In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Twee besloten vennootschappen (hierna: de vennootschappen) zijn in 2018 in staat van faillissement verklaard.
(ii) Bij beschikking van 15 augustus 2018 heeft de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) bevolen dat de bestuurder van de vennootschappen (hierna: de bestuurder) in verzekerde bewaring zal worden gesteld. Op grond van dit bevel is de bestuurder op 15 augustus 2018 in verzekerde bewaring gesteld.
(iii) In een reeks beschikkingen heeft de rechtbank de in verzekerde bewaringstelling (hierna: inbewaringstelling) telkens verlengd.
(iv) De bestuurder heeft achtereenvolgens hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van de rechtbank van 10 december 2018, 12 maart 2019 en 4 juni 2019 tot verlenging van de inbewaringstelling. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) heeft de bestreden beschikkingen steeds bekrachtigd.
(v) Bij beschikking van 10 juli 2019 heeft de rechtbank de inbewaringstelling verlengd tot en met 11 augustus 2019.
(vi) De bestuurder heeft hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor onder (v) genoemde beschikking. Daarbij heeft hij verzocht de inbewaringstelling te beëindigen dan wel te schorsen.
(vii) Bij beschikking van 26 juli 20191 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd, bepaald dat de inbewaringstelling zal voortduren tot en met 11 augustus 2019, en bevolen dat de inbewaringstelling onder in de beschikking omschreven voorwaarden wordt geschorst. Ook heeft het hof bepaald dat de curator en/of de bestuurder zich uiterlijk 25 oktober 2019 tot de rechter-commissaris zal wenden over (de noodzaak van de verschillende) voorwaarden van de schorsing dan wel de opheffing daarvan.