In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 12 februari 2020 heeft de officier van justitie verzocht ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen, aansluitend op een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel als bedoeld in art. 7:11 Wvggz.
(ii) In het verzoekschrift verzoekt de officier van justitie, onder verwijzing naar het zorgplan en de medische verklaring, om een zorgmachtiging te verlenen voor de volgende vormen van verplichte zorg, elk voor de duur van 180 dagen:
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;
- controleren op de aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen;
- insluiten;
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedragsbeïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- opnemen in een accommodatie;
- toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- uitoefenen van toezicht op betrokkene.
(iii) In het zorgplan is op de vraag “Hoe bewaken de zorgaanbieder en de geneesheer-directeur de kwaliteit van de verplichte zorg (ambulant danwel in een instelling) en hoe houden zij toezicht op de uitvoering van de ambulante verplichte zorg?” onder meer het volgende geantwoord:
“Zodra accommodatie niet meer noodzakelijk is, zal betrokkene verder in zorg zijn bij een ambulant team, vermoedelijk een FACT team van Yulius. Zij zullen gedurende het verblijf in accommodatie betrokken worden en er zal maandelijks een zorgafstemmingsgesprek zijn tot dat het verblijf in de accommodatie niet meer noodzakelijk is.
Zodra betrokkene ambulant in zorg is, zal betrokkene wekelijks afspraken krijgen waarbij er aan het zorgplan en behandelplan gewerkt zal worden. Indien de situatie ambulant verslechtert en er opnieuw sprake zal zijn van ernstig nadeel kan er besloten worden opnieuw in te zetten in een verplichte opname in een accommodatie.”
2.3.1
Bij mondelinge beschikking van 17 februari 2020 heeft de rechtbank een zorgmachtiging voor betrokkene verleend voor de duur van zes maanden. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is onder meer het volgende vermeld:
“De verpleegkundig specialist verklaart als volgt. De behoefte van betrokkene om cannabis te gebruiken is afgenomen. Daardoor worden de psychotische symptomen ook minder. Ik ben het met hem eens. Het depot kan worden voortgezet in de thuissituatie. Zo stabiel als hij nu is, heb ik hem nog nooit gezien. U vraagt mij of het verzoek kan worden afgewezen. Gebaseerd op de afgelopen jaren heb ik niet het vertrouwen dat hij het depot blijft accepteren. Zolang hij de medicatie neemt hoeft hij niet opgenomen te worden. Zonder machtiging neemt hij waarschijnlijk zijn medicatie niet in. Ik vraag u daarom alleen medicatiegebruik als vorm van verplichte zorg toe te wijzen. Er is nu geen reden hem hier te houden.
Ik zou graag zien dat hij kan worden opgenomen als hij zijn medicatie niet langer gebruikt, in de vorm van een soort voorwaardelijke machtiging.
De advocaat verklaart als volgt. (…) Ik weet niet of de wet de mogelijkheid van een voorwaardelijke machtiging biedt. Ik vraag u om dat af te wijzen. Als dat al kan, vraag ik u om die in duur te beperken.
R[echter]: Ik zal het verzoek toewijzen voor de duur van zes maanden. Op dit moment is opname niet nodig, maar als u de medicatie weigert en daardoor het ziektebeeld verergert vind ik wel dat u opgenomen moet kunnen worden.”
2.3.2
De rechtbank heeft in de schriftelijke uitwerking van de beschikking, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“2.1.4. Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op een ernstig verstoorde ontwikkeling voor betrokkene. Betrokkene is aanvankelijk opgenomen met een ernstig psychotisch toestandsbeeld, daarnaast was betrokkene afhankelijk van het gebruik van cannabis. Door het inzetten van medicatie en doordat betrokkene geen cannabis gebruikt gaat het nu goed met hem. Betrokkene accepteert behandeling en kan, door middel van depot-medicatie, de behandeling voortzetten in de thuissituatie. De verpleegkundig specialist verklaart echter dat, gelet op de voorgaande jaren, er niet voldoende vertrouwen is dat betrokkene zijn medicatie blijft nemen. Bij het weigeren van medicatie en daarnaast het gebruik van cannabis kan betrokkene zichzelf ernstige psychische schade toebrengen. Het is noodzakelijk dat betrokkene weer wordt opgenomen voordat die ernstige psychische schade optreedt.