In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 9 januari 2020 heeft de burgemeester ten aanzien van betrokkene een crisismaatregel genomen als bedoeld in art. 7:1 Wvggz. Voorafgaand aan die beslissing is een medische verklaring opgemaakt door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. Betrokkene bevond zich toen in het politiebureau te Weert.
(ii) In rubriek 3.b van de medische verklaring is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“[Betrokkene] heeft zich vandaag meerdere malen gemeld op het politiebureau omdat zij aangifte wilde doen van inbraak in haar huis. Er zouden mensen zijn die spullen bij haar weg hadden genomen. Wanneer er een afspraak gemaakt wordt om haar aangifte op te nemen, loopt ze vervolgens weer weg. Wanneer de politie aangeeft haar te willen helpen, met haar te praten en dat het goed zou zijn wanneer er een hulpverlener voor haar langskomt, laait ze op. Ze begint dan te schreeuwen, wordt verbaal agressief en spuugt. De politie heeft haar vanwege haar agressieve houding naar de grond moeten halen. Ten tijde van de beoordeling zat ze met een spuugkap en handboeien in de ophoudkamer op het politiebureau.
Pt [lees: patiënte] via skype gesproken, zit met een antispuugmasker in de politiecel, waar ze zich de laatste weken constant aanbiedt. Pte geeft aan paranoïde te zijn, zegt zich onheus behandeld te voelen door de politie. Vandaag meerdere keren op politiebureau, wil aangifte van diefstal doen, duidelijk verward, gaat door het lint op politiebureau, moet dan door meerdere mensen in bedwang worden gehouden. Heeft een trap naar collega uitgedeeld. Ziektebesef en -inzicht is nihil. Ze vindt dat er geen hulp nodig is en geeft aan dat ze fysiek veel klachten heeft maar dat ze mentaal heel sterk is geworden.”
De diagnose in rubriek 3.d luidt: “Psychose, paranoied, mogelijk drugs gerelateerd”.