Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt, of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (art. 6:101 lid 1 BW). (rov. 2.5)
In deze zaak zou de schade niet zijn opgetreden als het MPA-houdend afval van Wyeth niet naar Bioland zou zijn gezonden. Dit betekent dat de schadelijke gevolgen van de verontreiniging van het diervoer met MPA (mede) dienen te worden toegerekend aan Wyeth, die redelijkerwijs rekening had moeten houden met een onjuiste aanwending van het afval waarvan zij zich ontdeed. Evenmin zou de schade zijn opgetreden als [A] het suikerwater niet – met voorbijgaan aan de toepasselijke regelgeving – van Bioland zou hebben gekocht en het niet zou hebben verwerkt in diervoer. (rov. 2.6)
Het in appel onbestreden uitgangspunt is dat er stringente regelgeving gold ten aanzien van de invoer van stoffen ter verwerking in veevoeders, terwijl er daarnaast een wettelijk verbod was om veevoedermiddelen in het verkeer te brengen of te gebruiken die niet van gebruikelijke handelskwaliteit waren en/of een gevaar opleveren voor de gezondheid van mens, dier of milieu, met daaraan gekoppeld een onderzoeks- en zorgvuldigheidsplicht voor de ondernemer. Om de gevaren van het gebruik van schadelijke stoffen het hoofd te bieden was er de Verordening Erkenningsregeling GMP diervoedersector 2000 van het Productschap Diervoeder. Aan bedrijven die zich committeerden aan de voorschriften van de GMP-code diervoedersector werd een GMP-erkenning verleend. Doel van deze GMP-code was onder meer producten en diensten voort te brengen op een wijze die in hoge mate waarborgt dat leveranciers van deze producten en diensten voldoen aan de eisen in wet- en regelgeving, verband houdende met de veiligheid van mens, dier en milieu. (rov. 2.7)
Uitgangspunt is dat [verweerster] en [C] als leden van de [B-groep], waarvan (ook) [A] deel uitmaakte, met de relevante regelgeving en met inhoud en doel van de GMP-code bekend waren als waren zijzelf producent. Voorts staat vast dat voor hen als gebruikers van veevoeder de door de rechtbank in dit verband in ogenschouw genomen regelgeving gold. Eveneens dient het ervoor te worden gehouden dat zij wisten, althans behoorden te weten, dat Bioland niet GMP-erkend was. Onder meer om die redenen rustte op hen een stringente onderzoeksplicht. (rov. 2.9)
Het intreden van de schade benadrukt het belang van de strikte toepassing en naleving van de diervoederwetgeving. Het niet in acht nemen daarvan moet dan ook zwaar wegen. Daartegenover staat dat Wyeth bedacht had moeten zijn op zekere onervarenheid en nonchalance in (bijvoorbeeld) de betreffende agrarische sector. Een farmaceutisch bedrijf diende te onderkennen dat het zonder waarborgen in het verkeer brengen van suikerwater het risico in zich borg dat dit interessant zou blijken voor bijvoorbeeld varkensvoerproductie, omdat daarbij nu eenmaal gebruik wordt gemaakt van afvalproducten in ruime zin. Dit bewustzijn had Wyeth in het bijzonder moeten hebben met betrekking tot het MPA-houdende suikerwater. Daarbij is van belang dat het Wyeth bekend was dat Bioland het residu van het niet MPA-houdend afval zou leveren aan de diervoederindustrie. Zij kon met deze wetenschap redelijkerwijs niet erop vertrouwen dat uitgesloten was dat – wat ook is gebeurd – het met MPA verontreinigde suikerwater eenzelfde bestemming zou kunnen krijgen. Niettemin moet de schade, om redenen als hiervoor vermeld, voor een aanmerkelijk deel ten laste van [verweerster] blijven. (rov. 2.14)
Wyeth kon het suikerwater met MPA alleen leveren aan Bioland omdat zij de voor haar geldende regels omtrent transport en verwerking van haar afval schond. Wyeth heeft daarmee het aanmerkelijke risico genomen dat er onoordeelkundig met het afval zou worden omgegaan, zoals ook is gebeurd. Dit moet Wyeth worden aangerekend omdat zij als geen ander heeft geweten of moet hebben geweten wat precies de samenstelling was van het afval en welke gevolgen onoordeelkundige aanwending van het afval zou kunnen hebben, althans heeft zij zich dit laatste moeten realiseren. Door zich op deze wijze van de afvalstof te ontdoen heeft Wyeth onrechtmatig gehandeld jegens de gebruikers van de stof die onvoldoende doordrongen zijn geweest van de kwalijke eigenschappen ervan. (rov. 2.15)
Alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder de ernst van de verwijtbaarheid van de fouten/nalatigheden aan weerszijden, is het hof van oordeel dat de (nog nader te onderzoeken) schadecomponenten over partijen moet worden verdeeld in een verhouding waarbij als uitgangspunt Wyeth voor 30% aansprakelijk is en dus 70% van de schade voor eigen rekening van [verweerster] (en [C] ) blijft. (rov. 2.18)