Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 6104483 RP VERZ 17-50372 van de rechtbank Den Haag van 22 augustus 2017;
b. de beschikkingen in de zaak 200.228.162/01 van het gerechtshof Den Haag van 4 december 2018, 17 maart 2020, 29 september 2020 en 20 juli 2021.
Het uitzendbureau heeft tegen de beschikkingen van het hof van 17 maart 2020, 29 september 2020 en 20 juli 2021 beroep in cassatie ingesteld.
De werknemer heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor de werknemer mede door K.A. Gorgun.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van het uitzendbureau heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
Bij bericht van 16 februari 2023 heeft het uitzendbureau het cassatieberoep ingetrokken en de Hoge Raad verzocht om uitsluitend een beslissing over de proceskosten te nemen.
Bij bericht van dezelfde dag heeft de werknemer de Hoge Raad verzocht om in het belang van de rechtsontwikkeling in een overweging ten overvloede een oordeel te geven over de gelding van de onderhavige cao-bepaling.
Bij bericht van 20 februari 2023 heeft het uitzendbureau zijn standpunt gehandhaafd dat een inhoudelijke beoordeling achterwege dient te blijven.
Bij bericht van 23 februari 2023 heeft de werknemer zijn standpunt gehandhaafd dat de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling zijn gediend met een inhoudelijk oordeel van de Hoge Raad.