Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:OGEAC:2022:181

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
04-07-2022
18-07-2022
CUR202001468
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig

Vorderingen tegen vergunninghouder wegens niet-uitbetalen door online casino’s. Cessie aan stichting. Voor een van de vorderingen is de vergunninghouder aansprakelijk op grond van artikel 6:171 BW. De andere vorderingen zijn niet aannemelijk geworden.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202001468

Vonnis d.d. 4 juli 2022

inzake

de stichting BELANGENBEHARTIGING GEDUPEERDEN ONLINE KANSSPELEN,

gevestigd in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. R.E.F.A. Bijkerk,

tegen

de naamloze vennootschap GAMING SERVICES PROVIDER N.V.,

gevestigd in Curaçao,

gedaagde,

gemachtigden: mrs. L.S. Davelaar en A.C. van Hoof.

Partijen zullen hierna de stichting en GSP worden genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 juli 2021;

  • -

    de akte overlegging stukken van 23 augustus 2021 van de stichting;

  • -

    de antwoordakte van 18 oktober 2021 van GSP.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het vonnis van 12 juli 2021 is reeds beslist op een aantal van de formele verweren van GSP. In dat vonnis heeft het gerecht zich bevoegd geacht van dit geschil kennis te nemen, het recht van Curaçao van toepassing verklaard op het onderhavige geschil en geoordeeld dat de algemene voorwaarden waar GSP zich op beroept vernietigbaar zijn, omdat deze niet aan de spelers ter hand zijn gesteld. De beoordeling over de formele verweren over het aantal eisers en de rechtsgeldigheid van de cessies zijn aangehouden in afwachting van de (nader) door de stichting over te leggen afschriften van de akten die aan de cessies ten grondslag liggen. De afschriften zijn door de stichting overgelegd.

2.2.

Het gerecht zal eerst het verweer ten aanzien van de rechtsgeldigheid van de cessies bespreken. Als het verweer dat de cessies niet rechtsgeldig zijn slaagt, is de stichting – nu gesteld noch gebleken is dat zij (al dan niet subsidiair) als lasthebber van de desbetreffende personen optreedt - niet bevoegd (geworden) de onderhavige vordering in te stellen en komt het gerecht aan de inhoudelijke beoordeling niet toe.

2.3.

Bij de beoordeling is het volgende van belang. Vaststaat dat door GSP als masterlicentiehouder licenties worden uitgegeven aan online casino’s die vervolgens via die licentie (kunnen) opereren op basis van de sublicentie van GSP. In deze zaak is dit, daargelaten wat de standpunten van partijen omtrent de toelaatbaarheid daarvan zijn, een gegeven. Gemakshalve zal de licentie op basis waarvan de online casino’s opereren, net als door partijen op verschillende momenten wordt gedaan, een sublicentie worden genoemd.

De akten van cessie

2.4.

De stichting maakt in deze procedure vorderingen van negen spelers geldend die zij stelt door cessie te hebben verkregen. Ter onderbouwing van haar stelling dat de vorderingen waarvan zij thans betaling verzoekt aan haar zijn gecedeerd heeft de stichting van de negen spelers een ‘Sale and Purchaseagreement’ en een ‘Deed of Assignment’ overgelegd. Zij stelt dat uit deze documenten blijkt dat de spelers hun vorderingen aan de stichting hebben overgedragen en dat zij daarom bevoegd is in deze zaak uitbetaling van de gewonnen bedragen te vorderen. GSP betwist de rechtsgeldigheid van de cessie en voert aan dan het op de weg van de stichting ligt de rechtsgeldigheid van de cessies in alle opzichten te bewijzen. GSP betoogt dat de door de stichting overgelegde documenten haar niet in staat stellen de geldigheid van de cessies te beoordelen. Daarom is er geen bewijs dat aan de overdrachten van de vorderingen geldige titels ten grondslag liggen. GSP meent dat de akten door de spelers hadden moeten worden voorzien van een apostille als bedoeld in het apostilleverdrag en dat zonder een apostille geen sprake is van geldige akten.

2.5.

Het uitgangspunt bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de cessies is dat de stelplicht en de bewijslast dat de cessies rechtsgeldig zijn op de stichting rust. Zij heeft in beginsel aan haar stelplicht voldaan als de akten aan de in de artikel 3:94 lid 1 BW gestelde vereisten voldoen. Dat betekent dat daaraan is voldaan als de akten aan (in dit geval) GSP zijn medegedeeld en een uittreksel van de akte en de daaraan ten grondslag liggende titel aan hen is overgelegd. Het ligt vervolgens op de weg van GSP om in het kader van haar verweer te beargumenteren dat en waarom de geldigheid van de cessies op redelijke gronden moet worden betwijfeld. Ter beargumentering van haar verweer is de enkele stelling dat zij niet beschikt over alle informatie aan de hand waarvan de geldigheid van de overdracht in de verhouding tussen cedent en cessionaris kan worden vastgesteld in ieder geval onvoldoende.

2.6.

Voor de geldigheid van een internationale akte van cessie gelden in beginsel dezelfde vereisten als voor elke andere cessie. Voor een internationale cessie geldt in beginsel dat partijen de bevoegdheid hebben zelf het op de overdracht toepasselijke recht aan te wijzen. In dit geval is sprake van transacties waarin alle elementen met Curaçao zijn verbonden. Het betreft immers online casino’s die opereren op basis van een sublicentie van GSP die een vergunning heeft verkregen van de Curaçaose overheid en waar het Curaçaose recht op van toepassing is verklaard. Bovendien is in de vergunning opgenomen dat alleen in Curaçao gevestigde rechtspersonen op basis van een dergelijke vergunning online kansspelen kunnen aanbieden. Deze omstandigheden leiden het gerecht tot de conclusie dat het recht van Curaçao op de overdracht van de vorderingen van toepassing is. Uit de overgelegde akten blijkt ook dat de spelers en de stichting daarop het recht van Curaçao van toepassing hebben verklaard.

2.7.

Op grond van het recht van Curaçao vereist de overdracht van een vordering een daartoe bestemde akte, waarin de te leveren vordering voldoende dient te zijn bepaald. Daartoe is voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan, aangevuld met objectieve gegevens, kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. De omstandigheid dat de akte niet de precieze vordering vermeldt, maar enkel tot welk bedrag de vordering wordt gecedeerd staat niet aan de bepaaldheid van de vordering in de weg. De akte van cessie dient voorts in geval van een openbare cessie door de cedent of cessionaris aan de schuldenaar te worden medegedeeld.

2.8.

In dit geval is sprake van een schriftelijke vastlegging van de overdracht van de vorderingen in (door de spelers getekende) akten van cessie. Het betreft onderhandse akten waarbij mededeling aan GSP heeft plaatsgevonden. De overgedragen vorderingen zijn voorts voldoende bepaald. Voor de rechtsgeldigheid geldt verder dat sprake dient te zijn van bevoegde vervreemders. GSP meent dat de spelers geen vordering hebben op de online casino’s waar zij hebben gespeeld. Dit is dus tegelijkertijd een inhoudelijk verweer tegen het bestaan van de vorderingen.

2.9.

GSP betoogt dat het bestaan van de vorderingen in ieder geval niet blijkt uit de door de stichting overgelegde summiere uitdraaien. Bovendien heeft de stichting slechts van de spelers [speler 1], [speler 2] en [speler 4] een uitdraai overgelegd. Voor de overige spelers ontbreekt enige substantiëring van de beweerdelijke vorderingen, zodat die reeds op die grond niet voor toewijzing in aanmerking komen. GSP voert met betrekking tot de individuele spelers nog het volgende aan:

[speler 1]: de stichting beweert dat GSP er niet voor heeft gezorgd dat [speler 1] een beweerdelijk tegoed van zijn account bij 90Dadika kon opnemen, maar het is niet de taak of verantwoordelijkheid van GSP om erop toe te zien dat een speler tegoeden kan opnemen. Bovendien heeft 90Dadika sinds 1 februari 2016 geen sublicentie meer van GSP. Verder blijkt uit navraag bij 90Dadika dat het account van [speler 1] is bevroren, omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan “surebetting”, wat kwalificeert als valsspelen, en daarmee heeft hij de spelregels overtreden.

[speler 2]: online casino Halkbet heeft het account van deze speler geblokkeerd, omdat hij de spelregels heeft overtreden door meerdere accounts te openen en vanuit Denemarken te spelen. Het openen van meerdere accounts is verboden, omdat het valsspelen in de hand werkt en Denemarken is een jurisdictie waar Halkbet niet actief mag zijn. [speler 2] heeft dan ook geen vordering op dat online casino en heeft het aan zichzelf te wijten dat hij niet (meer) kan inloggen op zijn account en zijn tegoed niet kan opnemen.

Speler 3: het account van deze speler bij het online casino Kavabet is gesloten, omdat hij zich niet aan de regels heeft gehouden door meerdere accounts te openen. Bij het online casino Suprabets is Speler 3 betrapt op “arbitrage betting”, waardoor zijn account is geblokkeerd. Suprabets heeft dat op 18 februari 2019 aan Speler 3 bericht. De online casino’s hebben de in de voorwaarden opgenomen sancties toegepast en GSP heeft niet onrechtmatig jegens Speler 3 gehandeld en op geen enkele wijze aan hem schade toegebracht.

[speler 4]: GSP is niet bekend met de casus van deze speler. De vordering van [speler 4] kan niet uit de door de stichting overgelegde documenten worden opgemaakt. Uit de documenten kan enkel worden opgemaakt dat het account van [speler 4] “under review” is, maar daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat GSP onrechtmatig heeft gehandeld of aan [speler 4] schade heeft toegebracht.

GSP concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de individuele spelers en daarom tot afwijzing van de vordering van de stichting.

2.10.

Voor de beoordeling van de vraag of de stichting voldoende heeft gesteld om vast te kunnen stellen dat de spelers vorderingen hebben op de verschillende casino’s waar zij hebben gespeeld is uiteraard de beoordeling van de door de stichting overgelegde stukken van belang, maar in het geval die stukken niet heel specifieke informatie bevatten komt ook de vraag aan de orde wat nog meer van de stichting had kunnen worden verwacht. In dit geval geldt dat de spelers niet (meer) bij hun accounts kunnen en dat zij niet beschikken over andere stukken dan screenshots ter onderbouwing van hun vorderingen waarvan de stichting stelt dat die aan haar zijn overgedragen. Als masterlicentiehouder zou GSP over de informatie met betrekking tot de accounts van de spelers dienen te (kunnen) beschikken. Op grond van artikel 14 lid 3 onder h van de vergunningsvoorwaarden dient alle communicatie inzake deelname aan een spel te worden opgeslagen en gedurende een in de voorwaarden aangegeven periode te worden bewaard. Op grond van artikel 16 van de vergunningsvoorwaarden dient de vergunninghouder dagelijks een overzicht bij te houden van de gespeelde hazardspelen, het aantal keren dat elk spel is gespeeld en de daarbij gepleegde inzetten en het behaalde prijzengeld. Deze gegevens worden bewaard gedurende de periode dat bedrijfsgegevens ingevolge de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 bewaard dienen te worden. Niet is gebleken dat GSP niet (meer) over die informatie beschikt. Het is dan ook GSP die over de gegevens van de speler beschikt, althans zij zou daarover moeten beschikken, waardoor van haar mag worden verwacht dat zij de vorderingen - indien daartoe grond bestaat - inhoudelijk gemotiveerd betwist. Dat heeft zij niet gedaan.

2.11.

Met betrekking tot de spelers [speler 1], [speler 2] en […] beroept GSP zich op de algemene voorwaarden van de online casino’s. Zij meent dat op grond daarvan geen uitbetalingsverplichting bestaat. In het tussenvonnis van 12 juli 2021 heeft het gerecht reeds geoordeeld dat de algemene voorwaarden vernietigbaar zijn, omdat die niet aan de spelers ter hand zijn gesteld en de stichting deze voorwaarden dan ook met succes heeft vernietigd. Dat betekent dat dit verweer van GSP reeds hierom niet slaagt. De conclusie is dat de spelers bevoegd waren tot vervreemding en dus tot overdracht van hun (gestelde) vorderingen aan de stichting.

2.12.

GSP betoogt over de rechtsgeldigheid van de akten van cessie verder dat de authenticiteit van de akten en de daarop geplaatste handtekeningen niet kan worden gecontroleerd omdat die niet van een apostille zijn voorzien.

2.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat GSP zich dient te houden aan de geldende regelgeving in het kader van ‘Know Your Client’ (hierna: KYC) en dat zij op grond daarvan als een speler zich aanmeldt bij een online casino de identiteit van de betreffende speler dient te controleren. Er mag van worden uitgegaan dat dat in het geval van deze spelers ook is gebeurd. Gelet op de informatie waarover GSP uit hoofde van de KYC hoort te beschikken, is het enkele standpunt dat de akten niet zijn voorzien van een apostille onvoldoende ter betwisting van de echtheid van de handtekeningen. In het licht van de informatie waarover GSP beschikt of in ieder geval zou moeten beschikken, had op z’n minst van haar mogen worden verwacht dat zij zou aangeven waarom zij meent dat de handtekeningen niet van de spelers wier namen in de akten van cessie worden genoemd afkomst zijn. In dit verband is nog relevant dat GSP zich niet op het standpunt stelt dat de in haar bezit zijnde documentatie niet overeenstemt met de documentatie die in het kader van de cessie aan haar is overgelegd noch dat de handtekeningen op de akten van cessie niet overeenkomen met de handtekeningen op de overgelegde afschriften van de identiteitsbewijzen van de spelers. De overgelegde stukken pleiten verder naar het oordeel van het gerecht voor het standpunt van de stichting dat zij de vorderingen van de spelers heeft overgenomen en dat de handtekeningen op de akten van cessie van hen afkomstig zijn.

2.14.

Het had op de weg van GSP had gelegen om een deugdelijke toelichting aan haar betwisting van de echtheid van de akten van cessie en de daarop geplaatste handtekeningen ten grondslag te leggen. Nu zij dat heeft nagelaten en uit de overgelegde stukken geen aanknopingspunten te vinden zijn die vóór haar standpunt pleiten, faalt haar verweer. Dat betekent dat het gerecht er vanuit gaat dat de handtekeningen op de akten van cessie van de spelers afkomstig zijn en dat de vorderingen van de spelers met de akten van cessie aan de stichting zijn gecedeerd. De stichting is dan ook bevoegd (geworden) tot het instellen van de onderhavige vordering.

Griffierecht

2.15.

Het laatste formele verweer van GSP betreft het griffierecht. Zij meent dat de stichting negen keer griffierecht had moeten betalen, omdat zij betaling van vorderingen van negen spelers vordert. De stichting meent dat het griffierecht juist is berekend en dat zij nu zij betaling van een totaalsom vordert niet voor elke speler afzonderlijk griffierecht hoeft te betalen.

2.16.

Over het griffierecht wordt als volgt overwogen. Het is de rechter toegestaan een procedure als de onderhavige op verlangen van een partij of ambtshalve te splitsen op de grond dat tussen de vorderingen geen zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Daarbij geldt dat een goede procesorde – uit oogpunt van procesrechtelijke economie, overzichtelijkheid en fair play – afzonderlijke berechting vereist. Het gerecht overweegt dat het in dit geval gaat om verschillende vorderingen van dezelfde aard tegen dezelfde gedaagde. Onbetwist is dat de negen spelers hebben gespeeld bij online casino’s die opereren (of op enig moment hebben geopereerd) op basis van een sublicentie van GSP. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt daarom niet in te zien waarom gezamenlijke behandeling van de verschillende vorderingen die door de stichting als één vordering zijn ingediend niet zou kunnen plaatsvinden. Dit verweer van GSP wordt daarom gepasseerd. Het Procesreglement Civiele Zaken Artikel 126 (objectieve cumulatie) en artikel 127 lid 1 (subjectieve cumulatie) biedt de griffier inderdaad de mogelijkheid om in gecumuleerde zaken als waarvan hier sprake is griffierecht te berekenen over de afzonderlijke vorderingen. Dat is hier niet gebeurd. Het gerecht ziet, mede gelet op de stand van het geding, geen aanleiding de griffier alsnog in de gelegenheid te stellen tot naheffing. Daarbij komt dat de belangen van GSP hier niet in het geding zijn. Integendeel, in het geval van een proceskostenveroordeling zou zij het verhoogde griffierecht moeten betalen.

De vorderingen van de spelers

2.17.

Dan komt het gerecht toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering van de stichting die ziet op de vraag of GSP de cessies tegen zich dient te laten gelden. De stichting beroept zich in dit verband primair op aansprakelijkheid van GSP op grond van artikel 6:171 BW. Zij stelt dat de constructie die GSP toepast, waarbij zij sublicenties uitgeeft gelijk dient te worden gesteld aan de aansprakelijkheid voor hulppersonen. GSP betoogt dat zij niet aansprakelijk is, omdat de vordering door de stichting niet duidelijk is omschreven. Verder heeft de stichting geen bewijs geleverd dat de online casino’s onvoldoende solvabel zouden zijn en daardoor niet tot uitkering van de gewonnen bedragen zijn overgegaan. De stichting heeft haar beroep op artikel 6:171 BW volgens GSP onvoldoende onderbouwd. Dit beroep kan volgens GSP echter sowieso niet slagen, omdat GSP geen opdrachtgever is van de sublicentiehouders. Hierdoor kunnen fouten in het doen en nalaten van de sublicentiehouders die als een toerekenbare onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt niet worden gezien als gepleegd in het kader van werkzaamheden die in opdracht van GSP worden uitgevoerd. Er is daarom geen sprake van een economische eenheid van onderneming.

2.18.

Het gerecht stelt voorop dat de masterlicentiehouder zich aan de in de aan haar verstrekte vergunning opgenomen voorwaarden dient te houden. Ten behoeve van de naleving van die voorwaarden sluit GSP met haar sublicentiehouders, eventueel via een tussenpersoon, een overeenkomst waarin zij haar vergunningsvoorwaarden aan haar sublicentiehouders oplegt. Zoals eerder door dit gerecht is geoordeeld (ECLI:NL:OGEAC:2022:121, vonnis 9 mei 2022), kan aansprakelijkheid op grond van artikel 6:171 BW worden aangenomen als sprake is van een fout van de sub licentiehouder bij werkzaamheden die, objectief beschouwd (vgl. HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9596), ter uitoefening van het bedrijf van GSP aan haar zijn uitbesteed. Ook aan het vereiste van (een zekere) eenheid van onderneming is voldaan. Dit moet immers vanuit het perspectief van de benadeelde speler worden bezien. Door het op de goksite herhaaldelijk met naam en toenaam vermelden van de vergunning van GSP ingevolge de wetgeving van het Land Curaçao, zal de gemiddelde speler er zelfs van uitgaan dat de site wordt geëxploiteerd door de vergunninghouder zelf, in plaats van door een derde. Aan alle vereisten van genoemde wetsbepaling is dus voldaan. Indien, zoals in casu, GSP de vergunde activiteit volledig uitbesteedt aan een derde, maakt zij zich ook verantwoordelijk voor de naleving van deze regels en voor een juist gedrag jegens de speler door de sub licentiehouder. Daarbij verdient opmerking dat disculpatie bij aansprakelijkheid ex artikel 6:171 BW niet mogelijk is.

2.19.

Voor toewijzing van de vordering op grond van artikel 6:171 BW dient echter wel (eerst) te komen vast te staan dat sprake is van een fout van de sublicentiehouder(s). In dat verband worden de vorderingen van de afzonderlijke spelers beoordeeld als volgt.

[speler 1]

2.20.

De stichting stelt dat [speler 1] bij het online casino 90Dadika.com heeft gespeeld en dat hij daar een tegoed had van € 18.307. Niet in geschil is dat zijn uitbetalingsverzoeken niet zijn gehonoreerd. GSP betwist in deze procedure dat [speler 1] een vordering heeft op het online casino en stelt dat de uitbater van 90Dadika enige tijd een sublicentie had van GSP, maar dat deze ten einde is gekomen, reden waarom GSP niet aansprakelijk kan zijn.

2.21.

Hoewel GSP (nu) betwist dat [speler 1] een vordering heeft op het online casino, is het gerecht van oordeel dat uit het door [speler 1] overgelegde overzicht van pending withdrawal requests voldoende blijkt dat sprake was van een tegoed bij het casino. GSP is in eerste instantie ook meegegaan in de verzoeken van [speler 1] en heeft zich verontschuldigd voor het feit dat de uitbater van het online casino, Maslin Properties, niet reageerde. Op geen enkel moment is de hoogte van het openstaande saldo een onderwerp van discussie geweest. Voor het overige heeft GSP zich beroepen op formele verweren en op de algemene voorwaarden, waarvan al is geoordeeld dat deze vernietigbaar zijn. Dat het betreffende online casino inmiddels een andere exploitant heeft, die niet onder de licentie van GSP valt, doet evenmin af aan het feit dat [speler 1] een vordering heeft op een casino dat werd geëxploiteerd door een exploitant die een sublicentie had van GSP. GSP heeft bovendien ook informatie verkregen van het online casino 90Dadika.com. Zij zou dat niet hebben ontvangen als tussen GSP en (de exploitant van) het casino geen enkele verhouding (meer) bestond. Dat, zoals het casino nu kennelijk stelt, [speler 1] zich niet heeft gehouden aan de KYC verplichtingen en dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan sure betting is onvoldoende onderbouwd, nog daargelaten dat het aan de (sub)licentiehouder is om voorafgaand aan het openen van een rekening de identiteit van de speler vast te stellen. Dat [speler 1] een vordering heeft op het onlinecasino dat werd geëxploiteerd door een sublicentiehouder van GSP staat, gelet op het voorgaande, vast. Eveneens staat vast dat de sublicentiehouder ten onrechte niet tot uitkering is overgegaan. Gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld over de aansprakelijkheid van de licentiehouder, GSP, is GSP aansprakelijk voor de uitkering van het openstaande bedrag van [speler 1] bij het casino. De vordering van [speler 1] zal daarom worden toegewezen.

[speler 2]

2.22.

De stichting stelt dat [speler 2] heeft gespeeld bij het onlinecasino Halkbet.com. Hij had daar een tegoed van € 21.900, waarbij het account op enig moment is geblokkeerd en het casino is opgehouden te bestaan. De exploitant was Servace Investments.

2.23.

GSP voert daartegen aan dat de vordering van [speler 2] niet is komen vast te staan en dat er bovendien goede redenen waren om de account te blokkeren. Zo mocht er niet vanuit Denemarken worden gespeeld en had [speler 2] meerdere accounts, wat eveneens in strijd is met de algemene voorwaarden.

2.24.

Uit de door de stichting overgelegde stukken is niet op te maken op grond waarvan [speler 2] stelt dat zijn saldo € 21.900 bedroeg. In dit geval is ook geen stuk overgelegd waaruit het gerecht kan opmaken wat de hoogte was van het saldo bij het casino. Onder die omstandigheden kan niet worden vastgesteld wat de hoogte is van de (potentiële) vordering van [speler 2] en evenmin of het casino ten onrechte niet tot uitkering van het betreffende bedrag is overgegaan. De stichting heeft in dit opzicht niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht, zodat evenmin wordt toegekomen aan nadere bewijslevering. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

overige spelers

2.25.

Voor de overige spelers ([…], […], […], […], […] en […]) geldt eveneens dat de stichting niet, dan wel onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een vordering bij een online casino dat handelt onder de licentie van GSP, wat de hoogte van de betreffende vordering is en waaruit blijkt dat het online casino fouten heeft gemaakt in de (niet) uitbetaling van de betreffende spelers. Dat had, gelet op de uitdrukkelijke betwisting door GSP, wel op de weg van de stichting gelegen. Nu niet kan worden vastgesteld dat sprake is wanprestatie aan de zijde van de online casino’s, dan wel van onrechtmatig handelen, kan evenmin aansprakelijkheid van GSP op grond van artikel 6:171 BW worden vastgesteld. Dit deel van de vordering wordt daarom eveneens afgewezen.

slotsom en proceskosten

2.26.

De slotsom is dat de formele verweren van GSP falen en de stichting ontvankelijk is in haar vorderingen. De vordering voor zover deze ziet op speler [speler 1] zal worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen, omdat geen sprake is van aansprakelijkheid van GSP op grond van artikel 6:171 BW nu de stichting de (onderliggende) vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd.

2.27.

In de uitkomst van deze procedure ziet het gerecht aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

Het gerecht:

3.1.

veroordeelt GSP tot betaling van € 18.307;

3.2.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.3.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Nootenboom-Lock, rechter, en op 4 juli 2022 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.