2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verweerder], geboren in 1952, is op 1 juli 1981 bij ABN AMRO in dienst getreden. Hij verdiende laatstelijk € 5.163,68 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.
(ii) [verweerder] is met ingang van 1 augustus 2015 boventallig verklaard wegens het vervallen van zijn functie ten gevolge van een reorganisatie.
(iii) Op de gevolgen van de reorganisatie is het Sociaal Plan CAO 2013-2015 van toepassing (hierna: sociaal plan). Het sociaal plan is overeengekomen tussen ABN AMRO enerzijds en de vakbonden FNV Finance, De Unie en CNV Dienstenbond anderzijds.
(iv) Ingevolge hoofdstuk IV, paragraaf 3, van het sociaal plan kan een werknemer voor wie na het vervallen of de wijziging van de functie door reorganisatie geen passende functie beschikbaar is, worden geplaatst in de ‘Mobiliteitsorganisatie’ om gedurende maximaal twaalf maanden een nieuwe functie binnen of buiten ABN AMRO te vinden. Als een werknemer aan het einde van die termijn geen nieuwe functie heeft gevonden, wordt de arbeidsovereenkomst beëindigd. Daarbij wordt een vergoeding aangeboden ter grootte van 75% van de zogenoemde ‘stimuleringspremie’. De stimuleringspremie kan echter op grond van de hierna onder (vi) te noemen aftoppingsregeling lager uitvallen of nihil bedragen.
(v) Op grond hoofdstuk IV, paragrafen 4 en 6, van het sociaal plan kan de werknemer als alternatief voor gebruikmaking van de diensten van de Mobiliteitsorganisatie kiezen voor een vrijwillig vertrek bij ABN AMRO, onder uitkering van een 100%-stimuleringspremie en een aantal bruto-maandsalarissen.
(vi) Voor de berekening van de stimuleringspremie wordt uitgegaan van een bruto maandsalaris per gewerkt dienstjaar, waarbij voor de berekening van het aantal dienstjaren wordt aangesloten bij de oude (dat wil zeggen: de tot 1 januari 2009 geldende) kantonrechtersformule. In hoofdstuk IV, paragraaf 5, van het sociaal plan is bepaald dat de stimuleringsregeling kan worden afgetopt. Deze aftoppingsregeling luidt als volgt:
“De bruto stimuleringspremie zal voor medewerkers van ABN AMRO niet hoger zijn dan het bruto Salaris (…) tot de datum waarop de Medewerker op grond van de Pensioenregeling 2006 een pensioenuitkering krijgt die gelijk is aan de pensioenuitkering, berekend volgens de Pensioenregeling 2000, die hem zou zijn uitbetaald als hij onder de Pensioenregeling 2000 op 62 jaar met pensioen zou zijn gegaan. (…).”
(vii) De in de aftoppingsregeling genoemde datum wordt aangeduid als ‘de individuele pensioenleeftijd’. Dit is de datum waarop een werknemer op grond van de Pensioenregeling 2006 een pensioenuitkering zou krijgen gelijk aan de uitkering die de werknemer volgens de Pensioenregeling 2000 bij het bereiken van de 62-jarige leeftijd zou hebben ontvangen.
(viii) Na boventallig te zijn verklaard, heeft [verweerder] gekozen voor plaatsing in de Mobiliteitsorganisatie van ABN AMRO. Hij is niet erin geslaagd binnen de plaatsingstermijn van twaalf maanden een andere functie te vinden. Zijn arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 september 2016 opgezegd. Omdat [verweerder] de individuele pensioenleeftijd vóór 1 september 2016 had bereikt, heeft hij geen stimuleringspremie ontvangen omdat zij op grond van de aftoppingsregeling berekend werd op nihil.
(ix) [verweerder] heeft met ingang van 1 september 2016 aanspraak gemaakt op een vroegpensioenuitkering van € 5.132,-- bruto per maand. Als gevolg daarvan heeft hij tussen 1 september 2016 en het bereiken van zijn AOW-gerechtigde leeftijd op 19 november 2017 geen pensioen meer opgebouwd. Hij ontvangt daardoor een lager ouderdomspensioen dan als hij geen aanspraak had gemaakt op de vroegpensioenuitkering.
2.3.1
In deze procedure verzoekt [verweerder] – voor zover in cassatie nog van belang – ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan hem van een ontslagvergoeding van € 230.775,-- bruto, zijnde 75% van de stimuleringspremie. Aan dit verzoek heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat de aftoppingsregeling in hoofdstuk IV, paragraaf 5 van het sociaal plan krachtens art. 13 WGBLA nietig is wegens verboden leeftijdsdiscriminatie.
2.3.2
De kantonrechter heeft in de eindbeschikking het verzoek van [verweerder] tot een bedrag van € 90.621,51 toegewezen. Daartoe heeft de kantonrechter in de tussenbeschikking1 geoordeeld dat de aftoppingsregeling van het sociaal plan in strijd is met de WGBLA en derhalve als nietig buiten toepassing moet blijven. [verweerder] heeft als gevolg hiervan in beginsel aanspraak op de door hem verzochte 75% van de stimuleringspremie. (rov. 27) [verweerder] kan echter geen aanspraak maken op de stimuleringspremie voor zover zij meer bedraagt dan zijn volledige inkomensderving tot aan zijn AOW-gerechtigde leeftijd, vermeerderd met de pensioenschade die hij lijdt als gevolg van het missen van de verdere opbouw tot die leeftijd. (rov. 29)
2.3.3
Het hof heeft de beschikkingen van de kantonrechter bekrachtigd.2 Het heeft – samengevat – geoordeeld dat de aftoppingsregeling direct onderscheid naar leeftijd maakt. (rov. 3.5) Het heeft vervolgens geoordeeld dat het maken van dit onderscheid is verboden omdat de aftoppingsregeling niet een passend en noodzakelijk middel is om het door ABN AMRO geformuleerde doel, het bewerkstelligen van een eerlijke verdeling van de beschikbare middelen onder alle bij het ontslag betrokkenen, te bereiken. (rov. 3.10 en 3.11) Het hof heeft daartoe overwogen:
“3.10 (…) Door de aftoppingsregeling worden oudere werknemers die een lang dienstverband hebben zonder aanwijsbare noodzaak onevenredig hard getroffen. Zij krijgen als zij ten tijde van hun ontslag hun individuele pensioenleeftijd hebben bereikt (hetgeen zij tussen hun 62-jarige en 63-jarige leeftijd doen) of die leeftijd kort na hun ontslag bereiken geen of een relatief lage stimuleringspremie, terwijl zij gezien hun leeftijd slechte kansen op de arbeidsmarkt hebben en als zij niet waren ontslagen nog enkele jaren hadden kunnen werken. Zij missen, indien zij geen ander werk vinden, in die jaren in ieder geval dertig procent van hun inkomen, terwijl ook hun pensioen niet verder wordt opgebouwd. Anders dan ABN AMRO stelt, hebben de werknemers, van wie de stimuleringspremie wordt afgetopt, dus wel degelijk nadeel van de regeling. Het effect van de aftoppingsregeling is bovendien dat de door ABN AMRO genoemde beloning voor trouwe dienst in de regeling van het sociaal plan illusoir wordt. In theorie heeft de desbetreffende werknemer wel recht op een hoge stimuleringsregeling maar in de praktijk ontvangt deze niets of een veel lager bedrag omdat er wordt afgetopt. Ook toen de Pensioenregeling 2000 en de Pensioenregeling 2006 een vroegere pensioendatum kenden dan de AOW-leeftijd, was daarvoor een objectieve rechtvaardigingsgrond nodig. Niet gebleken is dat de criteria daarvoor destijds anders waren dan nu. De omstandigheid dat ABN AMRO in het verleden maatregelen heeft genomen om haar werknemers niet de dupe te laten worden van de verhoging van de pensioenleeftijd door extra geld in de “pensioenpot” te storten, maakt het voorstaande niet anders. Die extra pensioenstorting ten behoeve van alle werknemers rechtvaardigt niet het aftoppen van de stimuleringspremie van de enkele werknemers, die wegens een reorganisatie worden ontslagen en die hun individuele pensioengerechtigde leeftijd al (bijna) hebben bereikt. Het feit dat de onderhavige regeling in overleg met de representatieve vakbonden tot stand gekomen is, betekent voorts niet dat het de rechter niet vrij zou staan de noodzakelijkheid en passendheid van de regeling te toetsen, zoals ABN AMRO nog heeft gesuggereerd. Een afvloeiingsregeling waarbij een aantal bij een ontslag betrokken oudere werknemers, die hun feitelijke pensioenleeftijd nog niet hebben bereikt, bij toepassing van die regeling in feite niets krijgt terwijl jongere werknemers met een korter dienstverband die bij hetzelfde ontslag betrokken zijn, wel aanspraak kunnen maken op een vergoeding, is niet passend.”