In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1. Deze komen, samengevat, op het volgende neer.
(i) [de vrouw] en [de man] zijn aandeelhouder van Sublub, die een duikschool exploiteert.
(ii) In 2012 zijn [de vrouw] en [de man] begonnen met de voorbereiding van een samenwerking met een derde (hierna: de compagnon). Deze samenwerking had ten doel in een gezamenlijke onderneming duik- en waterscooteractiviteiten aan te bieden vanaf het strand van [A].
(iii) In juli 2013 is een ‘intentieverklaring’ tot stand gekomen tussen [A] enerzijds en (het toen nog niet opgerichte) Watersports. De intentieverklaring vermeldt onder meer dat Watersports gelegenheid krijgt om op het strand van [A] een opstal (hierna: de opstal) te bouwen ten behoeve van haar bedrijfsactiviteiten en dat voor de opstal een nader omschreven huurprijs is overeengekomen.
(iv) Op 19 juli 2013 is Watersports opgericht. Sublub en de compagnon zijn ieder voor de helft aandeelhouder van Watersports.
(v) In het najaar van 2013 is begonnen met de bouw van de opstal.
(vi) Op 1 maart 2014 is Watersports begonnen met haar activiteiten op het strand van [A].
(vii) In mei 2014 is een huurovereenkomst met betrekking tot de opstal gesloten tussen [A] als verhuurder en de compagnon (in privé) als huurder, met als ingangsdatum 1 maart 2014.
(viii) In het najaar van 2014 is een concurrerend watersportbedrijf opgericht, waarvan de compagnon aandeelhouder en bestuurder is. Vanaf december 2014 exploiteert dit bedrijf een duikschool vanuit de opstal.