1 Procesverloop
1.1
Nadat de rechtbank Gelderland op verzoek als bedoeld in art. 54a Ow van de gemeente Rheden bij beschikking van 21 april 2015 drie deskundigen en een rechter-commissaris had benoemd, heeft zij bij vonnis van 1 juli 2015 op vordering van de Gemeente en ten laste van [eiser] de vervroegde onteigening uitgesproken van het perceel, kadastraal bekend gemeente Dieren, sectie [...] , nummer [0001] ter grootte van 00.03.69 ha (grondplan nr. [...]) en het door de Gemeente aan [eiser] te betalen voorschot bepaald op € 206.000.
1.2
[eiser] heeft tegen dit vonnis beroep in cassatie ingesteld. Uw Raad heeft bij arrest van 11 december 20151 dat beroep gegrond bevonden, het vonnis van 1 juli 2015 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing teruggewezen naar de rechtbank.
1.3
Bij vonnis van 7 januari 2016 heeft de rechtbank bepaald dat het meervoudig pleidooi zou worden gehouden op 26 april 2016 te 13.45 uur.
1.4
De bij de rechtbank optredende advocaat van [eiser] mr. F.A.M. Knüppe heeft zich bij B2-formulier van 5 april 2016 aan de zaak onttrokken.2 Uit de stukken valt niet op te maken dat zich een andere advocaat voor hem heeft gesteld.
1.5
Ter zitting van de rechtbank van 26 april 2016 is de zaak bepleit. Blijkens de aan het proces-verbaal van de pleitzitting gehechte aantekeningen van de griffier hebben [eiser] , zoon van [eiser] , en mr. J. de Roos, de advocaat van de Gemeente, het woord gevoerd. Het proces-verbaal van de pleitzitting vermeldt aan het slot dat de zaak voor vonnis wordt verwezen naar de rol van 25 mei 2016.
1.6
Bij vonnis van 18 mei 2016 heeft de rechtbank wederom de gevorderde vervroegde onteigening uitgesproken en het voorschot op € 206.000 bepaald.
1.7
Bij akte ter griffie van de rechtbank Gelderland van 31 mei 2016 heeft [eiser] (tijdig)3 cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van 18 mei 2016. De cassatieverklaring heeft hij bij exploot van 15 juni 2016 (tijdig)4 aan de Gemeente laten betekenen met dagvaarding in cassatie.
1.8
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping.
1.9
Partijen hebben de zaak schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. De advocaat van [eiser] heeft gerepliceerd.
2 Achtergrond van de zaak
2.1
Basis voor de onteigening is het Koninklijk Besluit van 12 februari 2015, nr. 2015000243, gepubliceerd in de Staatscourant van 25 maart 2015 nr. 6056. Onteigend wordt ter uitvoering van het bestemmingsplan Dieren-Midden, locatie Stationsgebied (hierna: het bestemmingsplan), vastgesteld door de raad van de gemeente Rheden op 28 juni 2013. De Gemeente wil over het perceel van [eiser] beschikken teneinde (mede) daarop een stationsparkeervoorziening te realiseren.
2.2
Op het te onteigenen perceel staat, naar ik uit de stukken opmaak, een huis waarin [eiser] woont. [eiser] heeft (niet onbegrijpelijk) geprobeerd, en probeert nog steeds, de ruimtelijke ontwikkeling ten behoeve waarvan de Gemeente zijn perceel wil verkrijgen, tegen te gaan. Het centrale thema van zijn betoog hierbij is dat de parkeerbehoefte in het gebied rond het station van Dieren niet van dien aard is dat er een parkeervoorziening moet worden gerealiseerd waarvoor zijn woonhuis zou moeten wijken.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen de vaststelling van het bestemmingsplan, maar dit beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 3 december 2014 ongegrond verklaard,5 waarmee het bestemmingsplan onherroepelijk werd. Nadien heeft [eiser] op de voet van art. 8:119 Awb herziening verzocht van de uitspraak van 3 december 2014. De Afdeling heeft dit verzoek na vereenvoudigde behandeling (d.w.z. zonder partijen op een zitting te horen) bij uitspraak van 6 januari 2016 afgewezen. Tegen laatstgenoemde uitspraak heeft [eiser] op de voet van art. 8:55 Awb verzet gedaan. De Afdeling heeft dit verzet ter zitting behandeld op 17 februari en 20 april 2016. Bij uitspraak van 26 april 20166 heeft de Afdeling dit verzet gegrond verklaard, de uitspraak van 6 januari 2016 vervallen verklaard en, rechtdoende op het herzieningsverzoek, dat verzoek afgewezen.7
2.3
Het vonnis van 18 mei 2016 somt onder 1.1 de stukken op waaruit ‘het verloop van de procedure blijkt’ en noemt daarbij als laatste ‘het faxbericht van de zijde van de Gemeente van 2 mei 2016 met als bijlage de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2016’. Dit bericht heb ik niet aangetroffen in het door mr. Van den Berg overgelegde dossier. In het dossier dat de mrs. Sluysmans en Wiegerink hebben overgelegd bevindt zich een stuk (genummerd 17) dat waarschijnlijk moet worden geïdentificeerd als het door de rechtbank bedoelde ‘faxbericht’. Het ziet er uit als de print van een e-mailbericht van 2 mei 2016 van [betrokkene 1] naar het e-mailadres van de roladministratie van de rechtbank. Het bericht is gericht aan ‘Rechtbank Gelderland, Team Handelsrecht, T.a.v. [betrokkene 2] ’ en de inhoud van het bericht is:
“Geachte [betrokkene 2] ,
Op 20 april j.l. heb ik als bestemmingsplanjurist van de gemeente Rheden de zitting bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bijgewoond inzake behandeling verzet afwijzing herzieningsverzoek op uitspraak bestemmingsplan Dieren-Midden, locatie Stationsgebied. Dit bestemmingsplan dient als grondslag voor de onteigeningsprocedure welke door de gemeente is ingezet en welke momenteel bij uw rechtbank in behandeling is onder zaaknummer 284095 HZ ZA 15 216.
Tijdens de zitting bij de Raad van State hebben zowel ikzelf namens de gemeente Rheden als ook [eiser] zijnde indiener van het herzieningsverzoek, verzocht om een zeer spoedige uitspraak gelet op de aanhangige onteigeningszaak. De Afdeling heeft daarop op 26 april j.l. uitspraak gedaan. Het herzieningsverzoek is daarbij afgewezen. De Afdeling heeft de uitspraak gepubliceerd op haar website. Daarnaast zend ik u deze uitspraak hierbij volledigheidshalve per mail toe (bijgevoegd).
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 1] ”
De (geanonimiseerde) uitspraak van de Afdeling van 26 april 2016 is aan de print van dit e-mailbericht gehecht.
2.4
De rechtbank heeft in haar vonnis van 18 mei 2016 het (niet gemakkelijk samen te vatten) verweer van [eiser] tegen de onteigeningsvordering verworpen. Zij is daarbij ingegaan op de uitspraken van Afdeling in de door [eiser] gevoerde bestuursrechtelijke procedures. Zij is ook ingegaan op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2016 en heeft daaruit conclusies getrokken, zie de rov. 5.4, 5.7, 5.8 en 5.12, die dragend lijken te zijn bedoeld voor de verwerping van het verweer van [eiser] tegen de onteigeningsvordering.
3 Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Klacht 1 van het middel betoogt dat de rechtbank ten onrechte acht heeft geslagen op de e-mail van 2 mei 2016 en de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2016 omdat deze stukken
( a) niet door een advocaat zijn ingediend (art. 82 t/m 84 Rv);
( b) niet bij akte of conclusie in het geding zijn gebracht (art. 82 t/m 84 Rv);
( c) niet (gelijktijdig) aan [eiser] zijn gezonden en [eiser] ook niet van de stukken in kennis is gesteld, hetgeen in strijd is met een goede procesorde en art. 84 lid 4 Rv;
en omdat
( d) de rechtbank geen kennis mag nemen van berichten aan de rechtbank nadat vonnis is bepaald, tenzij blijkt dat de wederpartij met de kennisneming heeft ingestemd, hetgeen hier niet is gebeurd (art. 6.1 Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken);
( e) de rechtbank [eiser] geen mededeling heeft gedaan van de e-mail met bijlage van 2 mei 2016 en hem ook niet in de gelegenheid heeft gesteld zich daarover uit te laten.
3.2
Klacht 1(a) acht ik gegrond. Krachtens art. 2 van de Onteigeningswet zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zoveel daarvan bij de Onteigeningswet niet is afgeweken. Ook in het onteigeningsgeding geldt, naar algemeen wordt aangenomen, verplichte procesvertegenwoordiging (art. 79 lid 2 Rv). Op geschriften die procespartijen die niet door een advocaat worden vertegenwoordigd, of buiten hun advocaat om, naar de rechter sturen, behoort deze geen acht te slaan.8 Het lijkt mij onwenselijk om hierop in bijzondere omstandigheden uitzonderingen toe te laten of om het in het onteigeningsgeding, waarin het inderdaad wel eens voorkomt dat partijen per brief stukken indienen waarop de rechter acht slaat,9 minder nauw te nemen met de verplichte procesvertegenwoordiging.
3.3
Dan de klacht 1(d) dat de kennisname door de rechtbank van het bericht met bijlage van 2 mei 2016 strijdig is met art. 6.1 van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbank.10 Bedoeld artikel bepaalt:
“6.1 Berichten aan de rechtbank nadat vonnis is bepaald
De rechtbank neemt geen kennis van berichten aan de rechtbank nadat vonnis is bepaald, tenzij blijkt dat de wederpartij met de kennisneming heeft ingestemd.”
Dit artikel is een uitwerking van het beginsel van hoor en wederhoor, dat ook uitwerking vindt in art. 19 Rv en in de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot art. 6 EVRM.11 Waar uit het vonnis niet valt op te maken, noch ook overigens blijkt, dat [eiser] ermee heeft ingestemd dat de rechtbank kennis zou nemen van de e-mail van [betrokkene 1] met bijlage acht ik ook deze klacht gegrond.
3.4
Klacht 1(e) lijkt mij ook gegrond, maar hier wordt de zaak wel enigszins gecompliceerd doordat [eiser] op 2 mei 2016 al geen procesvertegenwoordiger meer had nu zijn advocaat zich aan de zaak had onttrokken (zie hierboven bij 1.4). De beëindiging door de advocaat van zijn opdracht wordt beschouwd als een de partij persoonlijk betreffende omstandigheid en heeft tot gevolg dat die partij geen processuele handelingen meer kan verrichten.12 Zolang geen nieuwe advocaat zich stelde kon [eiser] dus hoe dan ook niet nader concluderen met betrekking tot, of akte verzoeken van zijn reactie op, de e-mail met de uitspraak van de Afdeling. Naar mijn mening verschafte deze omstandigheid de rechtbank evenwel geen vrijbrief om te handelen zoals zij heeft gedaan. Zij had een tussenvonnis kunnen wijzen waarin zij te kennen gaf dat zij overwoog de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2016 in haar beoordeling van de zaak te betrekken en partijen in de gelegenheid stelde te reageren op die uitspraak. Dat tussenvonnis had de griffier van de rechtbank per post kunnen sturen naar de voormalige advocaat van [eiser] (en eventueel tevens naar [eiser] zelf op zijn in de inleidende dagvaarding vermelde woonadres). Het zou dan, lijkt mij, een nazorgplicht van mr. Knüppe zijn geweest zijn voormalige cliënt in kennis te stellen van het tussenvonnis met mededeling dat alleen een opvolgend advocaat bevoegd zou zijn een reactie ter kennis van de rechtbank te brengen.
Kortom: ook deze klacht lijkt mij gegrond.
3.5
Klacht 2 van het middel opent met een bezwaar tegen (niet) handelen van de (advocaat van) de Gemeente. Dat bezwaar behoeft niet te worden besproken, omdat het niet gericht is tegen het vonnis van de rechtbank. De klacht bevat voorts een herhaling of een variant (maar dan met een beroep op art. 19 Rv) van klacht 1(e). Deze klacht lijkt mij eveneens gegrond, waarvoor ik kortheidshalve verwijs naar hetgeen ik hierboven in 3.4 al heb geschreven.
3.6
De overige klachten behoeven geen bespreking.
3.7
In de schriftelijke toelichting van de mrs. Sluysmans en Wiegerink is aangevoerd (nr. 18) dat [eiser] geen belang heeft bij zijn cassatieberoep omdat de rechtbank ook ambtshalve kennis had kunnen en moeten nemen van de uitspraak van de Afdeling.
Dit verweer faalt reeds omdat de rechtbank dan nog steeds (zoals de klachten 1(e) en 2 terecht tot uitgangspunt nemen) de Afdelingsuitspraak niet de beoordeling had mogen betrekken zonder eerst de partijen gelegenheid te hebben gegeven daarop te reageren.13
3.8
De Gemeente betoogt voorts (s.t. mrs. Sluysmans en Wiegerink, nr. 20) dat [eiser] geen belang heeft bij zijn cassatieberoep omdat de uitkomst van de zaak niet anders zou zijn geweest indien de rechtbank geen kennis zou hebben genomen van de uitspraak van de Afdeling.
Dit betoog kan, wat daarvan zij, vernietiging van het bestreden vonnis niet voorkomen. Dat volgt naar mijn mening uit hetgeen Uw Raad in navolging van een zeer instructieve conclusie van de advocaat-generaal Timmerman heeft overwogen in zijn arrest van 9 november 2012 in de schuldsaneringszaak Van H.14 In die zaak had het gerechtshof de stukken van het geding ambtshalve aangevuld met een proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg dat op verzoek van het hof door de griffier van de rechtbank was opgesteld en waarvan noch door de rechtbank noch door het hof een afschrift aan de partijen was toegezonden en over de inhoud waarvan de partijen zich dus niet hadden kunnen uitlaten. Uw Raad overwoog:
“3.2.3 Bij de beantwoording van de vraag of het hof, aldus handelende, het recht op hoor en wederhoor heeft geschonden, dient het volgende tot uitgangspunt. Het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op hoor en wederhoor, zoals ook neergelegd in art. 19 Rv, omvat het recht van partijen om kennis te nemen van, en zich te kunnen uitlaten over, alle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en zijn bedoeld om in de oordeelsvorming van de rechter te worden betrokken. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is de grondslag van dit recht mede het vertrouwen dat rechtzoekenden dienen te kunnen stellen in het goed functioneren van de rechtspraak (vgl. onder meer EHRM 26 juli 2011, no. 58222/09 (Juricic), § 75, en EHRM 18 februari 1997, no. 18990/91, LJN AD2686, NJ 1997/590, § 29). Hieruit volgt dat het voor de beantwoording van de hier aan de orde zijnde vraag in beginsel niet van belang is of - en zo ja, in welke mate - gegevens en bescheiden waarvan partijen geen kennis hebben genomen, al dan niet nieuwe feiten of argumenten behelzen dan wel daadwerkelijk van invloed zijn (geweest) op de beslissing van de rechter. Gelet op voormeld uitgangspunt is het immers niet aan de rechter, maar aan partijen om te beoordelen of de desbetreffende gegevens of bescheiden nopen tot een reactie. Dit is anders indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan in redelijkheid niet kan worden gezegd dat zij van enig belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak, maar van dit laatste is in het onderhavige geval geen sprake.”
Uw Raad onderzocht verder niet of de inhoud van het proces-verbaal had bijgedragen tot de beslissing van het hof, noch ook wat het hof zou hebben beslist indien het geen kennis had genomen van het proces-verbaal, noch ook of enige reactie op het proces-verbaal denkbaar was waarmee de saniet haar standpunt met kans (hoe gering ook) op succes zou hebben kunnen verdedigen, maar vond voldoende dat in redelijkheid niet van het proces-verbaal kon worden gezegd dat het van geen enkel belang zou kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak en casseerde pardoes het bestreden hofarrest.
3.9
Het ziet ernaar uit dat Uw Raad hiermee met het oog op de vermelde vaste EHRM-rechtspraak afstand heeft genomen van zijn in eerdere arresten gehuldigde zienswijze dat schending van het recht op hoor en wederhoor geen grond is voor vernietiging indien de betrokken partij geen nadeel heeft ondervonden in zijn processuele positie, indien voldoende ander bewijsmateriaal voorhanden was dat op zichzelf de toewijzing van de vordering kan dragen of indien het gegevens (van feitelijke aard) betreft die zonder belang voor de beslechting van de zaak zijn.15
3.10
Dat Uw Raad art. 19 Rv ook in het (evenals het schuldsaneringsgeding op de grootst mogelijke spoed gerichte) onteigeningsgeding van toepassing acht blijkt uit Uw arrest van 26 juni 2015 in de zaak [...] /Noord-Holland.16
3.11
Bij de beantwoording van de vraag of het in het onderhavige geval gaat om een zodanige schending van het recht op hoor en wederhoor dat vernietiging van het bestreden vonnis geboden is, is (in beginsel) dus niet van belang of, en zo ja in welke mate, de e-mail van 2 mei 2016 en de daarbij gevoegde uitspraak van de Afdeling van 26 april 2016 daadwerkelijk van invloed zijn geweest op de beslissing van de rechtbank. Er is mijns inziens in de onderhavige zaak dus geen plaats voor een onderzoek door Uw Raad naar wat de rechtbank zou hebben beslist indien zij geen kennis zou hebben genomen van de uitspraak van de Afdeling. Het was niet aan de rechtbank (en het is naar mijn mening ook niet aan Uw Raad) maar aan de partijen om te beoordelen of de nieuwe informatie noopt tot een reactie.
3.12
Zelfs als de rechtbank tot dezelfde uitkomst zou zijn gekomen maar de e-mail met bijlage slechts als gedingstuk zou hebben aangemerkt zonder daaraan in haar overwegingen enige kenbare conclusie te verbinden zou, denk ik, nog steeds een tot vernietiging van het onteigeningsvonnis nopende schending van hoor en wederhoor voorliggen. Zo willen de rechters in Straatsburg het nu eenmaal en naar hun wil behoren wij ons te voegen. Praktische zin en snelheid van procesgang moeten soms wijken voor het principe. Het valt te betreuren dat de rechtbank hiervan, na het eerste ingrijpen van Uw Raad op 11 december 2015, blijkbaar nog niet was doordrongen.
3.13
Ook de overige ‘geen belang’-verweren die de Gemeente in de schriftelijke toelichting van haar advocaten heeft doen aanvoeren betreffen geen feiten of omstandigheden die de schending door de rechtbank van het recht op hoor en wederhoor verschoonbaar maken en gaan dus niet op.
3.14
Over die verweren wil ik slechts nog dit opmerken: de opmerking van de zoon van [eiser] ter pleitzitting dat de rechtbank de onteigening waarschijnlijk zou laten doorgaan indien het oordeel van de Afdeling in het nadeel van zijn vader zou uitvallen (geciteerd in de schriftelijke toelichting van de mrs. Sluysmans en Wiegerink, nr. 26), kan volgens mij niet worden (en is door de rechtbank blijkbaar ook niet) opgevat als behelzende instemming (als bedoeld in art. 6.1 van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken) van [eiser] ermee dat de rechtbank van het nog onbekende oordeel van de Afdeling zou kennisnemen en zonder hem gelegenheid te geven voor een reactie haar beslissing daarop zou baseren.