 met annotatie van Vlaardingerbroek, P.
JIN 2020/152 met annotatie van Derks, A.M.E.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/02562

Datum 19 juni 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: de vrouw,

advocaat: H.J.W. Alt,

tegen

[de man],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de man,

advocaat: J. den Hoed.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikking in de zaken C/09/520705 en C/09/532989 van de rechtbank Den Haag van 5 februari 2018;

  2. de beschikking in de zaken 200.238.103/01 en 200.238.111/01 van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2019.

De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2019 en tot verwijzing.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd geweest.

(ii) Het huwelijk is op 14 september 2017 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.2

Bij beschikking van 5 februari 2018 heeft de rechtbank bepaald, voor zover in cassatie van belang, dat de man met ingang van 5 februari 2018 een bedrag aan partneralimentatie dient te betalen van € 5.700,-- per maand en vanaf 1 januari 2019 een bedrag van € 4.902,-- per maand.

2.3

De man heeft in hoger beroep verzocht, voor zover in cassatie van belang, de partneralimentatie op nihil te stellen, en heeft daartoe aangevoerd dat de vrouw in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft gesteld dat haar verdiencapaciteit beperkt is wegens haar psychische gesteldheid.

2.4

Het hof heeft in zijn beschikking van 27 februari 2019, voor zover in cassatie van belang, het bedrag aan door de man te betalen partneralimentatie bepaald op € 3.546,-- per maand voor de periode van 5 februari 2018 tot 1 juli 2018, op € 1.675,-- per maand voor de periode van 1 juli 2018 tot 1 september 2019, en met ingang van 1 september 2019 op nihil. Het hof heeft daartoe overwogen dat het de vrouw in staat acht om met ingang van 1 september 2019 een inkomen te verdienen waarmee zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en dat de vrouw geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat zij wegens haar psychische gesteldheid niet tot werken in staat is. (rov.13)

Ten aanzien van de ingevolge zijn oordeel door de vrouw te veel ontvangen partneralimentatie, heeft het hof geoordeeld dat het partijen in onderling overleg in staat veronderstelt om, zo nodig in samenspraak met hun respectieve advocaten, een redelijke en billijke terugbetalingsregeling overeen te komen. (rov. 26)

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 2.1.4.III van het middel klaagt over onbegrijpelijkheid van de overweging van het hof dat de vrouw geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat zij wegens haar psychische gesteldheid niet tot werken in staat is. Het onderdeel voert aan dat de vrouw onder meer een verklaring van een bedrijfsarts van 24 augustus 2017 in het geding heeft gebracht.

3.1.2

Blijkens de gedingstukken heeft de vrouw reeds in eerste aanleg de hiervoor in 3.1.1 bedoelde verklaring in het geding gebracht. Zij heeft zich ook in hoger beroep op die verklaring beroepen.

Het hof heeft geoordeeld dat de vrouw met ingang van 1 september 2019 in staat moet worden geacht om een inkomen te verdienen waarmee zij in haar levensonderhoud kon voorzien. Dit oordeel is ontoereikend gemotiveerd, gelet op de verklaring van de bedrijfsarts van 24 augustus 2017 dat de vrouw destijds volledig arbeidsongeschikt was, en in aanmerking genomen dat uit de bestreden uitspraak niet blijkt op welke nadere medische informatie het hof dit oordeel baseert. De klacht is dus gegrond.

3.2.1

Onderdeel 2.3 klaagt, samengevat, dat het hof (in rov. 26) heeft miskend dat het bij de wijziging van de partneralimentatie, voor zover die betrekking heeft op een periode in het verleden, diende te onderzoeken of een terugbetalingsverplichting ten laste van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. Het onderdeel wijst erop dat de omvang van een eventuele terugbetalingsverplichting aanzienlijk is (meer dan € 34.000,--), dat de vrouw geen ander inkomen heeft dan de partneralimentatie, dat zij er redelijkerwijs geen rekening mee had behoeven te houden dat het hof de partneralimentatie zo fors zou verlagen, en dat zij de ontvangen gelden heeft verbruikt.

3.2.2

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad1 gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting de volgende regels:

(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.

(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.

(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.

In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand

van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

3.2.3

In de bestreden beschikking heeft het hof niet kenbaar de hiervoor in 3.2.2 bedoelde regels toegepast. Evenmin heeft het hof kenbaar onderzocht of een terugbetalingsverplichting ten laste van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. Voor zover het oordeel van het hof in rov. 26 aldus moet worden verstaan dat de uit de verlaging voortvloeiende terugbetalingsverplichting van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard, is dat oordeel, gelet op de hiervoor in 3.2.1 weergegeven stellingen van de vrouw, onvoldoende gemotiveerd. De klacht is dus gegrond.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 27 februari 2019;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 19 juni 2020.

1 Zie onder meer HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:871, rov. 3.4.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.