De voorzieningenrechter heeft de vordering toegewezen.3 Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de vordering alsnog afgewezen.4 Daartoe heeft het onder meer het volgende overwogen.
Wanneer de Engelse autoriteiten een ‘copy of the judgment’ als bedoeld in art. 6 lid 2, onder a, VOGP moeten afgeven, kan dat niet gebeuren in de vorm van een schriftelijk vonnis van de rechter(s), zoals Nederland dat kent. Uit de door Engelse autoriteiten gegeven inlichtingen volgt dat doorgaans een Order of Imprisonment wordt afgegeven. In die Order is de opgelegde straf vermeld zonder de beraadslagingen of overwegingen die tot dat vonnis hebben geleid. In de onderhavige zaak hebben de Engelse autoriteiten bij hun verzoek te kennen gegeven dat een dergelijke Order in deze zaak niet (of niet meer) bestaat, maar dat de Crown Court in plaats daarvan een Certificate of Conviction heeft uitgegeven. Dit Certificate is overgelegd bij het verzoek en vermeldt jegens wie, door welk gerecht, wanneer en welke straf is opgelegd en waarvoor. Het Certificate of Conviction is afgegeven door (de griffier van) het gerecht waar eiser is berecht en is door de griffier ondertekend. Niets wijst erop dat dit stuk onbevoegd opgemaakt of vals is. Het document strookt met het door een Engelse rechter afgegeven Europees Aanhoudingsbevel, waarin die rechter heeft bevestigd dat het in het Certificate genoemde vonnis is gewezen: “The court sentenced [eiser] to 2 years imprisonment for the offence of theft”. De diverse bij het verzoek gevoegde stukken vormen (in elk geval: tezamen) in Engeland kennelijk de beslissing van de rechterlijke instantie waarbij de veroordeling is uitgesproken, ‘the judgment’ als bedoeld in art. 6 lid 2, onder a, VOGP. (rov. 22)
Eiser heeft niets aangevoerd dat aan de juistheid van de inhoud van de bijgevoegde stukken doet twijfelen. Hij heeft niet betwist dat hij in 2003 strafrechtelijk is vervolgd in Engeland, dat de jury hem, in zijn aanwezigheid, ‘guilty’ heeft geoordeeld en dat de Engelse rechter hem de straf heeft opgelegd. (rov. 24)
De Staat heeft de bij het verzoek gevoegde stukken dan ook voldoende mogen achten (rov. 25).
Met betrekking tot het argument van eiser dat hij niet is ‘gevlucht’ in de zin van art. 2 lid 1 Aanvullend Protocol VOGP geldt dat hij op de hoogte was van de tegen hem lopende strafrechtelijke procedure en dat hij wist dat hij gedurende de sentencing hearing grote kans liep om te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf. De Staat mocht bij de beoordeling van het verzoek ervan uitgaan dat eiser, als verdachte, tijdens zijn strafproces naar Nederland is gegaan teneinde zich te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van het te wijzen strafvonnis. Uit de documenten volgt immers dat hij op 14 november 2003 opzettelijk niet is verschenen, terwijl hem verschijning was aangezegd (en hij op de hoogte was van het feit dat hij schuldig was bevonden). Op grond hiervan mocht de Staat ervan uitgaan dat eiser zich aan de tenuitvoerlegging van de straf in Engeland heeft onttrokken door, vóór de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van de op te leggen straf, naar Nederland te vluchten.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat volgens art. 2 lid 3 Aanvullend Protocol VOGP de instemming van de gevonniste persoon niet is vereist voor de overdracht van de veroordeling als iemand “tijdens zijn strafproces naar de aangezochte staat is gevlucht teneinde zich te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van het te wijzen vonnis” (HR 20 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7927). Ook in het advies van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is overwogen dat sprake is van ‘vluchten’ door eiser in de zin van het Aanvullend Protocol VOGP. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat hij niet opzettelijk naar Nederland is gegaan, wetende dat op 14 november 2003 zijn straf kon worden uitgesproken. De Staat mocht hem daarom aanmerken als iemand die zich aan de tenuitvoerlegging van de veroordeling trachtte te onttrekken door te vluchten naar Nederland. (rov. 38)