Belanghebbende exploiteert een auto-, garage- en autoschadeherstelbedrijf en is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Wegens vermoedens van deelname aan carrouselfraude met auto’s zijn aan haar twee naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd, waarvan één zonder voorafgaande aankondiging onmiddellijk invorderbaar is (naheffingsaanslag I). De andere naheffingsaanslag is opgelegd na afronding van het boekenonderzoek, waarbij belanghebbende voorafgaand aan de aanslagoplegging enige tijd heeft gekregen om te reageren (naheffingsaanslag II). Voor deze laatste aanslag heeft zij zekerheid moeten stellen.
In cassatie is uitsluitend nog in geschil de toepasbaarheid van het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging (hierna ook: verdedigingsbeginsel).
Rechtbank ’s-Gravenhage heeft geoordeeld dat naheffingsaanslag I dient te worden vernietigd wegens schending van het verdedigingsbeginsel, en dat naheffingsaanslag II moet worden gehandhaafd. Na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst hebben partijen Hof Den Haag (hierna: het Hof) verzocht uitspraak te doen over het geschilpunt inzake de schending van het verdedigingsbeginsel. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende geen beroep kan doen op het verdedigingsbeginsel, omdat zij zich - naar het oordeel van het Hof - schuldig heeft gemaakt aan ernstige omzetbelastingfraude.
Alvorens A-G Van Hilten ingaat op het verdedigingsbeginsel besteedt zij aandacht aan de vastleggingen c.q. afspraken in de vaststellingsovereenkomst. Uit deze overeenkomst leidt zij af dat tussen partijen alleen nog in geschil is de vraag of belanghebbende het verdedigingsbeginsel mag inroepen en (vooral ook) de vraag of dat beginsel geschonden is, en zo ja of dat tot gevolg heeft dat de naheffingsaanslagen moeten worden vernietigd.
De A-G gaat allereerst in op de vraag of het verdedigingsbeginsel zich uitstrekt tot de (na)heffing van nationale omzetbelasting. Zij leidt uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (hierna: het HvJ) af dat het verdedigingsbeginsel een grondbeginsel van Unierecht is, dat wil zeggen een in de rechtsorde van de Europese Unie verankerd recht. Dat recht vindt als zodanig (alleen) toepassing in situaties die door het Unierecht worden beheerst. Voorts leidt zij uit de rechtspraak van het HvJ af dat bezwarende besluiten inzake omzetbelasting (naheffingsaanslagen) binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. Dat betekent dat de (ongeschreven) beginselen van Unierecht (inclusief het verdedigingsbeginsel) in acht moeten worden genomen, aldus de A-G.
Vervolgens gaat de A-G in op de vraag of (vermeende) fraudeurs het verdedigingsbeginsel kunnen inroepen. Zij acht het oordeel van het Hof dat justitiabelen in geval van fraude of misbruik geen beroep kunnen doen op het Unierecht, ten enenmale onjuist, óók als aangenomen moet worden dat belanghebbende betrokken was bij, dan wel had moeten weten dat zij deelnam aan, carrouselfraude. De A-G merkt op dat in alle arresten waarin het HvJ heeft uitgesproken dat de bestrijding van fraude, belastingontwijking en misbruik een erkende doelstelling van de Zesde richtlijn is, en dat in geval van bedrog of misbruik geen beroep op het Unierecht kan worden gedaan, het positieve Unierecht aan de orde was. Dit positieve Unierecht wordt opzij gezet in gevallen van fraude en misbruik, dat wil zeggen dat in die gevallen waarin fraude of misbruik in het spel is, belastingplichtigen niet met succes een beroep kunnen doen op dat positieve Unierecht. Het legaliteitsbeginsel legt het dan af tegen de fraudebestrijding, aldus de A-G. Een ruimere uitlegging, in die zin dat ook algemene rechtsbeginselen van Unierecht (zoals het verdedigingsbeginsel) terzijde mogen worden geschoven indien sprake is van fraude, wijst de A-G stellig af. Deze beginselen zijn haars inziens van een andere orde dan de rechten van het (positieve) Unierecht. De hier bedoelde algemene rechtsbeginselen bieden justitiabelen bescherming jegens bestuursorganen. Aan het verdedigingsbeginsel en het recht gehoord te worden – haars inziens een principieel rechtsbeginsel – mag niet worden getornd, ook niet als het gaat om ‘boeven en bedriegers’. De A-G is van mening dat het niet zo kan zijn dat een strafrechtelijk geborgd rechtsbeginsel op bestuursrechtelijk terrein geen toepassing zou vinden. Zij komt dan ook tot de slotsom dat in regelgeving noch rechtspraak steun kan worden gevonden voor het oordeel van het Hof dat een fraudeur geen beroep kan doen op het verdedigingsbeginsel. Het tweede middel slaagt in zoverre.
Met betrekking tot de vraag of het verdedigingsbeginsel in casu is geschonden, leidt de A-G uit met name het arrest van het HvJ van 3 juli 2014, Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., gevoegde zaken C-129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041 (hierna: arrest Kamino), af dat het horen van een justitiabele voordat jegens hem een bezwarend besluit wordt genomen het uitgangspunt is, maar dat dat niet betekent dat het verdedigingsbeginsel altijd geschonden is wanneer een belastingplichtige niet vóór het nemen van het bezwarende besluit wordt gehoord. Het is vaste rechtspraak dat de grondrechten, waaronder het verdedigingsbeginsel, geen absolute gelding hebben, maar beperkingen kunnen bevatten, mits deze werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.
Met betrekking tot naheffingsaanslag I, meent zij dat uit de rechtspraak is af te leiden dat het HvJ in een snelle inning c.q. een niet-verloren gaan van ‘Europese’ btw-opbrengst een doel van algemeen belang zal zien van een nationale maatregel van ‘eerste heffen dan horen’ waarmee beoogd te voorkomen dat gelden (voor een deel voor de Unie bestemd) weggesluisd worden. Uit het arrest Kamino leidt zij vervolgens af dat ‘eerst heffen dan horen’ niet onevenredig c.q. onduldbaar is, wanneer de nadelige gevolgen van beslissing na bezwaar ongedaan kunnen worden gemaakt. De versnelde invordering van naheffingsaanslag I brengt haars inzien niet mee dat de (gevolgen van de) aanslag niet meer ongedaan kan (kunnen) worden gemaakt wanneer na bezwaar blijkt dat de naheffingsaanslag geheel of gedeeltelijk ten onrechte is opgelegd. Ook is niet gesteld of gebleken dat belanghebbende door de versnelde invordering onherstelbare schade heeft geleden. Zij meent, alles bij elkaar genomen, dat niet kan worden gezegd dat in casu sprake is van een onduldbare en onevenredige ingreep. Zij komt dan ook tot de slotsom dat ten aanzien van naheffingsaanslag I het verdedigingsbeginsel niet is geschonden.
Aangezien naheffingsaanslag II pas is opgelegd nadat het controlerapport aan belanghebbende was verstrekt en zij twee weken tijd is gegund te reageren op dat rapport, is het verdedigingsbeginsel ten aanzien van deze naheffingsaanslag volgens de A-G niet geschonden. Ook is de termijn die aan belanghebbende is gegund om te reageren op het voornemen van de Inspecteur om naheffingsaanslag II op te leggen, haars inziens, voldoende lang om geacht te worden het recht te worden gehoord te eerbiedigen.
Voor het geval de Hoge Raad toch tot het oordeel komen dat het verdedigingsbeginsel geschonden is, besteedt de A-G aandacht aan de vraag, wat de gevolgen daarvan zijn. Uit de rechtspraak van het HvJ leidt zij af dat schending van het verdedigingsbeginsel zeker niet zonder meer tot gevolg heeft dat het besluit dat (met schending van het verdedigingsbeginsel) is genomen, vernietigd moet worden. Aan vernietiging c.q. nietigverklaring kan alleen worden toegekomen wanneer de betrokken administratieve procedure zonder de ‘onregelmatigheid’ een andere afloop had kunnen hebben. De A-G meent dat ‘de procedure’ waarvan het HvJ in deze context spreekt, op niets anders kan zien dan op de bezwaarprocedure. Het gaat er volgens de A-G niet om of de procedure uiteindelijk (bij de Hoge Raad) een andere afloop zou kunnen hebben gehad, maar of de beslissing van de Inspecteur door het kenbaar maken van standpunten die de (voorgenomen) beslissing van de administratie zodanig kunnen beïnvloeden dat de beslissing anders uitvalt dan voorgenomen. De uiteindelijke beoordeling daarvan ligt volgens de A-G bij de rechter. De A-G komt tot de conclusie dat, zelfs al zou worden geoordeeld dat het verdedigingsbeginsel is geschonden, deze schending in casu niet tot consequentie heeft dat de naheffingsaanslagen moeten worden vernietigd. Het tweede middel slaagt, maar leidt niet tot cassatie.
Ook het eerste middel – dat is gericht tegen het oordeel van het Hof dat ‘genoegzaam blijkt’ dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige belastingfraude – slaagt, maar leidt volgens de A-G evenmin tot cassatie.
Ten aanzien van het derde middel is de A-G van mening dat het Hof terecht voorbij is gegaan aan het getuigenaanbod. Het derde middel faalt derhalve.
A-G Van Hilten geeft de Hoge Raad in overweging om het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.