Het hof heeft onder meer het volgende geoordeeld:
- Op grond van art. 5 lid 1 Statuut jis art. 3 lid 1, aanhef en onder b, Statuut en art. 94 van de Nederlandse Grondwet moet de rechter in Curaçao wetgeving in formele zin (dus landsverordeningen) toetsen aan een ieder verbindende verdragen, dus in dit geval de door HRC c.s. ingeroepen bepalingen van internationale verdragen (rov. 2.8).
- Op grond van art. 101 van de Staatsregeling van Curaçao kunnen landsverordeningen worden getoetst aan de grondrechten van art. 2-21 van de Staatsregeling (rov. 2.9).
- Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat het EVRM lidstaten niet ertoe verplicht om het huwelijk open te stellen voor paren van hetzelfde geslacht. Art. 12 EVRM – dat voor zover hier van belang bepaalt dat ‘men and women have the right to marry’ – beschermt volgens het EHRM uitsluitend het recht om te huwen met een persoon van het andere geslacht. De art. 8 en 14 EVRM bevatten volgens het EHRM genoemde verplichting niet gelet op art. 12 EVRM, uit welke bepaling volgt dat het EVRM uitsluitend het recht beschermt om te huwen met een persoon van het andere geslacht (rov. 2.10-2.20).
- Wel bevat het EVRM volgens het EHRM voor paren van hetzelfde geslacht een aanspraak op een vorm van geregistreerd partnerschap, onder welke benaming dan ook. Tot het invoeren daarvan rust op de lidstaten een positieve verplichting op grond van art. 8 EVRM (rov. 2.21-2.22).
- Nu Curaçao niet ten minste het geregistreerd partnerschap kent, schendt Curaçao dus art. 8 EVRM (rov. 2.23-2.24).
- Gelet op HR 10 augustus 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3598, NJ 2002/278, rov. 3.9, en HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2888, NJ 2017/132, rov. 3.3.3, kan de rechter wetgeving in formele zin niet buiten toepassing laten op grond van een uitleg van het EVRM die verder gaat dan de uitleg van het EVRM door het EHRM (rov. 2.26-2.28).
- De art. 2, 23 en 26 IVBPR corresponderen met de art. 8, 12, 14 EVRM en art. 1 Protocol nr. 12 EVRM en er is geen goede reden om die artikelen anders uit te leggen (rov. 2.29).
- Art. 3 van de Staatsregeling van Curaçao verbiedt discriminatie. De Staatsregeling van Curaçao bevat geen met art. 12 EVRM en art. 23 lid 2 IVBPR corresponderende bepaling waarin het traditionele huwelijk tussen personen van verschillend geslacht is verankerd. De rechter van Curaçao kan bij de toetsing aan de Staatsregeling op grond van art. 101 daarvan daarom verder gaan dan het EVRM en het EHRM (rov. 2.30-2.32).
- Het ligt voor de hand de grondrechten uit de Staatsregeling van Curaçao op dezelfde wijze uit te leggen als de mensenrechten van het EVRM. Een cruciaal verschil tussen het EVRM en de Staatsregeling van Curaçao is echter dat het EVRM in art. 12 een bepaling kent die het traditionele huwelijk tussen personen van verschillend geslacht verankert en de Staatsregeling van Curaçao een dergelijke bepaling niet kent. Een bepaling met die inhoud vormt dus geen belemmering bij de uitleg van de Staatsregeling (rov. 2.33-2.34).
- Uit de scheiding der machten en het primaat van de wetgever vloeit een zekere door de rechter te betrachten terughoudendheid voort bij de constitutionele toetsing op grond van art. 101 Staatsregeling van Curaçao (rov. 2.35-2.36).
- Er is geen behoorlijke rechtvaardiging voor de uitsluiting van het huwelijk voor paren van hetzelfde geslacht en die uitsluiting is derhalve discriminatoir in de zin van art. 3 van de Staatsregeling van Curaçao (rov. 2.37-2.58).
- Dat Curaçao niet ten minste het geregistreerd partnerschap kent, komt ook in strijd met art. 12 lid 1 Staatsregeling van Curaçao, waarvan de inhoud overeenstemt met art. 8 EVRM. De rechter kan het Land niet bevelen om het geregistreerd partnerschap in te voeren, gelet op HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8462, NJ 2003/691 (Waterpakt), rov. 3.5. Omdat geen uitzicht bestaat op die invoering, acht het hof ook de uitsluiting van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht in strijd met art. 12 lid 1 Staatsregeling (rov. 2.59-2.62).
- Het hof acht het niet buiten zijn rechtsvormende taak gelegen in deze zaak het huwelijk open te stellen. Het rechtstekort bestaat al geruime tijd. De daarvoor benodigde rechterlijke ingreep is technisch niet gecompliceerd. De wijze waarop het huwelijk moet worden opengesteld voor paren van hetzelfde geslacht, is niet afhankelijk van verder te maken keuzen van politieke aard. Het huwelijk is al uitvoerig wettelijk geregeld. Het hof heeft gelet op de Nederlandse Wet openstelling huwelijk en de aanpassingswet van 8 maart 2001, Stb. 2001, 128. Aanpassing van de wetgeving van Curaçao is slechts minimaal nodig. Wat betreft het afstammingsrecht en het gezagsrecht geldt dat deze ongewijzigd kunnen blijven. Het hof laat adoptie buiten de werking van zijn beslissing (rov. 2.63-2.69).
- Het monogamieartikel 1:33 BW Curaçao (‘De man kan tegelijkertijd slechts met een vrouw, de vrouw slechts met een man door het huwelijk verbonden zijn’) moet sekseneutraal worden gelezen als: Een persoon kan tegelijkertijd slechts met één andere persoon door het huwelijk verbonden zijn (rov. 2.71).
- Het hof zal op grond van art. 1:24 BW Curaçao de ambtenaar van de burgerlijke stand van Curaçao opdragen mee te werken aan het aangaan van een huwelijk tussen personen van gelijk geslacht door het opmaken van een akte van huwelijksaangifte en van een huwelijksakte (rov. 2.72).
- De vordering tot een verklaring voor recht dat het Land onrechtmatig heeft gehandeld, wordt afgewezen. Niet is namelijk duidelijk welk belang HRC c.s. bij deze vordering hebben. Bovendien moet aan het Land enige tijd gegund worden de wetgeving aan te passen. Het gaat hier om een gebied van ‘one of evolving rights with no established consensus’ (rov. 2.73).
- Het hof bepaalt dat de verklaringen voor recht en het bevel aan de ambtenaar van de burgerlijke stand geen rechtskracht krijgen voordat zijn vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, omdat het gaat om een maatschappelijk zeer belangrijke en omstreden kwestie. Het is wenselijk dat, indien cassatieberoep wordt ingesteld, de hoogste rechter van Curaçao zich erover uitlaat. Indien de rechtskracht van het vonnis niet wordt uitgesteld, zouden, in het geval de Hoge Raad het vonnis van het hof zou vernietigen, inmiddels voltrokken huwelijken van paren van hetzelfde geslacht nietig moeten worden verklaard door de rechter (rov. 2.75).
Cassatieberoep