In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn in 2001 in Iran met elkaar gehuwd. Ter gelegenheid van het huwelijk hebben partijen naar Iraans recht een huwelijkscontract gesloten waarin een door de man te betalen bruidsgave is opgenomen.
(ii) In september 2015 heeft de vrouw, vooruitlopend op een procedure tot echtscheiding, een verzoekschrift voorlopige voorzieningen ingediend. Kort daarna is de man voor een familiebezoek naar Iran gereisd, waarna hij – in verband met de door de vrouw aldaar opgeëiste en door de man niet betaalde bruidsgave – het land niet meer mocht verlaten, en het voor hem niet mogelijk bleek om terug te reizen naar Nederland.
(iii) In oktober 2015 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend.
(iv) In februari 2016 heeft de man, die toen nog in Iran verbleef, in Nederland een kort geding aanhangig gemaakt. Hij heeft daarin gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld te bewerkstelligen dat zijn gijzeling in Iran zou worden opgeheven. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst).
(v) Bij brief van 29 februari 2016 heeft de man aan de vrouw medegedeeld de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden wegens wanprestatie van haar kant, bestaande uit het niet bewerkstelligen van zijn vrijlating.
(vi) Het huwelijk van partijen is in 2016 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ontbonden.