5.1.1
Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in het arrest van 18 oktober 1995 is het in rekening brengen van kosten bij de naheffing van parkeerbelasting als bedoeld in (thans) artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet bedoeld om de aan het opleggen van de naheffingsaanslag verbonden kosten door te berekenen aan de belastingplichtige.3 Verder heeft de Hoge Raad in dat arrest overwogen dat de hoogte van het als kosten in rekening gebrachte bedrag niet van dien aard is dat zou moeten worden geoordeeld dat het daarbij om iets anders of meer gaat dan om kosten die zijn verbonden aan het opleggen van de naheffingsaanslag. Volgens dat arrest bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het in rekening brengen van kosten die zijn verbonden aan het naheffen van onbetaald gebleven parkeerbelasting niet (slechts) is aan te merken als ‘pecuniary compensation for damage’ maar (tevens) als ‘a punishment to deter reoffending’, zodat het in rekening brengen van die kosten als een ‘criminal charge’ als bedoeld artikel 6 EVRM zou moeten worden aangemerkt.4
5.2.1
Zoals bij het antwoord op vraag 1, onderdeel a) is geoordeeld, is het op grond van artikel 234, lid 5, van de Gemeentewet in rekening brengen van kosten niet aan te merken als een strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM. Van die bepaling gaat in het Nederlandse nationale recht ook geen reflexwerking uit bij het beoordelen van de in rekening gebrachte kosten.
5.3
Deze vraag behoeft geen beantwoording op de gronden weergegeven in onderdeel 14.4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
Prejudiciële vraag 4
5.4.1
Bij de beantwoording van de vierde vraag moet worden vooropgesteld dat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat de regeling over de verschuldigdheid van parkeerbelasting niet kan worden toegepast in het uitzonderlijke geval waarin de belastingplichtige niet in redelijkheid de gelegenheid heeft gehad om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. Zolang die gelegenheid heeft ontbroken, kan bij het uitblijven van betaling van de verschuldigde parkeerbelasting niet worden gezegd dat belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald in de zin van artikel 20, lid 1, AWR. De heffingsambtenaar kan dan geen naheffingsaanslag met kostenopslag opleggen.
5.4.2
Hetgeen hiervoor in 5.4.1 is overwogen, brengt mee dat aan de belastingplichtige na de aanvang van het parkeren een redelijke termijn moet worden gegund voor het voldoen van de parkeerbelasting.6
5.4.3
Een uitzonderlijk geval zoals hiervoor in 5.4.1 bedoeld, kan zich ook voordoen indien van de belastingplichtige door onvoorziene omstandigheden, zoals een acute noodsituatie, redelijkerwijs niet kan worden gevergd de verschuldigde parkeerbelasting op enigerlei wijze te betalen en evenmin om een ander voor hem te laten betalen.
5.4.4
Voor het overige biedt uitleg van de wettelijke regeling geen ruimte om rekening te houden met de (mate van) verwijtbaarheid van de gedraging die aan een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting ten grondslag ligt. Evenmin biedt uitleg van de wettelijke regels over de hoogte van de in rekening te brengen kosten van naheffing, met inbegrip van de artikelen 2 en 3 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit), ruimte om van het in rekening brengen van het volledige door de raad van de gemeente vastgestelde bedrag aan kosten van naheffing in een individueel geval af te zien omdat de hoogte van dat bedrag in de omstandigheden van dat geval niet passend en geboden zou zijn.
5.5
Zoals volgt uit de onderdelen 13.13, 13.15 en 13.16 van de conclusie van de Advocaat-Generaal geldt hetzelfde voor (exceptieve) toetsing van de wettelijke voorschriften van artikel 20 AWR, artikel 234 van de Gemeentewet, en artikel 2 en 3 van het Besluit, en van het door de raad vastgestelde bedrag, aan het evenredigheidsbeginsel.
5.6.1
Voor zover de Rechtbank met de vierde vraag wenst te vernemen in hoeverre de in die vraag bedoelde beoordeling van besluiten tot het naheffen van parkeerbelasting met kostenopslag in een individueel geval kan plaatsvinden door toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, overweegt de Hoge Raad als volgt.
5.6.2
Zowel het besluit tot naheffing van verschuldigde parkeerbelasting die niet is voldaan, als het besluit om daarbij de aan het opleggen van de naheffingsaanslag verbonden kosten tot het wettelijke maximumbedrag in rekening te brengen, berust op een gebonden bevoegdheid die haar grondslag vindt in een wet in formele zin. Dergelijke besluiten kunnen slechts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur voor zover zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daarbij gaat het onder meer om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.7
5.6.3
Met het invoeren van de mogelijkheid voor gemeenten om bij de naheffing van parkeerbelasting tevens een vast, wettelijk gemaximeerd bedrag in rekening te brengen tot verhaal van de met die naheffing gemoeide kosten, heeft de wetgever beoogd de gemeenten in staat te stellen op een efficiënte en financieel verantwoorde wijze hun parkeerbeleid te realiseren.8
5.6.4
Zoals de Advocaat-Generaal uiteen heeft gezet in de onderdelen 13.55 en 13.57 van zijn conclusie, heeft de wetgever daarbij onder ogen gezien dat een besluit tot naheffing van parkeerbelasting met een kostenopslag en de omvang van het in rekening te brengen bedrag aan kosten niet afhankelijk zijn van de mate van verwijtbaarheid van de aan de naheffing ten grondslag liggende gedraging of van de overige omstandigheden van het geval. Buiten de hiervoor in 5.4.1 tot en met 5.4.3 bedoelde situaties, waarin naheffing met kostenopslag niet is toegestaan, kan daarom niet worden gezegd dat in gevallen van ontbrekende of geringe verwijtbaarheid en in gevallen waarin het bedrag van de kostenopslag naar het oordeel van de rechter niet passend en geboden zou zijn, sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Het evenredigheidsbeginsel kan daarom in die gevallen niet tot gevolg hebben dat de heffingsambtenaar bij zijn besluitvorming de wettelijke regeling geheel of ten dele buiten toepassing moet laten.
5.6.5
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet vraag 4 als volgt worden beantwoord. De toepasselijke wettelijke bepalingen, waaronder de artikelen 225 en 234 van de Gemeentewet, moeten zo worden uitgelegd dat, buiten de hiervoor in 5.4.1 tot en met 5.4.3 bedoelde situaties, bij de beoordeling door de belastingrechter van de rechtmatigheid van de aan de belanghebbende in rekening gebrachte kosten bij de naheffing van parkeerbelasting, niet kan worden beoordeeld of de aan de naheffingsaanslag ten grondslag liggende gedraging verwijtbaar is dan wel of het in rekening brengen van de (volledige) kosten van de naheffing passend en geboden is, zodat dit ook geen aanleiding kan geven voor het oordeel dat moet worden afgezien van het in rekening brengen van de (volledige) kosten van de naheffing. Voor zover vraag 4 tevens betrekking heeft op de toetsing van de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting met de daaraan verbonden kosten aan het evenredigheidsbeginsel, moet vraag 4 aldus worden beantwoord dat deze toetsing, buiten de hiervoor in 5.4.1 tot en met 5.4.3 bedoelde situaties, niet aan de orde is in gevallen van ontbrekende of geringe verwijtbaarheid en evenmin in gevallen waarin het bedrag van de kostenopslag naar het oordeel van de rechter niet passend en geboden zou zijn.