Het hof heeft – met uitzondering van het oordeel van de rechtbank waarbij Zimmer Inc. is aangemerkt als producent in de zin van art. 6:187 lid 2 BW – de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank om op de hoofdzaak verder te beslissen. Hiertoe heeft het hof, samengevat, het volgende overwogen.
De vier onderdelen van de heupprothese zijn op verschillende data geproduceerd en geïmporteerd. De operatiedatum kan niet als datum gelden waarop de onderdelen/de producten in het verkeer zijn gebracht. Het ziekenhuis is in de onderhavige zaak geen producent (of importeur of leverancier) in de zin van art. 6:187 leden 2 en 3 BW. De vervaltermijn van art. 6:191 lid 2 BW gaat derhalve niet pas lopen vanaf de operatiedatum. De aanvang van de vervaltermijn is immers uitdrukkelijk gekoppeld aan het moment van het in het verkeer brengen van het product door de producent. (rov. 4.13)
Voor de bepaling van de vervaltermijn(en) wordt in beginsel uitgegaan van de ontvangstdatum van de onderdelen bij de importeur, nu dat steeds het moment is waarop de vier onderdelen het productieproces van producent Zimmer GmbH hebben verlaten en waarop deze onderdelen zijn opgenomen in het verkoopproces, in een vorm waarin deze aan het publiek worden aangeboden voor gebruik. (rov. 4.14)
De eerste datum van ontvangst van de kop bij de importeur is 11 februari 2004 en de laatste datum van ontvangst van het adapterhuis is op 18 augustus 2004. Er zit dus een termijn van zes maanden tussen de ontvangstdata van alle vier de onderdelen. De kernvraag is of door het verstrijken van de eerste vervaltermijn (op 12 februari 2014) van één onderdeel, ook de vervaltermijnen van de andere drie onderdelen zijn voltooid (‘volgelopen’). (rov. 4.15)
De redenering dat voor iedere producent van een onderdeel van een in het verkeer gebracht eindproduct een ‘eigen’ vervaltermijn geldt, zou met betrekking tot de vervaltermijnen van de onderdelen van een eindproduct – ook als deze onderdelen afkomstig zijn van een en dezelfde producent, zoals in de onderhavige zaak – betekenen dat alleen de vervaltermijn van de kop is voltooid en niet ook de vervaltermijn van de andere drie onderdelen, in het bijzonder de kom. Nu echter niet gesteld of gebleken is dat één van de (losse) onderdelen gebrekkig is, maar de gestelde gebrekkigheid van de heupprothese (als eindproduct) wordt veroorzaakt door de wrijving van de metalen onderdelen van de kop en de kom tegen elkaar, levert deze redenering een in de praktijk niet werkbaar en daarmee ongewenst resultaat op. Dat is daarin gelegen dat deze specifieke situatie (als de vervaltermijnen van de verschillende onderdelen uiteenlopen door verschillende data van ‘in het verkeer brengen’ door de producent) dan niet voorgelegd kan worden aan de rechter, omdat van één van de onderdelen (de kop) de vervaltermijn is verstreken. Dit is onwenselijk juist omdat de werking van de kop en de kom tezamen tot het gestelde gebrek leidt, ook in het geval de kop en/of de kom afzonderlijk niet als gebrekkig kunnen worden aangemerkt. (rov. 4.16)
De heupprothese is een product als bedoeld in art. 6:187 lid 1 BW en kan worden aangemerkt als een eindproduct nu de losse onderdelen – de roerende zaken – functioneel zijn samengevoegd. (rov. 4.17)
Het gaat in deze zaak om een eindproduct dat uit meer onderdelen bestaat die op verschillende tijdstippen in het verkeer zijn gebracht door één en dezelfde producent. De gestelde gebrekkigheid wordt veroorzaakt door een combinatie van twee van die onderdelen (de kop en de kom). De vervaltermijn van het eindproduct gaat daarom in dit geval lopen bij het in het verkeer brengen van de kom (7 augustus 2004, de datum van ontvangst van de kom bij de importeur). (rov. 4.19)
Dat betekent in deze zaak dat met de inleidende dagvaarding van 19 mei 2014 de vervaltermijn van de heupprothese nog niet was voltooid. (rov. 4.20)