In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) In 2010 hebben verscheidene samenhangende transacties plaatsgevonden tussen [verweerster], [A] B.V. (hierna: [A] ) en de Liberiaanse vennootschap [B] Inc. (hierna: [B]).
(ii) [verweerster] heeft in 2010 het merendeel van haar aandelen in [A] voor € 500.000,-- verkocht aan [B]. De afspraken die over de betaling van de koopsom zijn gemaakt, kwamen erop neer dat [B] deze niet aan [verweerster] zou voldoen, maar zou betalen aan [A] en dat met die betaling voor hetzelfde bedrag een vordering uit geldlening van [verweerster] op [A] zou ontstaan. [B] heeft deze betaling echter nooit verricht.
(iii) Bij het geschil dat hieruit is voortgevloeid, speelt [betrokkene 1], de aandeelhouder en statutair bestuurder van [B], een centrale rol. Hij is op 20 mei 2010, tegelijk met de aandelenoverdracht aan [B], benoemd tot enig statutair bestuurder van [A] .
(iv) [betrokkene 1] heeft op 15 juni 2010, in zijn hoedanigheid van statutair bestuurder van [A] , opzettelijk in strijd met de waarheid aan [verweerster] bevestigd dat [B] namens [verweerster] € 500.000,-- aan [A] heeft betaald (de lening).
(v) Na het faillissement van [A] heeft de curator in rechte gevorderd dat [verweerster] zou worden veroordeeld tot betaling van de schuld uit rekening-courant. [verweerster] heeft zich tegen die vordering verweerd met een beroep op verrekening van haar vordering tot terugbetaling van de lening met die rekening-courantschuld. Deze procedure wordt hierna aangeduid als de bodemprocedure.
(vi) De rechtbank heeft de vordering van de curator toegewezen en [verweerster] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 547.386,--. Het beroep op verrekening van [verweerster] is verworpen.
(vii) Ter uitvoering van deze veroordeling heeft [verweerster] op 27 december 2013 een bedrag van € 591.063,-- aan de curator betaald.
(viii) Het gerechtshof heeft bij arrest van 24 oktober 2017 (hierna: het eindarrest in de bodemprocedure) het beroep van [verweerster] op verrekening alsnog gehonoreerd en het vonnis van de rechtbank in de bodemprocedure vernietigd.1 [verweerster] is veroordeeld tot betaling van een restantschuld – na verrekening – van € 16.509,29 met wettelijke rente. De curator is veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties ten belope van € 40.804,52. Beide veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
(ix) De curator heeft cassatieberoep tegen dit arrest ingesteld.
(x) De Hoge Raad heeft het tussenarrest en het eindarrest in de bodemprocedure vernietigd en het geding verwezen ter verdere behandeling en beslissing.2
2.3.1
In dit kort geding, dat is aangespannen kort nadat de curator het hiervoor in 2.2 onder (ix) bedoelde cassatieberoep had ingesteld, vordert [verweerster] de curator te veroordelen tot terugbetaling aan [verweerster] van € 591.063,--, vermeerderd met wettelijke rente, en verminderd met een bedrag van € 17.234,54 (de hiervoor in 2.2 onder (viii) bedoelde restantschuld van [verweerster] met rente). De curator vordert in reconventie, voor zover in cassatie van belang, [verweerster] te verbieden de door het hof in het eindarrest in de bodemprocedure ten laste van de curator uitgesproken proceskostenveroordeling ten uitvoer te leggen tot de datum waarop de slotuitdeling in het faillissement van [A] plaatsvindt.
2.3.3
Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en, voor zover in cassatie van belang, in conventie de curator veroordeeld om aan [verweerster] een bedrag van € 591.063,-- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 december 2013, en te verminderen met een bedrag van € 17.234,54. Het hof heeft de reconventionele vordering van de curator afgewezen.3
2.3.4
Met betrekking tot de afstemming van zijn oordeel in dit kort geding op het oordeel in de bodemprocedure heeft het hof als volgt overwogen:
“4.3 Anders dan [verweerster] heeft aangevoerd, ontneemt het feit dat het hof in de bodemzaak al een uitspraak ten gronde heeft gewezen aan dit kort geding niet het karakter van voorlopige voorziening. De zogenaamde afstemmingsregel brengt echter wel mee dat aan het spoedeisende belang geen hoge eisen kunnen worden gesteld indien de vordering – zoals in dit geval – voortvloeit uit een door de bodemrechter in hoger beroep gegeven beslissing.
Gegeven die beslissing moet worden aangenomen dat het hof in de bodemzaak een vordering tot terugbetaling zou hebben gehonoreerd indien die zou zijn ingesteld. In zoverre dient dit kort geding tot herstel van een omissie. Aan de zijde van de curator zijn geen omstandigheden aangevoerd die eraan in de weg staan dat een dergelijk herstel in dit kort geding kan plaatsvinden; er is geen sprake van een dreigend boedeltekort, en van een voldoende relevant restitutierisico is niet gebleken. Voor zover is aangevoerd dat sprake is van een kennelijke misslag bij de in de bodemzaak gegeven beslissing (en dat die eraan in de weg staat dat de vordering in dit geding aannemelijk kan worden geacht), verwijst het hof naar hetgeen in dat verband hierna wordt overwogen.”
2.3.5
Met betrekking tot de vordering van de curator om [verweerster] te verbieden over te gaan tot tenuitvoerlegging van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde proceskostenveroordeling in het eindarrest in de bodemprocedure, heeft het hof als volgt overwogen:
“4.6 Bij de hier te maken beoordeling staat voorop dat een executiegeschil zoals dit geen verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen het oordeel van de rechter in de hoofdzaak. Schorsing van de executie in kort geding op grond van artikel 438 Rv is alleen mogelijk als sprake is van misbruik van (executie)recht als bedoeld in artikel 3:13 BW. Dat kan aan de orde zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien door feiten die na het vonnis zijn voorgevallen of aan het licht zijn gekomen klaarblijkelijk een noodtoestand voor de geëxecuteerde ontstaat, waardoor onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is (HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575).