HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/02676
Datum 9 oktober 2020
[de Stichting], in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater] (deze laatste hierna: [erflater]),
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: de erven van [erflater],
advocaten: D.M. de Knijff en M.S. van der Keur,
1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
hierna: [verweerder 1],
2. [verweerster 2],
wonende te [woonplaats],
hierna: [verweerster 2],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaten: J.W.H. van Wijk en aanvankelijk ook M.E.M.G. Peletier.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
-
de vonnissen in de zaak C/19/107180/HA ZA 14-219 van de rechtbank Noord-Nederland van 7 januari 2015 en 10 juni 2015;
-
de arresten in de zaak 200.172.713 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 september 2017, 4 september 2018 en 5 maart 2019.
De erven van [erflater] hebben tegen de arresten van 4 september 2018 en 5 maart 2019 van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster 2] en [verweerder 1] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de bestreden arresten en tot verwijzing.
De advocaten van de erven van [erflater] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) In oktober 2008 is overleden de moeder van [erflater], [verweerster 2] en [verweerder 1] (hierna: erflaatster). Zij is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met wijlen de vader.
(ii) Erflaatster heeft in februari 2003 bij openbaar testament voor het laatst over haar nalatenschap beschikt. Erflaatster heeft [verweerster 2] en [verweerder 1], ieder voor de helft, tot erfgenamen van haar nalatenschap benoemd onder bezwaar van een legaat aan [erflater] van ‘een bedrag in contanten ter grootte van zijn legitieme portie’.
(iii) In of omstreeks november 2007 heeft erflaatster een bedrag van € 3.126.532,-- ingebracht in een in [plaats], Liechtenstein zetelende stichting. Erflaatster had die stichting naar het recht van Liechtenstein omstreeks 1994 doen oprichten (hierna: de Stiftung). De begunstigden van de Stiftung zijn erflaatster (‘Erstbegünstigung’) en na haar overlijden [erflater] en [verweerder 1], ieder voor de helft (‘Nachbegünstigungen’).
(iv) In mei 2017, tijdens het hoger beroep in deze procedure, is [erflater] overleden. De erven van [erflater] hebben de procedure voortgezet.
2.2
Voor zover in cassatie van belang, heeft [erflater] in conventie gevorderd dat wordt vastgesteld dat de legitimaire massa van de nalatenschap van erflaatster op de voet van art. 4:65 BW wordt vermeerderd met een bedrag van € 3.126.532,-- op de grond dat erflaatster dit bedrag aan de Stiftung heeft geschonken, en dat zijn vordering op die nalatenschap wegens zijn legitieme portie dientengevolge met een bedrag van € 521.088,67 toeneemt. In reconventie hebben [verweerster 2] en [verweerder 1] gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de legitieme portie van [erflater] in de nalatenschap van erflaatster nihil bedraagt.
2.3
De rechtbank heeft de vorderingen over en weer afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen (i) dat de betaling van erflaatster aan de Stiftung niet kan worden aangemerkt als een in aanmerking te nemen schenking, en (ii) dat op basis van de stellingen van partijen onvoldoende is vast komen te staan dat [erflater] van erflaatster via de Stiftung een zodanig groot bedrag heeft ontvangen dat zijn legitieme portie op nihil zou moeten worden gesteld.
2.4
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en voor recht verklaard dat [verweerster 2] en [verweerder 1] niet tot betaling van enig bedrag uit hoofde van het door erflaatster bij haar uiterste wil ten behoeve van [erflater] gemaakte geldlegaat zijn gehouden. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
Tussenarrest
1
Over de vraag of de waarde van de nalatenschap en daarmee de legitieme portie van [erflater] moeten worden vermeerderd in verband met het door erflaatster in de Stiftung ingebrachte bedrag, overweegt het hof het volgende. Art. 2:285 BW bepaalt dat het doel van een stichting niet mag inhouden het doen van uitkeringen aan de oprichters en dat in het Nederlandse recht een wettelijke regeling ontbreekt voor het onderhavige geval, waarin erflaatster een bedrag in een Stiftung heeft ondergebracht maar zelf de exclusieve begunstigde is (en na haar overlijden [erflater] en [verweerder 1]). Bij de berekening van de waarde van de nalatenschap en de legitieme portie van [erflater], behoeft de wettelijke regeling van de legitieme portie in zodanige mate aanpassing aan het buitenlandse element van het te beoordelen geval dat de ratio en de opzet ervan tot hun recht komen. (rov. 2.8-2.10) [erflater] stelt zich op het standpunt dat de inbreng van € 3.126.532,-- bij de berekening van zijn legitieme portie moet worden aangemerkt als schenking, (rov. 2.11-2.12) maar hij heeft niet met kracht van argumenten inzichtelijk gemaakt waarom er geen onmiddellijk verband zou bestaan tussen het door erflaatster in de Stiftung ingebrachte bedrag en de omstandigheid dat zij aanvankelijk de exclusieve begunstigde van de Stiftung was en na haar overlijden [erflater] en [verweerder 1]. (rov. 2.15) Van een schenking aan de Stiftung is geen sprake. (rov. 2.16-2.18)
Over de vraag of bij de berekening van het geldlegaat ten behoeve van [erflater] en de in dat kader te maken berekening van zijn legitieme portie, de Nachbegünstigungen ten behoeve van [erflater] en [verweerder 1] in aanmerking moeten worden genomen, overweegt het hof het volgende. De som van de waarden van de Nachbegünstigungen ten behoeve van [erflater] en [verweerder 1] naar de sterfdag van de erflater moet bij de waarde van de nalatenschap worden geteld. De Nachbegünstigung ten behoeve van [erflater] is als een in zijn belang gemaakt legaat naar de waarde van de sterfdag van erflaatster te behandelen. De grootte van het bij de uiterste wil van erflaatster gemaakte legaat heeft een beloop van € 0,--, indien [erflater] ten aanzien van zijn legitieme portie niets is tekortgekomen. (rov. 2.23) Alvorens verder te beslissen stelt het hof [verweerster 2] en [verweerder 1] in de gelegenheid een berekening van het beloop van het legaat ten behoeve van [erflater] over te leggen, waarbij met het voorgaande rekening is gehouden. (rov. 2.24)
Eindarrest
2
De waarde van de Nachbegünstigung van [erflater] bepaalt het hof op € 13.290.365,--. De vraag of het volledige bedrag hiervan aan de erven van [erflater] zal worden uitgekeerd, is in dit geding niet aan de orde. (rov. 2.3) Het hof berekent de legitimaire massa op het saldo van de nalatenschap plus de som van de waarden van beide Nachbegünstigungen ten belope van € 26.580.730,--. De legitieme portie van [erflater] heeft derhalve een beloop van € 4.788.618,12. (rov. 2.8-2.9) Omdat [erflater] een aanspraak uit hoofde van de Nachbegünstigung van € 13.290.365,-- heeft verkregen, is hij ten aanzien van zijn legitieme portie niets tekortgekomen. (rov. 2.10)
3 Beoordeling van het middel
3.1.1
Onderdeel 1 klaagt onder meer en vanuit verschillende invalshoeken dat het oordeel van het hof (in rov. 2.15-2.18 van het tussenarrest) dat geen sprake is van een schenking van erflaatster aan de Stiftung, onvoldoende met redenen is omkleed en geen inzicht geeft in de gedachtegang van het hof.
3.1.2
Het hof heeft in rov. 2.15 en 2.16 van het tussenarrest geoordeeld dat [erflater] niet kan worden gevolgd in zijn redenering dat sprake is van een schenking aan de Stiftung. Het hof is tot dit oordeel gekomen omdat [erflater] niet met kracht van argumenten inzichtelijk heeft gemaakt waarom geen onmiddellijk verband zou bestaan tussen het door erflaatster in de Stiftung ingebrachte bedrag en de omstandigheid dat zij aanvankelijk de exclusieve begunstigde van de Stiftung was en [erflater] en [verweerder 1] de exclusieve begunstigden na haar overlijden (rov. 2.15 van het tussenarrest). Met dit oordeel heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Zo is niet duidelijk of het hof tot zijn oordeel is gekomen op grond van de in eerste aanleg bepleite vereenzelviging van erflaatster en de Stiftung, waarop de rechtbank haar oordeel kennelijk heeft gebaseerd. Ook is onduidelijk wat het hof heeft bedoeld met de passage dat een onmiddellijk verband bestaat tussen het door erflaatster in de Stiftung ingebrachte bedrag en de omstandigheid dat erflaatster de Erstbegünstigte van de Stiftung was en na haar overlijden, [erflater] en [verweerder 1] de Nachbegünstigten.
De hiervoor in 3.1.1 bedoelde klachten slagen dan ook.
3.2.1
Onderdeel 3.1 klaagt dat het oordeel van het hof, blijkend uit rov. 2.23 van het tussenarrest en rov. 2.3 en 2.8-2.10 van het eindarrest, dat in het kader van de berekening van de legitimaire massa de Nachbegünstigungen in aanmerking moeten worden genomen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Naar het recht van Liechtenstein is een Stiftung immers een zelfstandige rechtspersoon met een eigen vermogen dat is afgescheiden van het vermogen van erflaatster.
3.2.2
Het hof heeft voor het bepalen van de omvang van de legitieme portie, de Nachbegünstigungen tot de ‘waarde van de goederen der nalatenschap’ in de zin van art. 4:65 BW gerekend (rov. 2.10 van het tussenarrest). Vast staat dat de Stiftung een zelfstandige rechtspersoon naar het recht van Liechtenstein is met een eigen vermogen dat afgescheiden is van het vermogen van erflaatster. Dat naar het recht van Liechtenstein een Stiftung uitkeringen kan doen aan haar oprichters of aan bepaalde begunstigden, is tegen die achtergrond onvoldoende voor het oordeel dat met die uitkeringsmogelijkheid bij de berekening van de legitimaire massa en legitieme portie krachtens art. 4:65 BW rekening moet worden gehouden. Dat oordeel geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is onvoldoende gemotiveerd, zodat de klacht slaagt.
3.2.3
Onderdeel 3.2 klaagt dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden met het oordeel in rov. 2.23 van het tussenarrest (en de daarop voortbouwende oordelen in rov. 2.3 en 2.8-2.10 van het eindarrest), dat voor de berekening van hetgeen [erflater] ten aanzien van zijn legitieme portie tekortkomt, de Nachbegünstigung te zijnen behoeve als een in zijn belang gemaakt legaat naar de waarde van de sterfdag van erflaatster is te behandelen. [verweerster 2] en [verweerder 1] hebben in hoger beroep immers niet gesteld dat de Nachbegünstigung als een legaat dient te worden behandeld, aldus de klacht.
3.2.4
De klacht faalt. In de stelling van [verweerster 2] en [verweerder 1] dat een parallel moet worden getrokken met art. 4:126 BW en dat bij de Nachbegünstigung in feite sprake is van een quasi-erfrechtelijke begunstiging vergelijkbaar met hetgeen is bepaald in art. 4:126 lid 2, onder b, BW (o.m. memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, nr. 77) ligt mede besloten de stelling dat de Nachbegünstigung als een legaat dient te worden behandeld. Uit die bepaling volgt immers dat sommige begunstigingen voor de toepassing van hetgeen in Boek 4 BW is bepaald over inkorting en vermindering, worden aangemerkt als een legaat ten laste van de gezamenlijke erfgenamen.
3.2.5
Onderdeel 3.3 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 2.23 van het tussenarrest, dat voor de berekening van hetgeen [erflater] ten aanzien van zijn legitieme portie tekortkomt, de Nachbegünstigung te zijnen behoeve als een in zijn belang gemaakt legaat naar de waarde van de sterfdag van erflaatster is te behandelen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende is gemotiveerd. Het onderdeel wijst daartoe op de verschillen tussen de Nachbegünstigung en een legaat, die kort gezegd erop neerkomen dat de Nachbegünstigung niet op een uiterste wilsbeschikking is gegrond, maar op een rechtshandeling van het bestuur van de Stiftung, dat de Nachbegünstigung ziet op vermogen dat erflaatster bij leven aan de Stiftung heeft overgemaakt, dat de Nachbegünstigung geen vorderingsrecht behelst en dat de aanwijziging van Nachbegünstigten niet in notariële vorm is geschied.
3.2.6
Deze klacht slaagt. Op zichzelf is niet uitgesloten dat een begunstiging naar buitenlands recht ten aanzien van een persoon op één lijn moet worden gesteld met een legaat dat in het belang van die persoon is gemaakt. Maar onderdeel 3.3 voert terecht aan dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de aangevoerde verschillen tussen de Nachbegünstigung en een legaat in de zin van art. 4:117 BW.
3.3
De overige klachten van onderdeel 1 en de klachten van de onderdelen 2, 3.4 en 4 behoeven geen behandeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 september 2018 en 5 maart 2019;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt [verweerster 2] en [verweerder 1] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de erven van [erflater] begroot op € 6.911,56 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren M.J. Kroeze, als voorzitter, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.H. Sieburgh op 9 oktober 2020.