Het hof heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en dat op de vorderingen Nederlands recht van toepassing is, en heeft hierbij verwezen naar het (hiervoor in 2.4 weergegeven) oordeel van de rechtbank hierover. (rov. 3.1)
Over het verjaringsverweer van ASR overweegt het hof als volgt. [eiser] heeft al in 2011 de feiten en omstandigheden rondom zijn dwaling ontdekt. Dit betekent dat hij uiterlijk in 2014 op grond van art. 3:52 lid 1, onder c, BW in verbinding met art. 3:317 lid 2 BW schriftelijk had moeten aanmanen dat hij op grond van dwaling de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wilde inroepen en – afhankelijk van het precieze moment van ontdekking – in elk geval uiterlijk in juli 2015 die aanmaning had moeten laten volgen door een daad van rechtsvervolging als bedoeld in art. 3:316 BW. Vast staat dat dit niet is gebeurd. De inleidende dagvaarding van 14 augustus 2015 kan niet als een tijdige daad van rechtsvervolging worden aangemerkt. Het mediationtraject tussen partijen, dat tot maart 2015 liep en de verschillende e-mails aan ASR in maart en april 2015 zijn geen daden van rechtsvervolging. [eiser] kan zich ook niet beroepen op art. 3:316 lid 3 BW, nu de mediation is beëindigd zonder dat van enig bindend advies sprake is geweest. [eiser] kan evenmin worden gevolgd in zijn stelling dat ASR met het beproeven van het bereiken van een oplossing via mediation op grond van art. 3:322 lid 2 BW afstand heeft gedaan van het recht om een beroep te doen op verjaring. Niet valt in te zien hoe het starten van mediation moet worden opgevat als een afstandsverklaring als bedoeld in die bepaling. De slotsom is dat de vordering tot vernietiging wegens dwaling is verjaard. (rov. 3.6)
Het hof volgt [eiser] niet in zijn betoog dat ASR ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst misbruik heeft gemaakt van omstandigheden. Volgens het hof is onvoldoende gesteld of gebleken dat iemand van ASAM of ASR ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst op de hoogte was gebracht van een financiële noodtoestand aan de zijde van [eiser] . Er zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te komen tot bewijs van enige voor misbruik van omstandigheden vereiste wetenschap van ASR. (rov. 3.7-3.8)
Ten aanzien van de stelling van [eiser] dat een beroep van ASR op verjaring van de vordering tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wegens dwaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, overweegt het hof dat de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot een dergelijk oordeel kunnen leiden. (rov. 3.9-3.10)
Dit brengt het hof tot het oordeel dat de vaststellingsovereenkomst tussen partijen gelding heeft en dat ASR – wegens het derdenbeding in de overeenkomst – in beginsel een beroep kan doen op de in de overeenkomst opgenomen kwijtingsbepalingen. Het hof vervolgt dat niet in geschil is dat twee van de drie onrechtmatige gedragingen die [eiser] aan ASR verwijt, te weten het forceren van de verkoop van de vennootschappen en het frustreren van de betalingen door [F] aan [eiser] , onder de kwijtingsbepaling van art. 2.2 van de vaststellingsovereenkomst vallen. (rov. 3.11-3.12)
Ten aanzien van de derde door [eiser] gestelde onrechtmatige gedraging, de vermeende frustratie door [betrokkene 1] van de overname door [eiser] van [B] , overweegt het hof dat zelfs als deze gedraging buiten de reikwijdte van bedoelde kwijtingsbepaling zou vallen en bovendien zou komen vast te staan dat zij heeft plaatsgevonden en onrechtmatig is, niet valt in te zien waarom ASR aansprakelijk kan worden gehouden voor de gestelde onrechtmatige gedragingen van [betrokkene 1] . Ook heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd waarom het niet accepteren van het bod op de aandelen van [F] schade zou hebben opgeleverd. (rov. 3.13-3.15)
De vervolgens voorliggende vraag of het beroep van ASR op de kwijtingsbepaling uit de vaststellingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, wordt door het hof ontkennend beantwoord. (rov. 3.16-3.18)
Het hof verwerpt de grief van [eiser] dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om de vordering ook tegen ASAM in te stellen door haar op grond van art. 118 Rv alsnog in het geding te betrekken. Daartoe overweegt het hof dat ook als deze grief slaagt, dit niet tot vernietiging van het vonnis kan leiden, zodat [eiser] belang mist bij de behandeling ervan. (rov. 3.19)
Het hof passeert het door [eiser] gedane bewijsaanbod nu [eiser] geen voldoende concrete feiten heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. (rov. 3.20)
In reconventie komt het hof tot de slotsom dat [eiser] het in art. 3.1 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen verbod zes keer heeft overtreden en derhalve op de voet van art. 3.5 van de overeenkomst een bedrag van € 60.000,-- aan contractuele boetes is verschuldigd. Het beroep op matiging van de boete op grond van art. 6:94 BW wordt verworpen. (rov. 3.21-3.35)