2 De feiten en de oordelen van het Gerecht en het Hof
De feiten
2.1
De belastingplichtige is een bankinstelling onderworpen aan het toezicht van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten. Zij heeft op 3 maart 2005 [X] Investments BV (Investments BV) opgericht waarvan ze (indirect) 100% aandeelhouder is. Investments BV heeft geen bankvergunning en valt niet als financiële instelling onder het toezicht van de Centrale Bank. Volgens de oprichtingsakte en de statuten van Investments BV belegt zij vermogen in effecten en deposito’s.
2.2
De belastingplichtige heeft in 2005 voor NAf 17 miljoen aan beleggingen als kapitaal in Investments BV ingebracht en daarnaast voor NAf 40 miljoen aan beleggingen tegen schuldigerkenning overgedragen aan Investments BV. Op de daardoor ontstane vordering op Investments BV heeft zij rente in rekening gebracht.
2.3
Bij brief van 22 maart 2005 heeft Investments BV de Inspecteur verzocht om haar als Vrijgestelde Vennootschap ex art. IA(1)(f) Landsverordening op de winstbelasting 1940 (LWB) (tekst 2005) aan te wijzen. De Inspecteur heeft daar niet op gereageerd. Bij brief van 21 juni 2005 heeft Investments BV de Inspecteur geschreven dat zij geen reactie heeft ontvangen en dat zij er daarom van uitgaat dat haar de status van Vrijgestelde Vennootschap is verleend en dat ook de Inspecteur kennelijk meent dat voldaan is aan de voorwaarde dat Investments BV niet is onderworpen aan het toezicht van de Centrale Bank.
2.4
Investments BV heeft ook na 2005 beleggingen gekocht, maar, omdat zij geen bankrekening had, steeds via de bankrekening van de belastingplichtige, die de kosten verrekende in rekening-courant met Investments BV. De bestuurders van de belastingplichtige besturen ook Investments BV. Al Investments BV’s beleggingen behoeven het fiat van de bestuurders van de belastingplichtige.
2.5
De belastingplichtige heeft op 17 oktober 2014 aangifte winstbelasting 2013 gedaan naar een belastbaar bedrag ad NAf 2.363.318. Het resultaat 2013 van Investments BV bedroeg Naf 3.323.000. De Inspecteur heeft dat laatste bedrag bij naheffingsaanslag winstbelasting 2013 alsnog belast bij de belanghebbende. Die aanslag bedroeg NAf 913.825, nl. 27,5% van NAf 3.323.000.
2.6
De belanghebbende moet jaarlijks geconsolideerde commerciële jaarstukken indienen bij de Centrale Bank. In die jaarstukken 2013 zijn ook de resultaten van Investments BV begrepen. De Centrale Bank is bevoegd om inlichtingen in te winnen bij deelnemingen van de belastingplichtige, zoals de belanghebbende.
2.7
Javier Silvania, minister van financiën van Curaçao postte in 2023 op zijn persoonlijke Facebook-pagina dat in het kader van opschoning van het debiteurenbestand van de ontvanger aanslagen over 2017 en ouder ‘gecanceld’ (“kanselá”) worden. Op die pagina rapporteerde hij daarna over de voortgang van die opschoning en riep hij belastingschuldigen op debiteurenlijsten op te vragen. Tot de gedingstukken behoren de volgende berichten op die privé Facebook pagina:
- op 28 januari 2023 (naast de afdruk van een artikel in Vigilante (el korant di pueblo)):
“Vigilante: Ta kansela TUR debe bieu di impuesto di 2017, 2016, 2015, 2014 etc. Esaki ta konta pa OZB tambe. Den artikulo di Vigilante tin un kleine foutje. Voor de rest e artikulo di Vigilante ta MASTER.
Vertaling:
Vigilate. Alle oude belastingschulden van 2017, 2016, 2015, 2014 ect. worden gecanceld. Dit geldt ook voor de OZB. Het artikel van Vigilate heeft een klein foutje. Voor de rest is het artikel van Vigilante TOP.”
- op 28 januari 2023:
“BREAKING NEWS
Opschoning invorderingsbestand 2017 en ouder van de Ontvanger is in progress. Nos ♥ ta bati pa pa Korsou. Kordi pidi bo debiteurenlijst pa bo kontrola si limpiesa a tuma luga korektamente.
Vertaling:
ALLERLAATSTE NIEUWS
Opschoning invorderingsbestand 2017 en ouder van de Ontvanger aan de gang. Ons ♥ klopt voor Curaçao.
Onthoud om een debiteurenlijst op te vragen om te controleren of de opschoning correct heeft plaatsgevonden.
(…)
Calculated Total
Duration: 28 hours
We are at After
58,9% 09:49:22”
- op 29 januari 2023 (09:57):
“Opschoning invorderingsbestand (..)
We are at After (processing time)
97,9% 15:39:12
(…)
Morning! We zij er bijna”
- op 29 januari 2023 (13:43)
“E prome fase di e limpiesa di e vervuilde invorderingsbestanden di Ontvanger ta kla.
Vertaling:
Eerste fase van de opschoning van de vervuilde invorderingsbestanden van de Ontvanger is klaar.
We are at After (processing time)
100.0% 15:55:28
(…)
Done!#Over&Out”
2.9
Tot de gedingstukken behoren ook door de belastingplichtige bij de ontvanger van Curaçao opgevraagde debiteurenoverzichten van 30 januari 2023, 12 april 2023, 9 mei 2023 en 17 mei 2023. Het overzicht van 30 januari 2023 vermeldt over de naheffingsaanslag winstbelasting 2013 ten laste van de belastingplichtige het volgende:
Aanslagnummer
|
Datum/Periode
|
Totaal Aanslag
|
(…)
|
Totaal Afgeboekt
|
Openstaand
|
(…)
|
Verminderd
|
Belastingmiddel
|
WBA/WBS
|
|
|
|
|
|
|
(…)
|
201340
|
913,825.00
|
|
913,825.00
|
0.00
|
|
913,825.00
|
De debiteurenoverzichten van 12 april 2023, 9 mei 2023 en 17 mei 2023 vermelden de onderhavige naheffingsaanslag niet (meer). De Ontvanger heeft ter zitting van het Hof verklaard dat er op dat moment geen bedrag voor invordering van deze naheffingsaanslag open stond.
2.10
Bij persbericht van 3 april 2023 ‘Aanpassing invorderingsbeleid belastingdienst’ heeft de Minister het invorderingsbeleid als volgt beschreven:
“Sinds 2010 werd een saneringsregel door de Ontvanger toegepast en heeft opschoning van het invorderingssysteem plaatsgevonden. Zo heeft in 2015 een opschoning van het invorderingssysteem plaatsgevonden waarbij voor ruim NAf 900 miljoen aan aanslagen ouder dan 5 jaar buiten invordering is gesteld. De benodigde beleidsmatige en organisatorische aanpassingen om een nieuwe aangroei van het invorderingsbestand te voorkomen zijn destijds echter uitgebleven. Het Kabinet Pisas 2 heeft sinds het aantreden in juni 2021 is prioriteit gegeven aan het innen van openstaande schulden van onder meer belastingen, premies en het wegwerken van administratieve achterstanden bij de belastingdienst. Dit is zeer succesvol geweest voor wat betreft de belasting- en premieopbrengsten en door de belastingdienst zijn veel achterstallige aanslagen opgelegd. Mede door het opleggen van deze achterstallige aanslagen is het invorderingsbestand gegroeid tot een nominaal bedrag van NAf 5,7 miljard aan belasting- en premieschulden verdeeld over ruim 130.000 Crib-nummers. Deze omvang maakt het onmogelijk om met de beschikbare invorderingscapaciteit alle schulden effectief in te vorderen en derhalve dat er prioriteiten moeten worden gesteld bij de invordering van openstaande schulden. Door een team van deskundigen zijn diverse analyses uitgevoerd om vast te stellen op welke wijze het invorderingsbestand tot een beheersbaar niveau kon worden teruggebracht. Hierbij werd duidelijk dat het zoals gebruikelijk hanteren van de dagtekening (datum) van de aanslag als basis voor de prioritering niet tot het gewenste effect zou leiden. Uit internationaal onderzoek (OECD, 2019) is gebleken dat de invorderingskans van belastingschulden afneemt naarmate de tijd voortschrijdt. Soortgelijk onderzoek op Curaçao heeft tot dezelfde conclusie geleid: 50% van de opbrengsten wordt gerealiseerd binnen 2 jaar na het opleggen van de aanslag en 90% binnen 5 jaar. De opbrengst na 5 jaar is derhalve marginaal en daarbij komt dat het invorderen van aanslagen ouder dan 5 jaar vaak relatief meer invorderingscapaciteit eist dan het invorderen van relatief jonge aanslagen. Het invorderingsbestand van de belastingdienst bevatte ultimo 2022 aanslagen welke zelfs nog terug gaan tot het jaar 1994. Teneinde het invorderingsbestand tot een beheersbaar niveau terug te brengen alsmede om de belastingdienst als geheel de gelegenheid te bieden om in de actualiteit te gaan werken is door de belastingdienst een aanpassing doorgevoerd aan het invorderingsbeleid. In de basis komt deze aanpassing erop neer dat aanslagen welke betrekking hebben op de belastingjaren 2017 en ouder niet meer actief worden ingevorderd. Dit betekent nadrukkelijk niet dat de schulden zijn kwijtgescholden, maar dat de belastingdienst de invorderingscapaciteit zal richten op jonge aanslagen met een hoge invorderingskans. Op deze hoofdregel zijn echter 3 uitzonderingen in het invorderingsbeleid opgenomen. Aanslagen over de belastingjaren 2017 en ouder worden wel ingevorderd indien deze zijn opgelegd naar aanleiding van een fiscaal strafrechtelijk onderzoek, indien de belastingschuld over de jaren 2017 en ouder NAf 1 miljoen of hoger bedraagt en de belastingdienst over informatie beschikt waaruit blijkt dat er verhaalsmogelijkheden zijn, of indien de belastingschuld over 2017 en ouder reeds op een derdenrekening (zoals bij een notaris) is voldaan. Deze beleidswijziging heeft ook tot gevolg dat bezwaarschriften over de belastingjaren 2017 en ouder niet meer zullen worden afgehandeld tenzij belastingplichtige aangeeft hier belang bij te hebben. Dit laatste kan het geval zijn indien het toewijzen van het bezwaar tot een restitutie van een reeds betaald of verrekend bedrag kan leiden. Op deze wijze levert de aanpassing van het invorderingsbeleid tevens een bijdrage aan de reductie van de grote voorraad bezwaarschriften. Zo’n 25% van de ongeveer 45.000 bezwaarschriften die nog moeten worden afgehandeld heeft betrekking op de belastingjaren 2017 en ouder. Voor de belastingdienst zijn voor 2023 doelstellingen vastgesteld welke ertoe moeten leiden dat de organisatie nog dit jaar de laatste achterstanden wegwerkt, in de actualiteit gaat en blijft werken en de kwaliteit van de dienstverlening verbetert. Waar mogelijk wordt hierbij gebruik gemaakt van ICT-mogelijkheden. Periodiek wordt door de belastingdienst aan de Minister van Financiën, Javier Silvania, gerapporteerd over de voortgang van deze werkzaamheden en tevens zal de bevolking hier regelmatig over worden geïnformeerd.”
2.11
Op 4 april 2023 heeft de Minister op zijn Facebookpagina een foto van een krantenkop in Papiamento geplaatst met daarbij de volgende vertaling (zie 2.8 hierboven):
“Slecht nieuws voor een groep met belastingschulden van meer dan 5 jaren!! Als de schuld een bestraffend/fiscal karakter heeft of als die groter is dan 1 miljoen.”
2.12
Op 4 april 2023 heeft het Hof het volgende e-mailbericht aan de Inspecteur gezonden:
“Betreft: [Q] NV
Geachte inspecteur (xx),
In verband met het vooronderzoek in de zaak/zaken met bovengenoemd nummer, vraagt de voorzitter van het Hof uw aandacht voor het volgende.
In een persbericht van 3 april 2023 heeft de Minister van Financiën verwoord dat aanslagen welke betrekking hebben op belastingjaren 2017 en ouder niet meer actief worden ingevorderd. In een aantal, in het persbericht nader omschreven, gevallen zal wel worden ingevorderd. Ook is in het bericht vermeld dat bezwaarschriften over de belastingjaren 2017 en ouder niet meer zullen worden afgehandeld tenzij de belastingplichtige aangeeft hierbij belang te hebben.
Het Gemeenschappelijk Hof heeft de behandeling van het hoger beroep dat door [Q] NV is ingesteld gepland op 24-mei-2023. Nu deze datum snel nadert wenst het Gemeenschappelijk Hof, ook in verband met de voorbereidingen van deze zittingsronde, graag duidelijkheid over uw positie.
Het Gemeenschappelijk Hof verzoekt dan ook uw standpunt naar aanleiding van voormeld persbericht van de Minister op korte termijn te vernemen. Meer specifiek wenst het Gemeenschappelijk Hof te vernemen of de aan belanghebbenden opgelegde aanslag(en) nog worden ingevorderd. Zo niet dan komt, door het wegvallen van de invorderingsmaatregelen, het procesbelang wellicht te vervallen.
Het Gemeenschappelijk Hof ziet gaarne uw antwoord binnen één week na dagtekening van deze brief tegemoet. Vervolgens zal een reactie van belanghebbende worden gevraagd.”
2.13
Op 13 april 2023 heeft de Inspecteur geantwoord:
“Uw vraag over de invordering van de aanslag in kwestie heeft de Inspecteur doorgestuurd aan de Ontvanger. De Inspecteur verneem[t] van de Ontvanger dat op basis van het persbericht in onderhavige geval zal worden ingevorderd.”
2.14
Het proces-verbaal van de zitting bij het Hof vermeldt onder meer het volgende:
“De Ontvanger licht toe dat sprake is van een algehele, voorwaardelijke, opschoning van de bestanden. De voorwaarden zijn later, in het persbericht van het Ministerie van Financiën van 3 april 2023, aangeduid. De opschoning wordt teruggedraaid als niet aan de voorwaarden is voldaan. Momenteel staan de aanslagen nog op nihil.
Op de vraag van de rapporteur wat in het persbericht wordt bedoeld met “indien de belastingschuld over de jaren 2017 en ouder NAf 1 miljoen of hoger bedraagt”, verklaart de Ontvanger dat de NAf 1 miljoen ziet op het totaal van alle belastingschulden per kalenderjaar.
Naar aanleiding van de opmerking van de rapporteur dat het de vraag is of de Minister vertrouwen heeft gewekt met de Facebook berichten, verklaart de Ontvanger dat die kwestie naar zijn mening aan de civiele rechter moet worden voorgelegd.
(…)
De Ontvanger verklaart desgevraagd dat geen rechten kunnen worden ontleend aan - niet officiële - publicaties van de Minister op Facebook. Het gaat hier om de bevoegdheid van de Ontvanger.
De rapporteur merkt op dat het gaat om uitlatingen van de Minister en dat de Ontvanger de instructies van de Minister heeft uitgevoerd door de debiteurenlijsten op te schonen.
De Ontvanger verklaart dat de Minister slechts een advies heeft gegeven en dat de beslissing bij de Ontvanger ligt. Het opschonen van de debiteurenlijsten is een massaal proces geweest. Het is de bedoeling de opschoning voor aanslagen van meer dan één miljoen NAf daarna weer terug te draaien. Daar zijn wij momenteel mee bezig. Er is geen sprake van kwijtschelding, maar van buiten invordering plaatsen met de bedoeling dat in bepaalde gevallen later weer terug te draaien. Hij begrijpt dat dit bij belanghebbenden vreemd overkomt. De Minister is verantwoordelijk voor wat hij zegt, maar de Minister kan de Ontvanger geen opdracht geven, alleen een advies.
Naar aanleiding van de opmerking van het Hof dat belastingplichtigen zien dat de Ontvanger reageert op Facebook berichten van de Minister, verklaart de Ontvanger dat alleen hij bevoegd is om in te vorderen. Het is niet abnormaal dat de Ontvanger aanslagen op oninbaar stelt en ze nadien weer laat herleven.
Het Hof merkt op dat ingevolge artikel 10 van de Invorderingsverordening 1954 aanslagen die vijf jaren na de dagtekening daarvan niet zijn ingevorderd, zijn verjaard. Kennelijk zijn er al vijf jaar geen invorderingsmaatregelen genomen. Daar sluit de Minister bij aan. Vervolgens is de afweging gemaakt om oude vorderingen “buiten invordering te stellen”.
(…)
De Ontvanger verklaart dat de Minister van Financiën niet de bevoegdheid heeft om schulden kwijt te schelden. Dat is de bevoegdheid van de Ontvanger.
De rapporteur merkt op dat de Minister wel vertrouwen kan wekken.”
2.15
De Ontvanger heeft in een andere zaak, gepubliceerd onder de nummers CUR2022H00280, CUR2022H00281 en CUR2022H00282, een document genaamd ‘Oninbaar lijden’ overgelegd met de volgende tekst:
“Oninbaar lijden.
Indien de Ontvanger - om welke reden dan ook- de aanslagen niet (meer) kan innen blijven deze voor de onbetaalde bedragen in de geautomatiseerde systeem 'open' staan. Als gevolg hiervan ontstaat systeemvervuiling.
De oninbare bedragen dienen uit de 'aktuele' vorderingenadministratie verwijderd te worden ('oninbaar lijden') en moeten afzonderlijk worden geadministreerd c.q. bewaakt. Reden waarom iemand die een debiteurenlijst opvraagt de oninbaar gelegen aanslagen niet op de debiteurenlijst ziet. (Piepsysteem)
Oninbaar lijden is een administratieve maatregel. De belastingschuldige wordt van deze maatregel niet in kennis gesteld. De aanslagen blijven dus wel invorderbaar indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. (ze zijn niet verjaard)
Bij kwijtschelding van belasting daarentegen gaat de betreffende belastingverbintenis teniet en kan geen betaling meer worden afgedwongen.
Discretionaire bevoegdheid van de Ontvanger
De Ontvanger heeft een discretionaire bevoegdheid. Dat wil zeggen dat de ruimte die de wet hem geeft, alleen hij bevoegd is om het invorderingsbeleid te bepalen. Waar je ook in de invorderingsverordening leest wordt aangegeven dat het "de Ontvanger is en niet de minister".
Dus toezeggingen gedaan door de minister kan de Ontvanger niet binden en dus kan dan ook geen rechten hieraan worden ontleent. Dit wordt hierna toegelicht.
Het vertrouwenbeginsel
Het enkele vertrouwen dat een belastingplichtige ontleent aan een dergelijke gedraging van de belastingadministratie of een toezegging is niet voldoende voor een beroep op het vertrouwensbeginsel.
Dispositievereiste
Voor een beroep op bescherming van het vertrouwen is vereist dat de burger ten gevolge van het vertrouwen in een nadelige positie is komen te verkeren (leest schade lijdt) dan indien die mededeling niet zouden zijn gedaan. (HR 26 september 1979, nr. 19250, BNB 1979/311).
Of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden danwel in een nadelige positie is komen te verkeren door de toezegging van de minister is niet gesteld en ook niet gebleken.”
2.16
Het Hof concludeerde dat de Ontvanger onderscheid maakte tussen het oude beleid van de Minister (tot 3 april 2023) en het op 3 april 2023 gepubliceerde nieuwe beleid dat vanaf 3 april gold. Onder het oude beleid werden alle aanslagen ter zake van 2017 en eerder in het systeem op nihil gezet; op grond van het nieuwe beleid werd een aantal van die aanslagen zo snel mogelijk weer op de oorspronkelijke bedragen gezet in het debiteurensysteem. Als een belastingplichtige vroeg om een overzicht van zijn openstaande aanslagen over 2017 en eerdere jaren, waren de op oninbaar gestelde aanslagen voor hem niet zichtbaar in het actuele debiteurenoverzicht, maar in het systeem dat de Ontvanger ter beschikking staat, waren die aanslagen wél zichtbaar, voor de bedragen van vóór hun opnihilstelling. De Ontvanger lichtte ter zitting toe dat de opschoning van de bestanden massaal en integraal is geschied en dat bedragen van NAf 1 miljoen en hoger handmatig werden teruggeboekt.
Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
6
2.17
Het Gerecht deed uitspraak ruim vóór de weergegeven Facebook-uitlatingen van de minister, dus over het oorspronkelijke materiële geschil over de juistheid van de aanslag. De vraag was of de winst van Investments BV wegens fraus legis als belastbare winst van de belastingplichtige moest worden aangemerkt en zo ja, of de belastingplichtige vertrouwen kon ontlenen aan een (eerdere andere) uitlating van de sector Fiscale Zaken het Ministerie van Financiën van Curaçao.
2.18
Het Gerecht zag voor het (laten) oprichten van Investments BV en het daarin onderbrengen van de effectenportefeuille van de belastingplichtige een doorslaggevend fiscaal motief (het bereiken van een aanzienlijk belastingbesparing), en meende dat daarbij in strijd met doel en strekking van art. 1A(1)(f)(5) LWB 1940 (tekst 2013) was gehandeld. Hij heeft daarom de beleggingen en de (resultaten van de) activiteiten van Investments BV toegerekend aan de belastingplichtige. Over de gestelde vertrouwenwekkende uitlating die door de Sector Fiscale Zaken zou zijn gedaan, oordeelde het Gerecht dat de belastingplichtige tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat enige toezegging zou zijn gedaan.
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie
7
2.19
Bij het Hof ging het niet meer om dat oorspronkelijke materiële geschil omdat de minister inmiddels de boven weergegeven posts op zijn persoonlijke Facebook had geplaatst. De belastingplichtige betoogde dat geen belang meer bestond bij een rechterlijke uitspraak over de naheffingsaanslag, nu het niet meer mogelijk was om hem in te vorderen. Zij wees op de uitlatingen van de minister op Facebook en in kranten en op de omstandigheid dat de Ontvanger conform die uitlatingen de naheffingsaanslag had afgeboekt tot nihil. Het Hof zag dat als een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen dat de Ontvanger de naheffingsaanslag niet zal invorderen, zodat het belang bij een procedure over de heffing is vervallen.
2.20
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel achtte het Hof vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat zij uit de uitlatingen van de Minister in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de Ontvanger de naheffingsaanslag niet meer kan en zal invorderen. Het Hof overwoog dat de Minister via het openbaar toegankelijke online sociaal netwerk Facebook en via berichtgeving in kranten, voor het eerst op 28 januari 2023, zijn inzichten over het aangepaste invorderingsbeleid heeft uitgevaardigd en de voortgang ervan bijgehouden en publiek gemaakt. In die berichtgeving heeft hij op een volgens het Hof niet voor meerderlei uitleg vatbare wijze en zonder voorbehoud bekendgemaakt dat alle belastingschulden c.q. aanslagen ter zake van 2017 en eerder niet meer actief worden ingevorderd (“Alle belastinschulden van 2017, 2016, 2015, 2014 ect. worden gecanceld.”). Ook adviseerde de minister belastingplichtigen om een debiteurenlijst op te vragen om te controleren of de opschoning correct had plaatsgevonden. De Ontvanger heeft vervolgens alle aanslagen over 2017 en eerder in het systeem op nihil gezet. De belastingplichtige heeft conform het advies van de Minister op verschillende tijdstippen debiteurenoverzichten opgevraagd en ontvangen. Op het overzicht van 30 januari 2023 is te zien dat de naheffingsaanslag is afgeboekt en op latere overzichten dat hij niet meer voorkomt op de debiteurenlijst.
2.21
Volgens het Hof kon en mocht de belastingplichtige uit de niet voor verschillende uitleg vatbare en zonder voorbehoud gedane uitlatingen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs afleiden dat de ontvanger de aanslag niet meer kon en zou invorderen. Daaraan doet niet af dat het Ministerie van Financiën later, bij persbericht van 3 april drie uitzonderingen op het tot dan toe ongeclausuleerde invorderingsbeleid voor aanslagen over 2017 en eerder heeft geformuleerd. Aan dat vanaf 3 april 2023 geldende beleid komt volgens het Hof geen terugwerkende kracht toe. De verklaringen van de ontvanger dat (i) geen rechten kunnen worden ontleend aan niet-officiële publicaties van de minister op Facebook, (ii) toezeggingen van de minister de ontvanger niet binden en (iii) de minister slechts een invorderingsadvies heeft gegeven en de uiteindelijke beslissing bij de ontvanger ligt, maken dat niet anders. De Landsontvanger valt onder het Ministerie van Financiën en de minister van Financiën is de verantwoordelijke bewindspersoon. Diens beleidsuitingen binden dan ook de ontvanger. Dat de ontvanger meteen is overgegaan tot opschoning van het gehele bestand van aanslagen van 2017 en ouder, illustreert volgens het Hof dat ook de ontvanger de beleidsuitingen van de minister heeft opgevat als tot hem gerichte instructie.
2.22
Wat het dispositievereiste ex HR BNB 1979/3118 betreft, wees het Hof er op dat u daarvan bent teruggekomen in HR BNB 2022/10,9 inhoudende dat het vertrouwensbeginsel in gevallen zoals dat van de belastingplichtige in de regel meebrengt dat het meerdere boven de belasting die de belastingplichtige op basis van de uitlatingen mocht verwachten, niet kan worden geheven. Wel geldt nog steeds dat de uitlating niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige de onjuistheid redelijkerwijs had kunnen en moeten beseffen, maar daarvan is volgens het Hof in casu geen sprake.
2.23
Het Hof heeft op die basis geconcludeerd dat de belastingplichtige geen belang meer had bij haar hoger beroep, dat hij daarom niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.
Vordering 1: onterechte niet-ontvankelijkverklaring – alsnog inhoudelijke beoordeling
A. De niet-ontvankelijkverklaring wegens gebrek aan belang
3.1
Degene die in bezwaar of beroep komt, moet daarbij een belang hebben. Zo niet, dan is zijn bezwaar of beroep niet-ontvankelijk. Point d’interêt, point d’action; zie onder meer HR BNB 2014/12210. Uit HR BNB 2017/20311 volgt dat deze regel ook geldt voor andere voor bezwaar vatbare beschikkingen dan aanslagen, dus ook voor de verliesvaststellingsbeschikking in die zaak. Het belang bij bezwaar en beroep kan gedurende een procedure vervallen. In de zaak HR BNB 2011/6912 was de inspecteur tijdens de cassatieprocedure geheel aan de klachten van de belanghebbende tegemoetgekomen, waardoor diens cassatieberoep niet meer tot een voor hem beter resultaat kon leiden. U oordeelde:
“3.5.2. In een dergelijk geval is niet langer sprake van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan en dient het beroep in cassatie wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk te worden verklaard (vgl. HR 8 september 2006, nr. 41568, LJN AU4755, BNB 2006/330, vgl. ook reeds HR 8 april 2005, nr. 40149, LJN AT3411, BNB 2005/186). Hetzelfde geldt voor het beroep en het hoger beroep, indien de inspecteur tijdens de behandeling daarvan geheel aan de bezwaren van belanghebbende tegemoet is gekomen. Niet-ontvankelijkverklaring in dergelijke gevallen sluit aan bij de parlementaire geschiedenis van de tweede tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 1991-1992, 22 495, nr. 3, blz. 143). De jurisprudentie van de andere hoogste bestuursrechters is daarmee in overeenstemming.
3.5.3.
Hierbij verdient nog opmerking dat een belang bij een beslissing op het (hoger) beroep of het beroep in cassatie niet kan zijn gelegen in de mogelijkheid dat de rechter het bestuursorgaan veroordeelt tot vergoeding van griffierecht en/of proceskosten. In gevallen waarin een rechtsmiddel niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat het bestuursorgaan geheel aan de bezwaren van de belanghebbende tegemoet is gekomen, behoort de rechter namelijk vergoeding van griffierecht te gelasten, en dient hij als hoofdregel het bestuursorgaan in de proceskosten te veroordelen, tenzij de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende (vgl. HR 20 december 1995, nr. 30728, LJN AA3148, BNB 1996/74 en HR 8 november 2000, nr. 35611, LJN AA8210, BNB 2001/22). Aldus wordt op eenzelfde wijze gehandeld als in gevallen waarin de tegemoetkoming door het bestuursorgaan aan zijn bezwaren de belanghebbende aanleiding geeft zijn rechtsmiddel in te trekken, en hij gelijktijdig op de voet van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht aan de rechter verzoekt om het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten. Eveneens wordt op deze manier één lijn getrokken met gevallen waarin het bestuursorgaan gedeeltelijk aan de bezwaren van de belanghebbende tegemoet komt, en het beroep daarom gegrond wordt verklaard.”
3.2
HR BNB 2023/3113 betrof een in 2005 gefailleerde vennootschap wier faillissement was opgeheven wegens de toestand des boedels en die in het daaropvolgende jaar ophield te bestaan. In 2019 werd de vereffening echter heropend. De belanghebbende wilde een haar in 2004 opgelegde naheffingsaanslag loonheffingen aan de rechter voorleggen. In geschil was of dat kon, nu vast stond dat die aanslag niet was betaald en ook niet meer zou worden betaald vanwege de verjaring van de mogelijkheid tot dwanginvordering. U overwoog:
“4.1.2 Indien het recht op dwanginvordering van een (belasting)schuld is verjaard, is daarmee in beginsel het belang komen te ontvallen aan een rechterlijke beslissing over de hoogte van die (belasting)schuld. Dit kan onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld als de desbetreffende belastingschuldige uitdrukkelijk heeft verklaard te willen voldoen aan de resterende natuurlijke verbintenis. In de hiervoor in 3.3 weergeven oordelen van het Hof ligt besloten dat het dergelijke bijzondere omstandigheden niet aanwezig heeft geacht en dat het ook overigens geen aanwijzingen heeft gevonden dat belanghebbende bij voortzetting van de procedure enig belang kan hebben. In zoverre getuigt de bestreden uitspraak niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zij is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre.
4.1.3
Opmerking verdient dat het oordeel van het Hof over het ontbreken van procesbelang tot gevolg had moeten hebben dat het bij de Rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk is. Het Hof had de uitspraak van de Rechtbank in zoverre moeten bevestigen. Tot cassatie kan dit echter niet leiden omdat belanghebbende geen belang heeft bij vernietiging van de uitspraak van het Hof op dit punt.14”
3.3
Aldus ook het Gerecht in eerste aanleg van Caraçao in de zaken ECLI:NL:OGEAC:2023:6915 en ECLI:NL:OGEAC:2023:124.16 De eerste zaak betrof een op Curaçao gevestigde belanghebbende aan wie op 30 oktober 2020 een naheffingsaanslag omzetbelasting over april 2020 werd opgelegd. Zij ging vergeefs in bezwaar en vervolgens, op 25 januari 2022, in beroep bij het Gerecht. Op 17 januari 2023, dus nog vóór de Minister het in 2.7 hierboven geciteerde bericht op zijn Facebook-pagina plaatste, berichtte de inspecteur het Gerecht per e-mail dat de ontvanger de bestreden aanslag buiten invordering had gesteld en niet meer zou innen. Op dezelfde dag heeft de inspecteur het volgende bericht van de ontvanger aan de inspecteur aan het Gerecht doen toekomen:
“Geachte mevrouw [V],
Middels deze bevestigen wij u dat de Landsontvanger van Curaçao de aanslag OB 2020-04 met nummer [0001] buiten invordering heeft geplaats en dat de belastingplichtige niet verder bemoeilijkt zal worden voor deze.
Vertrouwende u voldoende te hebben geïnformeerd verblijven wij met de meeste hoogachting.
Namens de Landsontvanger van Curaçao,
[M]
Senior Medewerker Invordering
Tel [00]”
Bijgevoegd was een debiteurenlijst van 17 januari 2023 die ter zake van belanghebbendes naheffingsaanslag omzetbelasting april 2020 in de kolom ‘laatst genomen actie’ vermeldde: “Oninbare post - toegewezen”. Volgens het Gerecht bracht die vermelding mee dat het beroep niet meer tot een voor de belanghebbende gunstiger resultaat kon leiden, zodat het belang aan de procedure ontviel. Die vermelding kon volgens het Gerecht gelijk worden gesteld met kwijtschelding (bedoeld zal zijn: verjaring) zoals in HR BNB 2023/31. Het Gerecht verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk. Ook in de zaak OGEAC:2023:124 had de ontvanger tijdens de beroepsprocedure meegedeeld dat de bestreden aanslagen niet meer zouden worden ingevorderd en ook in die zaak verklaarde het Gerecht het beroep daarom niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. In deze twee zaken stond dus net als in HR BNB 2023/31 vast dat dat de belastingschuld niet meer zou worden ingevorderd.
3.4
Van Suilen heeft de hier voor cassatie voorgedragen Hofuitspraak besproken in MBB 2024/14. Hij meent dat in deze zaak, anders dan in de genoemde zaken OGEAC:2023:69 en OGEAC:2023:124, niet vaststaat dat de belastinschuld niet zal worden ingevorderd. Inspecteur noch ontvanger heeft jegens de belastingplichtige een mededeling gedaan zoals in die zaken. De ontvanger, die op verzoek van het Hof mee was gekomen naar de zitting, maakte volgens ’s Hofs zittings-p.-v. en uitspraak onderscheid tussen het ‘oude’ beleid tot 3 april en het ‘nieuwe’ beleid vanaf 3 april van de Minister en verklaarde dat hij op grond van het oude beleid alle aanslagen over 2017 en eerder op nihil had gezet, en op grond van het nieuwe beleid een aantal van die aanslagen zo spoedig mogelijk weer op de oorspronkelijke bedragen had teruggezet in zijn debiteurensysteem. Hij verklaarde verder dat het om een bevoegdheid van de Ontvanger ging en dat de Minister slechts een advies had gegeven, nu de beslissing om in te vorderen bij de ontvanger ligt. Op de vraag van de rapporteur of de Minister vertrouwen had gewekt met diens Facebook berichten, antwoordde de ontvanger dat die vraag zijns inziens aan de civiele rechter moest worden voorgelegd. Van Suilen vindt het opmerkelijk dat het Hof in deze procedure, over een belastingaanslag waarin de inspecteur partij is, beoordeelde of een ander bestuursorgaan – de ontvanger – vertrouwen had gewekt. Hij vroeg zich af wat de ontvanger te maken had met de belastingprocedure, nu hij geen procespartij is en zijn eigen invorderingsbeleid voert dat volgens hem nog onverminderd van kracht is, ook jegens de belanghebbende.
3.5
Ik meen met Van Suilen dat de belastingrechter niet gaat over invorderingshandelingen van de ontvanger, maar alleen over heffingbeschikkingen en uitspraken op bezwaar tegen heffingsbeschikkingen van de inspecteur. De belastingrechter gaat niet over de vraag of, hoe of wanneer de ontvanger een rechtmatig opgelegde en geenszins verjaarde aanslag invordert. ’s Hofs niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen de aanslag had juist tot gevolg dat de titel voor invordering (de aanslag) onherroepelijk werd. Van vermindering of vernietiging van de aanslag is immers geen sprake. De titel voor invordering bestaat onverminderd en thans onherroepelijk voort en niets of niemand – behalve eventueel de burgerlijke restrechter in een executiegeschil – weerhoudt dan de ontvanger rechtens om die titel te executeren, zodat niet gesteld kan worden dat de belastingplichtige geen belang meer bij haar hoger beroep kon hebben.
3.6
Het Hof had zich dus moeten beperken tot beoordeling van de naheffingsaanslag winstbelasting. Hoewel de belastingplichtige zelf de stelling innam dat zijn geen te honoreren belang meer had bij haar hogere beroep, heeft zij haar hogere beroep niet ingetrokken. Nu de aanslag geenszins verjaard was, had het Hof mijns inziens daarom van ambtswege de materiële juistheid van de aanslag moeten onderzoeken. De belastingrechter kan niet bepalen dat een volgens de heffingswetgeving onberispelijke naheffingsaanslag niet voor (dwang)invordering in aanmerking komt. Ook als de Facebook posts van de minster over invordering rechtens relevant vertrouwen zouden kunnen wekken ter zake van de invordering (de executie) zegt dat niets over de rechtmatigheid van de titel voor executie (de aanslagoplegging).
3.7
Ik vorder daarom dat u ’s Hofs uitspraak in het belang der wet casseert en bepaalt dat het Hof het hogere beroep ontvankelijk had moeten achten en (de aanslag en) de uitspraak van het Gerecht inhoudelijk had moeten beoordelen.
B. Inhoudelijke beoordeling van de naheffingsaanslag; doel en strekking van het VV-regime
3.8
Nu een cassatie in het belang der wet niet toe- of afdoet aan de rechten van de partijen en de zaak waarin de vordering daartioe wordt ingesteld niet voor terugwijzing naar de feitenrechter in aanmerking komt, staat het mijns inziens aan de Hoge Raad om die inhoudelijke beoordeling uit te voeren op basis van de vaststaande feiten. Te beantwoorden is dan de vraag of het Gerecht het beroep van de belastingplichtige terecht ongegrond heeft verklaard omdat zij in fraudem legis heeft gehandeld met het laten uitzakken van haar beleggingen om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van het VV-regime voor die beleggingen. Omdat u geen feitenrechter bent en een cassatie in het belang der wet geen invloed heeft op de rechten van de partijen, moet daarbij mijns inziens uitgegaan worden van de juistheid van de feitelijke oordelen van het Gerecht, met name diens oordelen dat de uitgezakte beleggingen tot het bancaire bedrijf horen waarvoor het toezicht van de centrale bank bedoeld is (en dus niet in aanmerking komen voor vrijstelling) en dat er geen serieuze andere dan fiscale motieven bestonden voor het uitzakken van die bancaire beleggingen. Het gaat fiscaal-materieel dan alleen nog om de vraag of het Gerecht zonder strijd met het recht kon oordelen dat, gegeven die feiten, toekenning van de vrijstelling u in strijd zou komen met doel en strekking van de wet die de vrijgestelde vennootschap regelt.
3.9
Die wet is de Landsverordening op de winstbelasting (LWB) 1940, met name art. 1A(1)(f)(5e) LWB (tekst 2013).17 Art. 1A(1)(f) (LWB) verstaat onder een Vrijgestelde Vennootschap (i) een naar het recht van de Nederlandse Antillen opgerichte naamloze of besloten vennootschap, (ii) die door de inspecteur op schriftelijk verzoek ex art. 1A(5e) LWB als zodanig is aangemerkt en (iii) die gedurende het boekjaar zonder onderbreking voldoet aan vijf voorwaarden opgesomd in die bepaling. Art. 1A(1)(f) LWB luidt (tekst 2013):
“1. In deze landsverordening wordt verstaan onder:
(…)
f. Vrijgestelde Vennootschap: een als zodanig door de Inspecteur op schriftelijk verzoek overeenkomstig het vijfde lid aangemerkte naar het recht van de Nederlandse Antillen opgerichte besloten vennootschap welke gedurende het boekjaar zonder onderbreking voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° het bestuur van de vennootschap houdt een register bij waarin de namen en adressen van de uiteindelijke gerechtigden die een belang van tien percent of meer in de vennootschap hebben zijn opgenomen;
2° het bestuur van de vennootschap bestaat uitsluitend uit één of meerdere op de Nederlandse Antillen wonende natuurlijke personen of op de Nederlandse Antillen gevestigde gecertificeerde trustbedrijven dan wel bestuurders van gecertificeerde trustbedrijven en overige bij deze trustbedrijven werkzame personen;
3° het bestuur van de vennootschap maakt jaarlijks een jaarrekening op die door een door de algemene vergadering benoemde onafhankelijke deskundige wordt gecontroleerd en binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar van een goedkeurende verklaring wordt voorzien. Voorts stelt de onafhankelijke deskundige de verklaring, bedoeld in het tiende lid, op indien door de vennootschap in het betrokken boekjaar dividenden zijn genoten als bedoeld in dat lid;
4° de statutaire doelstelling van de vennootschap en haar feitelijke werkzaamheden bestaan uitsluitend of nagenoeg uitsluitend uit het verrichten van kredietuitzettingen, het in licentie geven van intellectuele en industriële eigendomsrechten en soortgelijke vermogensrechten of gebruiksrechten naar het recht van de Nederlandse Antillen of naar het recht van andere landen, beleggen in effecten en deposito’s; en
5° de vennootschap is niet als een bank of andere financiële instellingen onderworpen aan het toezicht van de Bank van de Nederlandse Antillen;”
Het gaat in casu om de 5e voorwaarde onder letter f.
3.10
De MvT licht art. 1A(1)(f)(5e) (tekst 2013) als volgt toe:18
“In onderdeel g (P.J.W.: later vernummerd naar onderdeel f) van het eerste lid zijn de voorwaarden waaraan een Vrijgestelde Vennootschap dien te voldoen in detail uitgewerkt.(...) Als derde voorwaarde is de controle van de jaarrekening door een onafhankelijke deskundige gesteld. Met het stellen van deze voorwaarden wordt beoogd te voorkomen dat Vrijgestelde Vennootschappen voor niet gewenste activiteiten worden gebruikt. Ook de gestelde tweede, vierde en vijfde voorwaarden moeten in dit kader worden gezien.”
3.11
De belastingplichtige betoogde in eerste aanleg dat de wetgever met artikel 1A, lid 1, letter f, ten 5e wilde voorkomen dat het actieve bankbedrijf, dat voor een belangrijk deel bestaat uit bedrijfsmatige kredietuitzetting, in een Vrijgestelde Vennootschap zou worden uitgeoefend en dat belegging niet behoort tot het actieve bankbedrijf, zodat het onderbrengen van beleggingen in een dochtervennootschap met de status van Vrijgestelde Vennootschap niet tegen de bedoeling van de wetgever ingaat. Dat laatste zou ook blijken uit een wetswijziging van art. 1A(1)(f)(5e) LWB per 1 januari 2020, waardoor sindsdien vereist is dat een directe of indirecte deelneming van een bank geen Curaçaose Beleggingsvennootschap (CBV; de opvolgster van de Vrijgestelde Vennootschap) kan zijn, behalve voor zover daarin uitsluitend overtollige liquiditeiten worden belegd. De MvT bij die wijziging zegt daarover het volgende:19
“in onderdeel f, onder 5°, wordt het gebruik van de CBV uitgesloten voor banken en soortgelijke kredietinstellingen die onder toezicht staan van de Centrale Bank van Curagao en Sint Maarten. Deze beperking gaat nu ook gelden voor een lichaam waarin een dergelijke kredietinstelling direct of indirect een belang heeft van tenminste 5%. Indien een dergelijke kredietinstelling een deelneming van 5% of meer verkrijgt in een lichaam dat de status heeft van CBV, vervalt die status dus met terugwerkende kracht tot de aanvang van het lopende boekjaar. Uitzondering op het gebruik van een CBV betreft het beleggen van overtollige liquiditeiten. (..)."
Volgens de belastingplichtige volgt hieruit a contrario dat de wetgever pas vanaf 2020 de bedoeling had om te heffen over beleggingsresultaten van een dochtervennootschap van een bank.
3.12
Volgens het Gerecht volgt uit de tekst van art. 1A(1)(f)(5e) LWB (2013) en de in 3.9 hierboven geciteerde parlementaire toelichting dat de wetgever de resultaten van in elk geval de kernactiviteiten van een bank niet wilde vrijstellen. Hij oordeelde dat de naar Investments BV uitgezakte beleggingen tot die kernactiviteiten behoorden, onder meer omdat beleggingen van wezenlijk belang zijn voor de solvabiliteit en liquiditeit van banken waarop vanwege het maatschappelijke belang daarbij nauwkeurig toezicht wordt gehouden door de Centrale bank. Dat baseert het Gerecht op art. 18(1) Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen 1994 (LTB) dat bepaalt dat de Centrale Bank toezicht houdt op de kredietinstellingen ter uitvoering van haar taak en in het belang van de liquiditeit en solvabiliteit van de kredietinstellingen. Het Gerecht zag daarvoor ook steun in het huidige art. 1 LTB, dat een kredietinstelling omschrijft als een onderneming of instelling die in belangrijke mate haar bedrijf maakt van, onder meer, het ter beschikking krijgen van gelden en het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen en beleggingen. Dat die omschrijving dateert van ná 2005 achtte het Gerecht niet van belang; mijns inziens terecht niet, nu de wezenlijke activiteiten van een bank in 2005 niet anders waren dan in 2013. Op basis van de wettekst, de MvT en het bancaire kernactiviteitkarakter van beleggingen, oordeelde het Gerecht dat de wetgever resultaten van beleggingen van banken niet wilde vrijstellen. Door de beleggingen onder te brengen in een dochter en dier als Vrijgestelde Vennootschap aan te merken, heeft de belastingplichtige dus gehandeld in strijd met doel en strekking van art. 1A(1)(f)(5e) LWB, aldus het Gerecht. Uit de wijziging per 1 januari 2020 van de wettekst volgt niet dat het tot 2020 niet de bedoeling was om van de vrijstelling uit te sluiten de bijzondere situatie waarin een bank haar beleggingen in een 100% deelneming onderbrengt die niet onder toezicht van van de Centrale bank staat. De wetswijziging brengt het Gerecht in verband met een uitspraak van het Gerecht van 14 december 201820 inhoudende dat het feit dat de moedermaatschappij onder toezicht van de Centrale Bank staat, niet betekent dat ook de dochtermaatschappij is onderworpen aan dat toezicht.
3.13
Dit oordeel lijkt mij rechtskundig juist. De vijfde voorwaarde sluit de status van Vrijgestelde Vennootschap uit voor banken en soortgelijke kredietinstellingen onder toezicht van de Centrale Bank. Deze voorwaarde moet worden gelezen worden in het licht van de wens om te voorkomen dat Vrijgestelde Vennootschappen voor bancaire activiteiten worden gebruikt. Het Gerecht heeft geoordeeld dat beleggingen zoals die van de belastingplichtige, die zij zonder zelfs maar bankrekening heeft laten uitzakken naar haar 100%-dochter Investmnents NV met hetzelfde bestuur als de belastingplichtige, een bancaire activiteit zijn, zelfs een kernactiviteit, en dus naar doel en strekking van de wet zijn uitgesloten. Dat oordeel is deels verweven met feitelijke waarderingen waarover u niet gaat en die mij geenszins onbegrijpelijk voorkomen.
C. Beoordeling van de toepassing van het vertrouwensbeginsel? Cassatietechniek in het belang der wet
3.14
Gegeven mijn in 3.5 en 3.6 hierboven weergegeven conclusie en vordering, lijkt het in beginsel niet aan uw belastingkamer, evenmin immers als aan de belastingkamer van het Hof, om te oordelen over de invorderbaarheid van de naheffingsaanslag, dus ook niet over de vraag of door de minister gewekt vertrouwen dat die aanslag ‘gecanceld’ is, rechtens gehonoreerd moet worden jegens de ontvanger. De belastingrechter gaat immers, zoals boven betoogd, niet over de executie van de titel, maar alleen over de titel zelf. Het gaat hier echter om een vordering tot cassatie in het belang der wet. Dat buitengewone rechtsmiddel is onder meer bedoeld om onjuiste uitspraken uit de boeken te verwijderen om te voorkomen dat zij heersende leer kunnen worden, en heeft geen gevolgen voor de rechtspositie van de partijen. Ik meen daarom dat u – desgewenst in een civiele of gemengde zetel21 – ook uitspraak in het belang der wet zou moeten doen over de vraag of het vertrouwensbeginsel in casu inderdaad, zoals het Hof heeft geoordeeld, aan invordering in de weg staat, nu ’s Hofs uitspraak juist op dat punt beroering heeft gewekt in De West.22 In de commentaren op ’s Hofs uitspraak is de vraag opgeworpen of het zich in de civiele rechtspraak aftekenende pokopoko-beginsel (van Europees Nederland afwijkende landsomstandigheden kunnen afwijking meebrengen in de toepassing van het vertrouwensbeginsel ter zake van uitlatingen en handelingen van de overheid) ook in fiscale kwesties in acht genomen zou moeten worden. Deze zaak lijkt zich daarvoor in het bijzonder te lenen omdat het gaat om het eerste geval van regeren via een persoonlijke account op (a)sociale media en omdat het weliswaar om invordering van belastingen gaat, maar tegelijk om een executiegeschil dat – mijns inziens - door de civiele rechter beoordeeld had moeten worden, zodat ook de rechtseenheidsvraag in het oog springt.
3.15
Ik merk daarbij nog het volgende op: mijn conclusie en vordering impliceren dat ’s Hofs uitspraak de titel voor invordering onherroepelijk heeft gemaakt en dat de ontvanger dus in beginsel zou kunnen invorderen. Daartegen zou de belastingplichtige, inmiddels belastingschuldige, zich teweer kunnen stellen bij de burgerlijke rechter. Men zou dus kunnen stellen dat niet alle gewone rechtsmiddelen zijn uitgeput, maar ik meen dat het om de uitspraak van de belastingkamer van het Hof gaat; daartegen staan geen gewone rechtsmiddelen meer ter beschikking, nu de cassatietermijn ruim verstreken is.
3.16
Gezien het bovenstaande, rijst ook de vraag of uw aanstaande uitspraak in deze zaak, hoewel alleen in het belang der wet bedoeld, niet toch gevolgen kan hebben voor de rechtspositie van de partijen. Als ook u meent dat ’s Hofs niet-ontvankelijkverklaring onjuist was en de naheffingsaanslag juist daardoor onherroepelijk is geworden als titel voor invordering, staat daarmee vast dat de belastingplichtige in fraudem legis heeft gehandeld en wordt bevestigd dat de ontvanger kan invorderen zonder dat dat fiscaalrechtelijke oordeel over de aanslag nog aan de orde gesteld kan worden, want daarover kan de executierechter zich op haar beurt niet uitlaten. Ik meen echter dat die situatie hoe dan ook al bestaat sinds de cassatietermijn tegen ’s Hofs mijns inziens onjuiste uitspraak verstreek. Voor het onwaarschijnlijke geval dat de ontvanger op die basis toch nog invorderingsmaatregelen neemt, waartegen de belastingplichtige zich ongetwijfeld zal verzetten, ware door u -eveneens in het belang der wet - op te merken dat wat er ook zij van de gerechtvaardigdheid van vertrouwen op uitlatingen op persoonlijke Facebook-pagina’s, de belastingplichtige/-schuldige in deze zaak in elk geval op ’s Hofs – mijns inziens onjuiste, maar onherroepelijke - oordeel mag vertrouwen dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan invordering. De belastingplichtige mag er mijns inziens op vertrouwen dat het Hof, dat over zijn eigen bevoegdheid gaat, bevoegd was om daarover met gezag van gewijsde uitspraak te doen, te meer nadat de inspecteur daartegen geen cassatieberoep bleek in te stellen.
4.
De ‘opschoning’ van het debiteurenbestand van de Landsontvanger van Curaçao - documentatie
4.1
Dit onderdeel is lang en saai, maar informatief ter zake van de achtergrond en voorbereiding van de ‘opschoning’ van het debiteurenbestand van de ontvanger van Curaçao. Het is grotendeels gebaseerd op een tijdlijn opgesteld door het in strafrecht gespecialiseerde advocatenkantoor De Roos & Pen B.V. dat door de minister van financiën van Curaçao om advies is gevraagd over zijn positie in verband met de effecten van (de openbaarmaking van) zijn opschoningsinitiatief. Diverse openbare bronnen23 betwijfelden de rechtmatigheid van dat initiatief en wezen op art. 2:344 van het Wetboek van Strafrecht van Curaçao,24 dat als volgt luidt:
“Titel XXVIII Ambtsmisdrijven
Artikel 2:344
1. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft de minister die:
a. zijn medeondertekening verleent aan een landsbesluit of ministeriële beschikking in de wetenschap dat daardoor enige bepaling van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, van een rijkswet, van de Samenwerkingsregeling Aruba, Curaçao en Sint Maarten of van enige andere in Curaçao geldende wettelijke regeling wordt geschonden;
b. uitvoering geeft aan een landsbesluit of ministeriële beschikking in de wetenschap dat dat besluit of die beschikking niet van de vereiste medeondertekening van een of meer ministers is voorzien;
c. een handeling verricht, een besluit neemt of een bevel geeft in de wetenschap dat daardoor een bepaling van de in onderdeel a bedoelde wettelijke regelingen wordt geschonden;
d. opzettelijk en wederrechtelijk nalaat uitvoering te geven aan een of meer van de in onderdeel a bedoelde bepalingen, voor zover die uitvoering wegens de aard van de aangelegenheid tot zijn verantwoordelijkheid behoort of hem uitdrukkelijk is opgedragen.”
4.2
De stichting Fundashon Dos Bui pa Korsou heeft op 2 april 2024 zelfs aangifte gedaan tegen de minister en het openbaar ministerie (OM) om strafvervolging verzocht. Op 12 augustus 2024 heeft zij vervolgens een klaagschrift ex art. 15 van het Wetboek van Strafvordering van Curacao ingediend bij het Gemeenschappelijk Hof wegens het uitblijven van een reactie van het OM omtrent strafrechtelijke vervolging van de minister wegens diens instructie aan de Landsontvanger om af te zien van invordering van alle vaststaande en nog op te leggen belastingaanslagen over 2017 en eerdere jaren. Het Hof heeft de klacht afgewezen25 omdat de klaagster krachtens haar doelstelling niet een belang behartigt dat door de beslissing tot niet-vervolging of het uitblijven van een vervolgingsbeslissing rechtstreeks wordt getroffen.
4.3
Het op 1 oktober 2024 gepubliceerde advies van De Roos & Pen26 heeft vier bijlagen: (I) een overzicht van de documenten waarvan de adviseurs kennis hebben genomen maar waarvan geen vindplaatsen zijn opgenomen; (II) een tijdlijn gebaseerd op de documenten genoemd in bijlage I; (III) een opinie van Prof. dr. P. Kavelaars en (IV) een opinie van Prof. mr. dr. A.C.G.A.C. De Graaf. Ik heb dit advies gebruikt als basis voor de hieronder opgenomen weergave van de ontwikkeling van de opschoning van het debiteurenbestand van de ontvanger. Ik geef aan waar ik de primaire bron niet zelf heb kunnen raadplegen.
4.4
Op 28 juni 2021 heeft de Sectordirecteur Fiscale Zaken (SFZ) van Curaçao de Minister op diens verzoek geadviseerd over een ontwerp Ministeriële regeling ter invordering van belastingen dat ik niet heb kunnen vinden op de geëigende websites. Die directeur concludeerde dat (i) regulering aangaande invordering alleen bij landsverordening kon geschieden; (ii) de ontvanger niet bevoegd is tot het inkorten van openstaande belastingschulden en (iii) oninbaar lijden van belastingschulden geen wettelijke grondslag heeft omdat het organisatiebesluit Belastingdienst is vervallen bij de inwerkingtreding van de Landsverordening Organisatie Landsoverheid. Het advies luidde als volgt:
“Grondslag invordering
Wij begrijpen dat de wettelijke grondslag voor het ontwerp artikel 2, derde lid, onderdeel d, en artikel 2, vierde lid, van de Landsverordening financieel beheer is.
De Landsverordening financieel beheer richt zich op de rechtmatige, ordelijke, controleerbare, doelmatige en doeltreffende inrichting van het geheel van beslissingen, handelingen en regels ter sturing en beheersing van de financiële stromen door de overheidsorganisaties, alsmede de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. Immers, de Landsverordening financieel beheer is gericht op de interne beheersing van de financiële stromen. De relatie tussen de bestuurlijke leiding en ambtelijk apparaat, alsmede in het ambtelijk apparaat onderling, staan hierin centraal. De Landsverordening financieel beheer biedt, gezien voornoemde doel en strekking, geen grondslag voor de vaststelling van nadere regels met betrekking tot de invordering van belastingen.
Zoals bij u reeds bekend zijn de thans geldende wettelijke regelingen voor de invordering van de directe belastingen de Landsverordening op de invordering van directe belastingen 1943 en de Invorderingsverordening 1954. Voor wat betreft de invordering van de indirecte belastingen zijn de regels aangaande de invordering van omzetbelasting geregeld in Hoofdstuk VII van de Landverordening omzetbelasting 1999 en de regels aangaande de invordering van invoerrechten en accijnzen geregeld in Hoofdstuk II, Elfde afdeling, van de Algemene Verordening I.U. en D. 1908.
Artikel 84 van de Staatsregeling van Curaçao bepaald, zoals bij u reeds bekend, dat het opleggen van belastingen en andere heffingen bij landsverordening worden vastgesteld. De memorie van toelichting hierop bepaalt dat (…) de heffing van belastingen bij landsverordening wordt geregeld en verzekert dat de heffing van belastingen op een wettelijke grondslag dient te berusten. Onder opleggen van belastingen wordt impliciet ook invordering van belastingen mee bedoeld. Dit betekent dat overeenkomstig de Staatsregeling van Curaçao ook regels aangaande invordering bij landsverordening moeten worden vastgesteld. De formele wetgever heeft in dit kader geen bevoegdheid tot delegatie gegeven om zodoende nadere regels vaststellen.
Naar aanleiding van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat regels aangaande de invordering slechts bij landsverordening dient te geschieden. Het thans vaststellen van nadere regels middels een ministeriële regeling is daarom niet mogelijk.
Toetsing van het ontwerp
Op basis van bovengenoemde landsverordeningen heeft de wetgever de Ontvanger beperkte beleidsruimte gegeven in het kader van het verlenen van uitstel van betaling of het verlenen van gemakkelijker betalingsvoorwaarden aan belastingplichtigen voor de directe belastingen, invoerrechten, accijnzen en afvalstoffenbelasting. De grondslagen voor voornoemde beleidsruimte zijn opgenomen in de Invorderingsverordening 1954 respectievelijk de Algemene Verordening I.U. en D. 1908 De directe belastingen zijn zoals bij u reeds bekend de inkomstenbelasting, de loonbelasting, de winstbelasting, successiebelasting, de overgangsbelasting en de onroerende-zaakbelasting. Voor wat betreft de omzetbelasting heeft de Ontvanger slechts beleidsruimte voor het verlenen van uitstel van betaling.
In het kader van het rechtzekerheidsbeginsel kan de Ontvanger naar aanleiding van het bovenstaande beleidsregels met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling of het verlenen van gemakkelijker betalingsvoorwaarden voor de directe belastingen, de invoerrechten, de accijnzen en de afvalstoffenbelasting vaststellen en publiceren. Voorts kan de Ontvanger beleidsregels met betrekking tot uitstel van betaling voor de omzetbelasting vaststellen en publiceren.
De bevoegdheid die de wetgever aan de Ontvanger heeft gegeven ziet niet op het inkorten van de openstaande belastingschulden van belastingplichtigen. Derhalve heeft de Ontvanger geen beleidsruimte ter vaststelling van hetgeen opgenomen in artikel 9 van het ontwerp ministeriële regeling. Het inkorten van de openstaande belastingschulden van belastingplichtigen dient, overeenkomstig artikel 84 van de Staatsregeling van Curaçao, bij landsverordening plaats te vinden. Voorts informeren wij u dat het oninbaar lijden niet is opgenomen in wetgeving. Het organisatiebesluit Belastingdienst is niet meer van toepassing. Bij de inwerkingtreding van de Landsverordening Organisatie Landsoverheid is voornoemd landsbesluit komen te vervallen.
Bijgevoegd27 treft u naar aanleiding van bovenstaande het door ons aangepast ontwerp. Indien u zich kunt vinden in de door ons aangepast ontwerp dan geven wij u in overweging dit aan de Ontvanger ter bekendmaking te laten toekomen.”
4.5
Op 1 november 2021 heeft de minister richtlijnen28 ter invordering van openstaande schulden bij de ontvanger vastgesteld die blijkens hun toelichting structuur en uniformiteit moeten brengen in het invorderingsproces en de rechtszekerheid van burgers moeten waarborgen. Die richtlijnen publiceerde bestaand intern beleid van de ontvanger. Uit de toelichting volgt dat zij ervoor moeten zorgen dat de medewerkers van de ontvanger het invorderingsproces zonder aanziens des persoons voor alle belastingschuldigen volgen. Zij houden niets in dat lijkt op de posts die de minister later, op 28 januari 2023, op zijn Facebook pagina zette:
“Artikel 2
1. De Ontvanger kan een belastingschuldige op verzoek in de gelegenheid stellen zijn totale openstaande schuld te voldoen in maandelijkse gelijke termijnen. De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder dan NAf 50.000.
(…).
4. De aflossingsperiode bedraagt ten hoogste 48 maanden te rekenen vanaf de datum waarop de Ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat.
5. Nieuwe aanslagen die ontstaan na bet treffen van een betalingsregeling en waarvan bet bestaan of onbetaald laten niet aan de belastingschuldige zijn toe te rekenen, kunnen door de Ontvanger op verzoek van de belastingschuldige, aan de bestaande regeling worden toegevoegd onder de voorwaarde dat:
a. de belastingschuldige zijn gehele betalingscapaciteit al heeft ingezet in het kader van de bestaande betalingsregeling; en
b. de nieuwe belastingaanslagen middels verhoging van het termijnbedrag binnen de reeds afgesproken aflossingsperiode worden voldaan.
6. Bij overschrijding van de termijn van 48 maanden kan de restantschuld buiten invordering worden geplaatst op voorwaarde dat belastingschuldige 48 maanden conform afspraak heeft betaald en er de komende vijf jaren geen nieuwe belastingschulden worden opgebouwd.
7. Het buiten invordering laten van de restantschuld zoals genoemd in het zesde lid, kan slechts geschieden met goedkeuring van de Minister van Financiën
8. Voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, waarvan het maandelijks inkomen uitsluitend bestaat uit een uitkering ingevolge de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering en waarvan bet betalingscapaciteit nihil is, worden de schulden die zien op de onroerendezaakbelasting als bedoeld in de Landsverordening onroerendezaakbelasting 2014 en schulden op grond van de Grondbelastingverordening 1908 buiten invordering gesteld.
(…).
Artikel 8
1. Bij betaling van belastingaanslagen, premies volksverzekeringen en werknemersverzekeringen, overige middelen en boetes met een dagtekening van 31 december 2020 en ouder kan de belastingschuldige een beroep doen op een sanering van de openstaande schulden. De hoogte van het saneringsbedrag is afhankelijk van het ineens betaalde bedrag.
2. De sanering wordt verleend conform de navolgende tabel.
(…)
6. Het bedrag bedoeld in het tweede lid wordt door de Ontvanger definitief toegekend nadat de belastingschuldige, voor een aaneengesloten periode van ten minste 48 maanden na een beroep te hebben gedaan op dit artikel, aan alle aangifte- en betalingsverplichtingen heeft voldaan.
(…).
11. Dit artikel kan per belastingschuldige slechts een maal worden toegepast en is van toepassing tot en met 31 december 2021. Deze termijn kan door de Minister worden verlengd.
Artikel 9
Deze richtlijnen treden in werking met ingang van publicatie en werken terug tot 12 juli 2021.
(…).”
4.6
De tijdlijn opgesteld door De Roos & Pen vermeldt dat tussen 26 en 28 mei 2022 een mailwisseling plaatsvond tussen leden van het ondersteuningsteam (ik neem aan: van de ontvanger) en ambtenaren van de Belastingdienst, met de Landsontvanger in cc, met input voor een ‘conceptrapport versie 0.3’ over de opschoning van het invorderingsbestand. Op 28 mei heeft vervolgens een lid van het ondersteuningsteam van de ontvanger een mail naar de Minister gestuurd met een conceptrapport ‘Opschoning invorderingsbestand Belastingdienst Curaçao’ (‘versie 0.4’). Ik heb die e-mails niet tot mijn beschikking, maar citeer uit het advies van De Roos & Pen (zonder voetnoten):
“28 mei 2022: een lid van het ondersteuningsteam van de Ontvanger (werkzaam bij SOAB) mailt de Minister het conceptrapport getiteld "Opschoning invorderingsbestand Belastingdienst Curaçao" met ondertitel "Een pragmatische aanpak om in de actualiteit te kunnen gaan werken", versie 0.4. Uit de mail volgt dat het conceptrapport eerst is besproken binnen het managementteam van de Belastingdienst en het ondersteuningsteam. Het conceptrapport beschrijft 3 opschoningsacties:
1. Het oninbaar lijden van ‘verjaarde’ aanslagen;
2. Het buiten invordering stellen van aanslagen met dagtekening > 5 jaar; en
3. De implementatie van een zogenaamde tax-credit van NAf 2.500.
(i) Omdat actie 3 een neerwaarts compliance risico in zich draagt, is er ook een actie 3b. Bij deze variant wordt de tax-credit alleen toegerekend aan belastingschuldigen en tot het bedrag aan openstaande schulden met een maximum van NAf 2.500.
Het conceptrapport is besproken binnen het kabinet van de Minister waarin het goedkeuringstraject is afgestemd en, gezien de omvang van de bestandsopschoning, is afgesproken adviezen te vragen aan de Sociale Verzekeringsbank ("SVB"), Stichting Overheidsaccountantsbureau ("SOAB"), College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten ("Cft") en de Sectordirecteur Financieel Beleid en Begrotingsbeheer ("SDFBB") van het Ministerie van Financiën.”
4.7
Het advies van de genoemde SDFBB heb ik niet kunnen vinden. Volgens De Roos & Pen heeft deze Sectordirecteur op 2 juni 2022 geadviseerd over het conceptrapport van 28 mei 2022.29 Hij zou geen budgettair bezwaar hebben tegen de opschoningsacties en aangeraden hebben (fiscaal) juridisch advies in te winnen bij de SVB. De SDFBB zou ook al op 28 juni 2021 geadviseerd hebben over de eerste twee opschoningsacties. Ook dat advies heb ik niet kunnen vinden.
4.8
Op 27 juni 2022 is de Stichting Overheids Accountants Bureau (SOAB)30 in een memo ingegaan op het plan van aanpak van de "Opschoning invorderingsbestand Belastingdienst Curaçao. Een pragmatische aanpak om in de actualiteit te kunnen gaan werken." Het deel over oninbaar lijden en buiten invordering stellen van aanslagen luidt als volgt:31
“Wettelijke grondslagen en advies per opschoningstraject
Op basis van de voorgestelde opschoningstrajecten en de voorgestelde aanpak stellen wij de volgende aanbevelingen voor die in overweging genomen kunnen worden. Tevens geven wij per opschoningstraject de risico’s weer en de te implementeren interne beheersmaatregelen.
1. Het oninbaar lijden van verjaarde aanslagen.
Risico:
Het oninbaar lijden van posten die niet verjaard zijn door verkeerde interpretatie van wetgeving hieromtrent
Beheersmaatregel/ aanbeveling:
Met betrekking tot het oninbaar lijden van posten die reeds verjaard zijn, zijnde posten waarbij er binnen de 5 jaren geen invorderingsactiviteiten hebben plaats gevonden willen wij aangeven dat hierbij uit dient te gaan van de juiste stuitingsmaatregelen om de post als verjaard te kunnen aanduiden. De verjaring en stuiting van directe belastingen wordt geregeld in de invorderingsverordening 1954 artikel 10. Uitstel van betaling, bijvoorbeeld, kan daarbij niet als stuitingsgrond worden gekwalificeerd voor de verjaring van de aanslagen. Hiervoor bevelen wij aan om een normenkader op te stellen op basis van de wet- en regelgeving en t.b.v. de eenduidigheid met de specifieke criteria wanneer de posten als verjaard gekwalificeerd dienen te worden t.b.v. te draaien verjaringsquery en het massaal op OP lijden van de post en t.b.v. de volledigheid hiervan.
Verder dient hierbij rekening gehouden te worden dat wettelijk het verzoek om de post OP te lijden i.v.m. verjaring door de belastingplichtige wordt ingediend. Hierbij dient ook een vastlegging en formele goedkeuring van de verjaringsquery door de minister en weliswaar de directie fiscale zaken geregeld te zijn.
2. Buiten invordering stellen van aanslagen ouder dan 5 jaar.
Risico's:
Het buiten de invordering stellen van invorderbare aanslagen.
Het betichten van willekeur bij de aanslagen die buiten de invordering worden gesteld en ouder dan 5 jaar zijn,
Het buiten de invordering stellen van aanslagen ouder dan 5 jaar waar weliswaar op wordt afbetaald,
Beheersmaatregel/aanbeveling:
- Alvorens over te gaan tot het buiten de actieve invordering te stellen van "alle" aanslagen ouder dan 5 jaar, is het aan te bevelen om als eerst de ambtshalve opgelegde aanslagen buiten de actieve invordering te stellen voor zover deze ouder dan 5 jaar zijn. Hiermee is dan een eerste stap gezet in het opschonen van het invorderingsbestand.
- Vervolgens dient een query gemaakt te worden van rechtspersonen met openstaande schulden ouder dan 5 jaar waarbij bekend is bij de belastingdienst en de Landsontvanger, dat zij niet meer actief of operationeel zijn. Voor zover er voor deze groep in de afgelopen periode geen invorderingsmaatregelen zijn uitgevoerd dient deze groep vervolgens ook buiten de actieve invordering te worden gesteld.
- In overweging wordt gegeven om aanslagen ouder dan 5 jaren waarbij een betalingsregeling staat geregistreerd, maar niet wordt nageleefd door de belastingplichtige, deze niet buiten de invordering te stellen, maar te heronderhandelen.
- Voor het restant van het bestand met openstaande aanslagen ouder dan 5 jaren, geven wij in overweging, om alvorens deze buiten de invordering te stellen, de betaalcapaciteit/ liquiditeit van met name de (grote) rechtspersonen te beoordelen. In plaats van het in zijn geheel buiten de invordering stellen van de (oude) schuld is het invoeren van een eenmalige betaal actie in de vorm van een saneringsregeling ook een mogelijkheid. Alhoewel ze niet oninbaar worden geleid is het de verwachting dat deze schulden nimmer meer terug worden gehaald t.b.v. de invordering.
- Het creëren van een nieuwe Code in GOS ter identificatie van de posten die ouder dan 5 jaren buiten de invordering zijn gesteld.
Wij kunnen ons vinden in de overige uitzonderingen die in het PVA worden gemaakt, zijnde:
- Aanslagen OZB en erfpacht van belastingschulden die nog over onroerende zaken beschikken.
- Invorderingsdossiers die nog in een actief invorderingstraject zitten en of waarvan bekend is dat verhaalsmogelijkheden aanwezig zijn. Hierbij dient namelijk ook in overweging genomen te worden of het actief invorderingstraject tot aanzienlijke teruggang leidt van de openstaande schuld, want dat is niet altijd het geval.
- Aanslagen die in een actieve betalingsregeling zijn opgenomen
- Premie aanslagen tot dat goedkeuring van SVB is ontvangen om deze strategie toe te passen.
(…).”
4.9
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) is advies gevraagd over dezelfde opschoning van de invorderingsinspanning ter zake van premies voor de invordering waarvan de SVB bevoegd is. De SVB vond de opschoning om praktische redenen aanbevelenswaardig, maar zijn advies van 28 juni 2022 was niettemin kritisch:
“INVORDERINGSBESTAND NAAR OUDERDOM (DAGTEKENING) PER 30.04.2022
In verband met de opschoningsacties wil de SVB de volgende opmerkingen plaatsen:
1. De verjaringstermijn is in de regel 5 jaar en de premieschuldige moet een beroep doen op verjaring. In het voorgestelde opschoningsactie is er sprake van oninbaar lijden van ‘verjaarde’ aanslagen. Dit betekent dat automatisch de Ontvanger zelf verjaringstermijn gaat toepassen zonder dat de premieschuldige een beroep erop heeft gedaan. Met andere woorden door toepassing van automatische verjaring wordt voor een bedrag van NAf. 533.859.170 opgeschoond.
2. Het buiten invordering stellen van aanslagen met een dagtekening > 5 jaar betekent ook dat de premieschuldige geen beroep zal moeten doen op verjaring, maar alles wordt automatisch door de Ontvanger gedaan voor de nalatige premieschuldige.
3. De implementatie van een zogenaamde ‘tax-credit’ voor een bedrag van NAF. 2.500 wordt als een beloning gezien voor de nalatige premieschuldige, maar anderzijds kan dit de inning en invordering van de andere, meer significante, uitstaande premies positief beïnvloeden, doordat dan meer aandacht aan deze posten kan worden besteed.
Hoewel deze opschoning het afzien van een deel van de uitstaande premies betekent, is de SVB van mening dat het om praktische overwegingen toch aanbevelingswaardig is.
(…)”
4.10
Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Cft) heeft de Minister bij brief van 13 juli 2022 geadviseerd ter zake van opschoning van het invorderingsbestand. De Minister heeft die brief op zijn persoonlijke Facebook-pagina gezet. Omdat raadpleging op de Facebook-pagina lastig is, en trouwens onmogelijk voor iedereen die niet op Facebook zit, citeer ik het advies (ik laat sommige voetnoten weg):
“Achtergrond
Curaçao is in 2021 gestart met een project ter verhoging van de belastingcompliance en optimalisatie van de belastinguitvoering. Deze inspanningen hebben geleid tot een aanmerkelijke verhoging van de belastingbaten vanaf het derde kwartaal 2021. Het Cft heeft hier in meerdere reacties en adviezen bij stilgestaan.32 Een belangrijk onderdeel van het project is het wegwerken van de administratieve achterstanden binnen de Belastingdienst en het terugbrengen van het invorderingsbestand. Dit zou de Belastingdienst In staat moeten stellen meer ‘In de actualiteit' te werken, waardoor de belastingcompliance verder kan worden verbeterd en de behaalde resultaten structureel kunnen worden geborgd. Het Cft wordt middels maandelijkse rapportages over de voortgang van het project geïnformeerd.
Plan van aanpak opschoning
Uit de maandelijkse rapportages blijkt dat, hoewel hogere belastingbaten worden gerealiseerd en optimalisaties in de organisatie worden doorgevoerd, het Invorderingsbestand onverminderd groot blijft. Uit de toelichting kan worden opgemaakt dat de redenen hiervoor divers zijn. Zo is het invorderingsbestand door onvoldoende datakwaliteit en data-uitwisseling ‘vervuild’ met onjuiste (deels taxatieve) aanslagen. Daarnaast is de capaciteit van het apparaat onvoldoende om de opgebouwde hoeveelheid aanslagen en bezwaarschriften efficiënt te verwerken. Een efficiënte aanpak van deze problematiek wordt bovendien bemoeilijkt door de beperkte digitalisering en tekortkomingen in de bestaande IT-infrastructuur.
Het opgestelde plan van aanpak is erop gericht het aantal uitstaande aanslagen substantieel te verlagen, om zo tot een beter beheersbare omvang en samenstelling van het invorderingsbestand te komen. Hierdoor kan de beschikbare invorderingscapaciteit efficiënter worden ingezet en meer worden gericht op kansrijke invorderingen. Ook worden de werkzaamheden bij de inspectie verlicht, doordat een groot deel van de bezwaarschriften in beginsel niet meer inhoudelijk hoeft te worden behandeld. Het plan van aanpak gaat uit van drie ‘opschoningsacties’: 1. Het afboeken ('oninbaar lijden') van verjaarde aanslagen. Tenzij de belastingvordering wordt gestuit, verjaart de aanslag vijf jaar na dagtekening. 2. Het buiten invordering stellen van alle aanslagen met een dagtekening ouder dan vijf jaar. 3. Het Implementeren van een tax-credit voor een bedrag van ANG 2.500,-. Deze taxcredit kan (onder voorwaarden) beschikbaar worden gesteld aan alle belastingplichtigen, of alleen aan belastingplichtigen met een belastingschuld (en wel tot een maximum van het bedrag van de belastingschuld). In het plan van aanpak wordt de voorkeur uitgesproken voor de laatstgenoemde optie.
Uit het plan van aanpak blijkt dat uitvoering van acties 1 en 2 het nominaal uitstaande bedrag van het invorderingsbestand met 36 procent reduceert.33 Het aantal belastingplichtigen met een per saldo belastingschuld reduceert hierdoor met 15 procent.34 Het vervolgens toepassen van actie 3 (alleen voor belastingplichtigen met een belastingschuld) zorgt voor een verdere reductie van het nominaal uitstaande bedrag van het invorderingsbestand (circa ANG 200 miljoen), en voor een grote afname van het aantal belastingplichtigen met een belastingschuld.
Bevindingen
Het Cft heeft oog voor de problematiek die de grootte van het invorderingsbestand, in combinatie met de beschikbare capaciteit, oplevert voor de belastinginning. Tegelijkertijd is deze problematiek ook het gevolg van de voortdurende tekortkomingen in het financieel beheer van Curaçao, een situatie die al jaren door het Cft wordt benoemd. Voor wat betreft de opschoning van het invorderingsbestand staat het Cft oplossingen voor die passen bij de staat van het financieel beheer en de administratieve organisatie.
Oplossingen die een (te) groot beroep doen op de expertise, inzet en discretionaire bevoegdheid van de zwakke administratieve organisatie (zoals actie 3) dienen te worden vermeden.
Het Cft constateert dat acties 1 en 2 feitelijk overlappen, omdat alle aanslagen met een dagtekening ouder dan vijf jaar (gestuit of niet) buiten invordering worden gesteld. Uit het plan van aanpak blijkt niet welk deel van de aanslagen met een dagtekening ouder dan vijf jaar ook daadwerkelijk is gestuit. Het Cft acht het van belang dat hierover eerst helderheid wordt verkregen. Pas op het moment dat duidelijk is welk deel van het invorderingsbestand juridisch gezien verjaard en dus niet meer invorderbaar Is, kan beoordeeld worden of verdere acties om het invorderingsbestand te verkleinen gewenst zijn. Het ligt dan ook in de rede de opschoning als genoemd onder actie 1 zo spoedig mogelijk door te voeren. Het 'in de actualiteit' werken zou er daarbij toe moeten leiden dat verjaring in de toekomst zoveel mogelijk wordt voorkomen. Overigens kan het in kaart brengen welke aanslagen ouder dan vijf jaar gestuit zijn en welke daadwerkelijk zijn verjaard reeds een aanzienlijk beslag leggen op de administratieve organisatie. Het Cft geeft u in overweging om daarvoor technische assistentie in te roepen, eventueel via de Tijdelijke Werkorganisatie.
Voor actie 3 ziet het Cft grote belemmeringen. Naast de risico's voor een zorgvuldige en juiste uitvoering, legt de tax-credit een onnodig beslag op de belastingbaten. Daarbij kan de tax-credit een negatief effect (moral hazard) hebben op de algehele belastingcompliance, in het bijzonder van diegenen die de afgelopen jaren belasting hebben betaald, hetgeen ook contrair is aan de doelstelling van Curaçao om de verbetering van de compliance en de verhoging van de belastingbaten structureel te borgen. Deze structurele borging, in combinatie met uitgavenbeheersing, is van cruciaal belang om de risico's bij de begroting van Curaçao te mitigeren. Het implementeren van een tax-credit is daarvoor onzes inziens niet noodzakelijk.”
4.11
Ik kan de bron(nen) niet verifiëren, maar kennelijk is op 4 augustus 2022 naar aanleiding van de boven geciteerde adviezen van SDFBB, SOAB, SVB en Cft op briefpapier van de Belastingdienst een memorandum opgesteld met reactie op die adviezen. Die zouden niet leiden tot wezenlijke aanpassingen van de opschoningsplannen. De tax-credit zou toch uitgevoerd worden.35 Vervolgens is een rapport ‘Opschoning invorderingsbestand Belastingdienst Curaçao’ voor akkoord naar de Raad van Ministers gestuurd. Die Raad heeft volgens De Roos & Pen op 17 augustus 2022 spoedadvies van de sectordirecteur fiscale zaken (SDFZ) gevraagd. Ik heb dat niet kunnen verifiëren. Op 21 augustus 2022 heeft een medewerker van SOAB een aangepaste versie van het rapport gedeeld met de SDFZ. Die aangepaste versie vermeldt dat de fiscus wordt gevraagd (i) beleid op te stellen tot het onder voorwaarden (structureel) buiten invordering stellen van aanslagen ouder dan 5 jaar en (ii) dit beleid ter advisering voor te leggen aan de Minister. Aldus zou het opschoningsbeleid intern beleid van de fiscus blijven en zou het politieke element van de opschoning beperkt blijven (niet verifieerbaar).36 De Roos & Pen vermelden op hun tijdlijn bij 22 en 23 augustus 2022 het volgende (niet verifieerbaar):37
“22 augustus 2022:
SDFZ [sectordirecteur fiscale zaken; PJW] mailt de Minister dat kwijtschelden en oninbaar lijden bevoegdheden zijn die niet aan de Ontvanger zijn toegekend en geeft daarom in overweging deze termen niet te gebruiken. Verder stelt zij voor de term "tax credit" te vervangen door "procedure voor het buiten invordering laten” omdat een "tax credit” bij landsverordening dient te worden geregeld. SDFZ adviseert op deze dag tevens per brief over het rapport "Opschoning invorderingsbestand Belastingdienst Curaçao". Volgens het advies kunnen opschoningsacties 1 en 2 in principe worden geïmplementeerd voor "de inkomstenbelasting, de winstbelasting, de grondbelasting, de onroerendezaakbelasting, de omzetbelasting, de invoerrechten en accijnzen, met uitzondering van overdrachtsbelasting, voor verjaarde aanslagen ouder dan vijfjaar” en "de successiebelasting, afvalstoffenbelasting, motorijtuigbelasting AVBZ, BVZ en cessantia". Ten aanzien van opschoningsactie 3 (de "tax-credit") wordt geadviseerd alternatief 2 uit te voeren (zie hieronder).
23 augustus 2022: oplevering van het definitieve rapport "Opschoning invorderingsbestand Belastingdienst Curagao” inclusief aanbiedingsbrief aan Raad van Ministers. Het rapport betreft versie 1.5. Het rapport beschrijft drie opschoningsacties en dat de Belastingdienst ten aanzien van actie 2 het intern beleid zal opstellen en ter advisering aan de Minister zal voorleggen:
1. Het buiten invordering stellen van 'verjaarde' aanslagen;
2. Het buiten invordering stellen van aanslagen met een dagtekening > 5 jaar; en
3. Het buiten invorderingstellingstraject voor een bedrag van maximaal NAf 2.500 per cribnummer, wat een neerwaarts compliance risico met zich meebrengt van NAf 26,7 miljoen. Vanwege dit neerwaartse compliance risico zijn twee alternatieven ontwikkelt:
a. Bij alternatief 1 worden alleen de aanslagen buiten invordering gesteld tot een maximum van NAf 2.500 aan openstaande schulden;
b. Bij alternatief 2 wordt het buiten invordering stellen van belastingschulden alleen toegekend aan belastingschuldigen en tot het bedrag aan openstaande schulden met een maximum van NAf 2.500, maar alleen als deze schulden ouder zijn dan 1 jaar.”
4.12
Op 24 augustus 2022 is de Raad van Ministers akkoord gegaan met het voornemen om de Belastingdienst de drie voorgestelde acties tot opschoning van het invorderingsbestand van de Belastingdienst zoals voorgesteld door de Minister van Financiën bij verzoek van 22 augustus 2022 te laten uitwerken, met dien verstande dat de Belastingdienst een beleidsdocument opstelt waarin rekening wordt gehouden met de aanbevelingen in het advies d.d. 22 augustus 2022 van de Sector Directeur Fiscale Zaken.38
4.13
Bij brief van 5 december 202239 heeft de Landsontvanger voorgenomen ‘Beleid buiten invordering stellen aanslagen ouder dan 5 jaar’ voor goedkeuring naar de Minister gestuurd. Dat beleid was tot stand gekomen met input van door de Minister aangewezen adviseurs en de Directeur Fiscale Zaken van het Ministerie van Financiën (ik veronderstel dat dat dezelfde functionaris is als de SDFZ). Die brief hield het volgende in:
“Het buiten invordering stellen van aanslagen > 5 jaar vindt eens per kwartaal plaats. Hierbij worden eerst de verjaarde aanslagen buiten invordering gesteld. Vervolgens worden de niet-verjaarde aanslagen met een dagtekening > 5 jaar buiten invordering gesteld op basis van onderstaande criteria:
Natuurlijke personen (geen ‘erven') Alle aanslagen met een dagtekening > 5 jaar worden in beginsel buiten invordering gesteld. Uitzondering hierop vormen:
• Aanslagen waarvoor < 1 jaar een invorderingsactie is ondernomen (actieve invordering)
• Aanslagen waarop < 1 jaar een betaling heeft plaatsgevonden (geen verrekening)
• Aanslagen waarvoor onroerend beslag ter zekerheid is gelegd
• Aanslagen waarvoor een beroepszaak loopt
• Aanslagen waarvoor < 9 maanden geleden een bezwaar is ingediend waarop nog niet is beslist • Aanslagen waarvan het uitstel bezwaar < 1 jaar is ingetrokken.
• Aanslagen die in een vordering, of betalings- of saneringsregeling zijn opgenomen waarop < 1 jaar een betaling heeft plaatsgevonden.
Indien een bedrag > NAf 50.000 buiten invordering wordt gesteld vindt een individuele beoordeling door de invorderaar plaats indien het bedrag dat buiten invordering wordt gesteld groter is dan de restantschuld (kortom: indien meer dan 50% van het totale saldo wordt buiten invordering gesteld). In dit geval wordt het buiten invordering stellen niet toegewezen indien de ontvanger op eenvoudige wijze kan vaststellen dat belastingplichtige over verhaalsmogelijkheden beschikt zoals een onroerende zaak of een een inkomen (laatste IB-aangifte) waaruit blijkt dat de totale schuld binnen 48 maanden zou kunnen worden voldaan.
Natuurlijke personen: ‘Erven’
Alle aanslagen met een dagtekening > 5 jaar worden in beginsel buiten invordering gesteld. Uitzondering hierop vormen:
• Aanslagen waarvoor < 1 jaar een invorderingsactie is ondernomen (actieve invordering)
• Aanslagen waarop < 1 jaar een betaling heeft plaatsgevonden (geen verrekening)
• Aanslagen waarvoor onroerend beslag ter zekerheid is gelegd
• De overledene nog een onroerende zaak/zaken op naam heeft staan waarvoor geen conservatoir beslag is gelegd
• Aanslagen waarvan het uitstel bezwaar < 1 jaar is ingetrokken.
Rechtspersonen
Alle aanslagen met een dagtekening > 5 jaar worden in beginsel buiten invordering gesteld. Uitzondering hierop vormen:
• Aanslagen waarvoor < 1 jaar een invorderingsactie is ondernomen (actieve invordering)
• Aanslagen waarop < 1 jaar een betaling heeft plaatsgevonden (geen verrekening)
• Aanslagen waarvoor onroerend beslag ter zekerheid is gelegd
• Aanslagen waarvoor een beroepszaak loopt
• Aanslagen waarvoor < 9 maanden geleden een bezwaar is ingediend waarop nog niet is beslist • Aanslagen waarvan het uitstel bezwaar < 1 jaar is ingetrokken.
• Aanslagen die in een vordering, of betalings- of saneringsregeling zijn opgenomen waarop < 1 jaar een betaling heeft plaatsgevonden.
Uitzondering SBAB-aanslagen
De hierboven geformuleerde criteria zijn niet van toepassing op:
• Aanslagen welke naar aanleiding van een boekenonderzoek door SBAB zijn opgelegd
• Cribnummers waarvoor op het moment van buiten invordering stellen een boekenonderzoek in uitvoering is of reeds is aangekondigd.
Deze ‘SBAB-aanslagen’ blijven buiten beschouwing bij het buiten invordering stellen van aanslagen met een dagtekening > 5 jaar.
Individuele beoordeling grote bedragen
Indien een bedrag > NAf 50.000 buiten invordering wordt gesteld vindt een individuele beoordeling door de invorderaar plaats indien het bedrag dat buiten invordering wordt gesteld groter is dan de restantschuld (kortom: indien meer dan 50% van het totale saldo wordt buiten invordering gesteld).
In dit geval wordt het buiten invordering stellen niet toegewezen indien de ontvanger op eenvoudige wijze kan vaststellen dat belastingplichtige over verhaalsmogelijkheden beschikt zoals een onroerende zaak. Indien een bedrag > NAf 1.000.000 buiten invordering wordt gesteld vindt aanvullend een invorderingsonderzoek door SBAB plaats. Een invorderingsonderzoek hoeft niet plaats te vinden als uit de registratie van de Kamer van Koophandel blijkt dat de onderneming niet meer bestaat.
Opschoning COVID-aanslagen
Tijdens de COVID-periode zijn door de vorige regering fiscale faciliteiten getroffen om zakelijke belastingplichtigen te compenseren voor het verlies aan omzet. De doorwerking van deze maatregelen in het invorderingssysteem heeft tot heden echter niet plaatsgevonden. In aanvullen op de aanslagen ouder dan 5 jaar zullen derhalve tevens alle ‘COVID-aanslagen’ (openstaande aanslagen OB en premies welke conform aangifte zijn opgelegd (zogenaamde ‘run-2 aanslagen’) integraal oninbaar worden geleden.
Gaarne verneem ik uw instemming met bovenstaande opschoning van het invorderingsbestand.”
4.14
Bij brief van 20 januari 202340 heeft de Landsontvanger de Minister goedkeuring gevraagd om eenmalig het invorderingsbestand op te schonen ter zake van alle aanslagen over 2017 en ouder:
“In de Raad van Ministers is op 24 augustus 2022 ingestemd met het voornemen over te gaan tot opschoning van het invorderingsbestand (zaaknummer 2022/018.846). Hierbij was het uitgangspunt om bij de opschoning van het invorderingsbestand de dagtekening van de aanslag als uitgangspunt te hanteren. Het hanteren van de dagtekening als uitgangspunt leidt, aangevuld met diverse criteria zoals in bij brief d.d. 6 december 2022 aangegeven, weliswaar tot een aanzienlijke reductie van het invorderingsbestand van +/- NAf 5,5 miljard tot +/- NAf 4,2 miljard maar het is zeer de vraag of dit voldoende is om de belastingdienst in de actualiteit te kunnen laten werken.
Heroverweging
Zoals bekend kampt de belastingdienst met achterstanden in onder meer de afhandeling van bezwaarschriften. De geïntensiveerde invordering van openstaande aanslagen, inclusief aanslagen welke betrekking hebben op oudere belastingjaren, leiden tot een hoge instroom van nieuwe bezwaarschriften bij de belastingdienst. Daarnaast is de omvang van het invorderingsbestand al jaren te groot om, zelfs met de geplande uitbreiding van het aantal invorderaars, effectief te kunnen invorderen. Voorgesteld wordt derhalve om éénmalig een opschoning door te voeren van het invorderingsbestand van alle aanslagen welke betrekking hebben op het belastingjaar 2017 en ouder.
Opschoningsacties
In aanvulling hierop worden nog enkele opschoningsacties voorgesteld welke onderstaand zijn weergegeven;
1. Buiten invordering stellen aanslagen die betrekking hebben op belastingjaren ouder dan 5 jaar (2017 en ouder)
2. Opschoning verjaarde negatieve aanslagen (restituties/verminderingen >5 jaar)
3. Buiten invordering stellen ‘COVID-aanslagen’ (run-2 aanslagen OB april – mei 2020 + sociale premies april - juni 2020)
4. Buiten invordering stellen aanslagen die oninbaar zijn voorgesteld maar nog niet zijn toegewezen (op basis van steekproef + validatie grote bedragen)
5. Toekenning tax-credit (max NAf 2.500 voor aanslagen tussen 1 en 5 jaar oud)
6. Opschoning kleine bedragen (restsaldi <NAf 50 per aanslag)
Voordelen
Het toepassen van deze acties in het kader van opschoning van het invorderingsbestand zal tot meer dan een halvering leiden van het openstaand saldo. Dit brengt de volgende voordelen met zich mee: 1. Het aantal klanten per invorderaar wordt sterk gereduceerd waardoor het resterende saldo actiever kan worden ingevorderd. 2. Jongere aanslagen hebben een hogere invorderingskans. Het inzetten van de invorderingscapaciteit op de invordering van jonge aanslagen kan derhalve een positief effect hebben op de effectiviteit van de invordering en daarmee tevens op de belastingopbrengsten. 3. Van de huidige voorraad bezwaarschriften met betrekking tot de omzet- en loonbelasting heeft zo'n 25% betrekking op de jaren 2017 en ouder. Door de opschoning van het invorderingsbestand zal een groot deel van deze bezwaarschriften niet meer inhoudelijk hoeven te worden behandeld.
Risico
Het toepassen van deze ingrijpende wijze van bestandsopschoning brengt echter ook risico's met zich mee: 1. In 2022 is uit aanslagen met betrekking tot de belastingjaren 2017 en ouder een opbrengst gegenereerd van +/- NAf 135 miljoen. Niet alle belastingschuldigen beschikken tevens over jongere belastingschulden waardoor eenzelfde opbrengst ook voor 2023 gegarandeerd blijft. 2. Belastingplichtigen die zich altijd aan hun fiscale verplichtingen hebben gehouden kunnen negatief op deze actie reageren omdat het na de eerdere saneringsregeling nu weer de niet-betalers zijn die voordeel hebben van deze bestandsopschoning.
Conclusie
Om het hierboven aangegeven risico te mitigeren is het essentieel dat de ontvanger gebruikt maakt van al zijn invorderingsbevoegdheden om de belastingschulden die betrekking hebben op de jaren 2018 en jonger in te vorderen alsmede dat het voldoen van de lopende fiscale verplichtingen van met name zakelijke belastingplichtigen actief wordt gemonitord en direct actie wordt ondernomen in geval van non-compliance. Het hanteren van belastingjaar als basis voor de bestandsopschoning betreft nadrukkelijk een éénmalige actie om de belastingdienst in de gelegenheid te stellen versneld in de actualiteit te gaan werken. Om het invorderingsbestand actueel te houden zal vervolgens eens per kwartaal een opschoning plaatsvinden op basis van dagtekening van de aanslagen waarbij aanvullend de criteria zullen worden gehanteerd zoals in mijn brief aan u gedateerd 6 december 2022 zijn weergegeven.
Gaarne verneem ik uw instemming met bovenstaande opschoning van het invorderingsbestand.”
4.15
Bij brief van 25 maart 202441 heeft de minister de voorzitter van de Staten van Curaçao gewezen op de bevindingen in vier bijgevoegde rapporten van de SOAB opgesteld bij de uitvoering van diens interne controlefunctie bij de Landsontvanger. Diens interne audits beogen inzicht te verschaffen aan de Landsontvanger en de minister van Financiën over de effectiviteit van de interne beheersmaatregelen in het proces van invordering van openstaande belastingaanslagen. De eerste drie rapporten zagen elk op het invorderingsproces per een bepaalde datum: 30 november 2021, 31 mei 2022 en tot november 2022. Het vierde rapport zag op de “auditcyclus met betrekking tot vooruitbetalingen op belastingrestitutie aanslagen”.
4.16
De voornaamste hier relevante bevindingen waren: (i) de Landsontvanger heeft geen actueel en geformaliseerd kwaliteitshandboek met richtlijnen en procedures voor interne beheersing van het invorderingsproces, waardoor een uniforme werkwijze ontbreekt en het risico bestaat van favorisering door onjuiste of onrechtmatige toekenning van een betalingsregeling, uitstel van betaling, sanering of oninbaar lijden; (ii) aanmaningen worden niet (tijdig) verstuurd42; (ii) dwangschriften43 worden niet (tijdig) uitgevaardigd44; (iv) betalingsregelingen worden getroffen zonder documentaire basis zoals salarisstroken, bankafschriften en schulden en lastendocumentatie waarzonder de betalingscapaciteit niet kan worden bepaald. Betalingsregelingen voldoen niet aan de invorderingsrichtlijnen. Ik citeer een deel van de toelichting in het tweede rapport, over betalingsregelingen:45
“Toelichting bevindingen
(…). (…) dat de maximale aflossingstermijnen van 36 maanden (oude regeling) en 48 maanden (huidige regeling) niet zijn nageleefd.
(…).
Wij stellen vast dat er van de 45 geselecteerde aanslagen met een betalingsregeling, 10 belastingplichtigen waren die geen dossier met onderliggende documenten hadden. De totale omvang van de openstaande schulden van desbetreffende belastingplichtigen uit onze selectie bedroeg NAf 7.992.113. In desbetreffende gevallen ontbraken o.m. de overeengekomen betalingsregeling, onderliggende bewijsdocumenten zoals salarisslips, bankstatements en documenten van overige schulden/vaste lasten die de berekening van de betalingscapaciteit onderbouwt, respectievelijk de onderliggende documenten die het oordeel van de invorderaar onderbouwt en konden wij de juistheid van de betalingsregeling niet vaststellen. Wij stellen vast dat de invorderingsrichtlijnen uit 2019 en 2021 niet worden nageleefd en, ten opzichte van de geldende richtlijnen, er afwijkende betalingsregelingen worden afgesloten met de belastingplichtigen ter invordering. Zo stellen wij vast dat:
- Voor een supermarkt met een totale initiële achterstand van 3 aanslagen WBA/WBS gedagtekend in 2019 en 2021 met een totaal openstaand bedrag van NAf 4.617.000, een regeling is afgesloten voor alle 3 aanslagen, zijnde een aanbetaling van NAf 50.000 en hierna een betaling van NAf 35.000 per maand. Hierbij is, gezien het openstaande saldo en het termijnbedrag, niet voldaan aan maximale 48-maandelijkse aflossingstermijn. Desbetreffende belastingplichtige heeft in de periode van juni 2019 tot en met juli 2022 voldaan aan de betalingsverplichting, echter hierna liep hij achter met de maandelijkse termijnen. In desbetreffende periode is hiernaast slechts een bedrag van NAf 105.000 afgelost (gelijk aan 3 maanden ingaande februari 2022). In juni 2022 is voor desbetreffende belastingplichtige een uitstelbezwaar toegewezen zonder nadere onderbouwing.
- Wij stellen vast dat voor een bedrijf met totaal 161 openslaande aanslagen met een totaalbedrag van NAf 1.673.889 in april 2022 een betalingsregeling is afgesloten. Het dossier van deze belastingplichtige (met relatief oude openstaande belastingaanslagen) is niet aanwezig en er is pas in juli 2022 een bedrag van NAf 31.700 afgelost. De periodieke aflossing in 48 maanden zou NAf 34.873 moeten zijn.
- Wij hebben een aantal gevallen geconstateerd waarbij een betalingsregeling in opdracht van de Landsontvanger wordt afgesloten met de belastingplichtige. Een voorbeeld hiervan is een regeling die voor een belastingplichtige in april 2022 wordt toegewezen voor een totale achterstand van NAf 1.620.193 waarbij wordt voorgesteld om een aanbetaling te maken van NAf 100.000 en een regeling te treffen van een maandelijkse aflossing van NAf 80.000 (de omvang van de aflossing is hierbij meer dan de richtlijnen voorschrijven en derhalve akkoord). Wij stellen vast dat in onze onderzoeksperiode alleen de aanbetaling is verricht en de openstaande schuld nog altijd NAf 1.520.123 bedraagt. Desbetreffende regeling is eveneens getroffen voor 492 oudere individuele aanslagen. (…).
Risico’s
Risico van het onterecht toekennen van een betalingsregeling dan wel favoriseren van belastingplichtigen. Onjuiste/onrechtmatige berekening van de betalingscapaciteit, omdat er geen documenten zijn ingeleverd/opgevraagd.”
Bevinding (v) van de SOAB was dat openstaande belastingvorderingen onterecht of onrechtmatig worden aangemerkt als oninbaar. Haar toelichting vermeldt:46
“Toelichting bevindingen
Op grond van de richtlijnen ter invordering van belastingen d.d. 7 juli 2021, artikel 8 kunnen belastingplichtigen bij betaling ineens (sanering) van openstaande oude belastingschulden een beroep doen op een betalingskorting. De korting op de openstaande aanslag wordt aangemerkt als een oninbare post nadat een percentage van de openstaande schuld in een keer is voldaan. Met ingang van de richtlijnen in 2021 heeft de huidige minister, voor de eenduidige toepassing van de saneringsregeling, een tabel voorzien van een vaste verdeelsleutel voor de betaling ineens en de korting opgenomen in de richtlijnen (de zogenaamde saneringstabel). Voorheen bij de richtlijnen van 2019 en eerder ontbrak deze saneringstabel en werd de verdeling en omvang van het kortingspercentage overgelaten aan de professional judgement van de behandelend invorderaar. Wij hebben in totaal 14 aanslagen (voor een totaal openstaand bedrag van NAf 1.147.152) die oninbaar (OP) zijn geleid, geselecteerd en onderzocht. Voor 4 geselecteerde posten (voor een totaal openstaand bedrag van NAf 46.494) is een deel van de schuld OP geleden middels een saneringsregeling. De rechtmatig-, tijdig- en juistheid van de sanering en het oninbaar lijden van het resterende bedrag na sanering van 10 geselecteerde belastingaanslagen konden wij niet vaststellen vanwege:
- het ontbreken van het invorderingsdossier van 5 belastingplichtigen die betrekking hebben op 5 van de geselecteerde belastingaanslagen (voor een totaal openstaand bedrag van NAf 591.538} die in de onderzoeksperiode OP zijn geleid.
- het ontbreken van de saneringsovereenkomst en de eventuele bewijsdocumenten in het invorderingsdossier van 5 belastingplichtigen die betrekking hadden op 7 van de geselecteerde belastingaanslagen (voor een totaal openstaand bedrag van NAf 459.120). Waardoor wij het bedrag dat OP is geleden niet konden herleiden naar de saneringstabel en of uitgangspunten die gehanteerd zijn door de invorderaar voor het toepassen van de kortingspercentage. Een van de voorwaarden voor het toepassen en OP lijden van de aanslagen is dat de belastingplichtige hier een verzoek voor indient. In geen van de gevallen hebben wij desbetreffend verzoek tot het OP lijden i.v.m. hetzij een saneringsregeling of het OP lijden in verband van verjaring van de post aangetroffen.
Risico’s
Risico van het favoriseren van belastingplichtigen met sanering ter onjuiste en onrechtmatige finale kwijting van openstaande en achterstallige belastingschulden. Het onterecht OP lijden van belastingaanslagen waarbij deze nog inbaar zijn.”
Volgens bevindingen (vii) en (viii) ontbreken invorderingsdossiers en onderliggende documenten met betrekking tot de aanslag, waardoor het risico van onjuiste, niet-tijdige of onrechtmatige invorderingsmaatregelen bestaat. Er wordt veel gewerkt met hard copy. Een beschikbaar digitaal systeem dat de historie van een aanslag vastlegt wordt niet of beperkt gebruikt. Er zijn geen richtlijnen voor deugdelijke dossiervorming en archivering geschiedt naar het inzicht van individuele invorderaars, zonder toezicht of controle, met als gevolg veel onvolledige dossiers, ook ter zake van aanslagen die pas na een brand in 2019 zijn opgelegd. De toelichting van de SOAB vermeldde onder meer:47
“Het vaststellen of de getroffen invorderingsmaatregelen rechtmatig, tijdig en juist zijn verricht is in 10 van de 132 geselecteerde gevallen niet mogelijk daar:
- het invorderingsdossier van 3 van de 60 geselecteerde belastingplichtigen niet beschikbaar zijn;
- het invorderingsdossier van 7 van de 60 geselecteerde belastingplichtigen niet over de nodige bewijsdocumenten beschikt.
Binnen de Ontvanger wordt veel gewerkt met hard-copy documenten, echter ontbreken er richtlijnen voor het inrichten, digitaliseren en archiveren van de noodzakelijke onderbouwende bewijsdocumenten in het systeem dan wel invorderingsdossier van de belastingplichtige. Door de teamleider en invorderaars wordt veelal aangegeven dat de oorzaak van het ontbreken van belangrijke invorderingsmaatregelen ontbreken vanwege het brandincident in augustus 2019. Hierdoor zijn veel hard-copy documenten en dossiers van belastingplichtigen die op dat moment in behandeling waren verwoest, waardoor veel invorderingsdossiers niet of onvolledig beschikbaar zijn. Echter betreffen een groot aantal van de genomen maatregelen in GOS [het (nieuwe) Geautomatiseerde Ontvanger Systeem; PJW] in de periode na augustus 2019 en behoorden deze adequaat als onderliggend document in het dossier te zijn opgenomen.
Het GOS-systeem van de Landsontvanger beschikt over de optie om de historie van een aanslag vast te leggen, echter wordt die optie niet of beperkt gebruikt door de invorderaars en de deurwaarders om de genomen invorderingsmaatregelen en betalingsafspraken met de klant vast te leggen.”
Volgens bevinding (ix) grijpt de leiding discretionair in in het invorderingsproces:48
“Wij hebben vastgesteld (..), voor zover het in de getroffen regeling was vast te stellen, dat in 4 van de regelingen met een totale initieel openstaande waarde van circa NAf 1.865.070 er invorderingsmaatregelen zijn aangepast in opdracht van (…) de Landsontvanger. De Landsontvanger geeft in deze aan zich te beroepen op zijn 'discretionaire bevoegdheid', op basis van de Invorderingsverordening 1954 artikel 6. Hierover werd aangegeven dat de Landsontvanger waar noodzakelijk een coulante houding aanneemt, ter voorkoming van bedrijfsbeëindiging. Evenwel dienen de redenen en overwegingen hieromtrent uit het dossier te blijken. Het geven van uitstel van betaling en gemakkelijkere betalingsvoorwaarden conform dit artikel, mag echter alleen indien onafwijsbaar blijkt dat de belastingplichtige door bijzondere omstandigheden, buiten zijn wil, niet bij machte is aan de voorgeschreven betalingsvereisten te voldoen en dient te allen tijde schriftelijk vastgelegd te worden cf. Artikel 6 lid 4. Wij hebben vastgesteld dat een dergelijke schriftelijke vastlegging inzake de overwegingen per casus, in vrijwel alle gevallen ontbreekt en daardoor niet voldoet aan de wettelijke bevoegdheid. Daarnaast hebben wij vastgesteld dat in de gevallen dat de Landsontvanger deze discretionaire bevoegdheid toepast, dit niet in of na overleg met de verantwoordelijke invorderaar plaatsvindt. De betreffende invorderaar krijgt slechts de opdracht van de Landsontvanger om de betreffende actie uit te voeren zonder toelichting. De huidige invorderingsrichtlijnen (artikel 2 lid 2 en 3 schrijven hierover voor: Lid 2: Bij het toekennen van een betalingsregeling dient het verschuldigde bedrag aan achterstallige belastingen, premies volksverzekeringen en werknemersverzekeringen en overige middelen zo snel mogelijk te worden voldaan. Lid 3: De Landsontvanger stelt mede op basis van door belastingschuldige verstrekte informatie en documentatie de aflossingscapaciteit en bijbehorende aflossingsperiode vast. Van een berekening zoals in lid 3 vermeld, is zoals eerder aangegeven geen vastlegging aanwezig, waardoor dit in strijd is met de invorderingsrichtlijnen, evenals de gegeven instructies aan de invorderaars. Het is ook niet inzichtelijk hoe het toekennen van gemakkelijkere betalings-voorwaarden in bovenstaande gevallen bijdraagt aan de doelstelling om het verschuldigde bedrag op zo kort mogelijke termijn in te vorderen. Verder is het ingrijpen in het invorderingsproces ook niet in overeenstemming met de nadere uitwerking van artikel 6 in de invorderingsrichtlijnen van januari 2019, artikel 4 (ingrijpen in het invorderingsproces). Deze richtlijnen van januari 2019, die tot en met heden niet zijn ingetrokken, geven aan dat ingrijpen in het invorderingsproces door de leiding in beginsel ongewenst is en dat het in bijzondere gevallen noodzakelijk kan zijn dat invorderingsacties worden aangehouden bijvoorbeeld als er sprake is van:
- maatschappelijk belang;
- kennelijke onredelijkheid van een bepaalde invorderingsactie bijvoorbeeld ten gevolge van fouten die door de inspecteur of invorderaar zijn gemaakt of betalingen die onjuist zijn verwerkt;
Interventies door de leiding moeten in het invorderingsdossier worden gedocumenteerd. Hierbij wordt nadrukkelijk de reden aangegeven waarom de interventie is gepleegd en door wie de instructie is verstrekt.”
Tenslotte (x) constateerde de SOAB dat belastingrestituties worden uitbetaald vóór controle op de juistheid ervan, dat geen formeel kader of criteria bestaan op basis waarvan belasting bij vooruitbetaling kan worden gerestitueerd en dat resituties al jarenlang op deze wijze oneigenlijk worden vooruitbetaald, onder meer aan topambtenaren en (voormalige) politieke ambtsdragers:49
“Oneigenlijke vooruitbetalingen van belastingrestituties
Wij hebben geconstateerd dat er vooruitbetalingen plaatsvinden van belastingrestituties, voordat deze het formele proces hebben doorlopen. Hierdoor ontbreekt de dagtekening van de restitutie en vaak ook de controle op de juistheid van de restitutie. Er is ook geen formeel kader aanwezig op basis waarvan er belastingmiddelen middels een vooruitbetaling kunnen worden uitgekeerd aan belastingplichtigen. Hierdoor hebben deze vooruitbetalingen, hetgeen jarenlang gebruikelijk is binnen de Landsontvanger, oneigenlijk plaatsgevonden. Wij hebben geconstateerd dat deze vooruitbetalingen zowel aan ambtenaren als niet-ambtenaren worden verricht waaronder o.a. topambtenaren en (voormalige) politieke ambtsdragers.
De vooruitbetalingen worden geaccordeerd door het hoofd van de Landsontvanger. Uit interviews hebben wij vernomen dat desbetreffende vooruitbetalingsverzoeken doorgaans door het hoofd van de Landsontvanger worden beoordeeld en dat de selectie van wie in aanmerking komt voor een vooruitbetaling, door hem plaatsvindt. Echter, er zijn geen criteria vastgesteld voor de afweging hiervan en geformaliseerd beleid ontbreekt. Hierdoor wordt deze keuze overgelaten aan de discretionaire bevoegdheid van de Landsontvanger. Evenwel is niet duidelijk of deze discretionaire bevoegdheid ook betrekking heeft op handelingen (zoals het verstrekken van vooruitbetalingen) waarvoor een wettelijk kader ontbreekt.
4.17
Meer algemeen rapporteert Transparancy International de volgende key strengths en key weaknesses van de uitvoerende macht op Curaçao:50
“Key strengths
• There are strong legal provisions to ensure both that the Executive remains independent and that it can be held to account for its actions.
Key weaknesses
• Because of a notable lack of transparency in the Executive, there is little clarity on which powers are delegated to whom, and how the Executive in practice uses its power granted.
• Because of weak oversight, the Executive does not make effective use of the recommendations provided by other actors to support its executive tasks.
• Current integrity provisions, including the screening process, still contain some loopholes and their effectiveness in practice cannot be assessed because of a lack of effective oversight.
• A structural commitment to a well-developed public sector is lacking, and the Executive does not sufficiently prioritise adoption and effective implementation of legislation.”
4.18
Het litigieuze Facebook-bericht van de minister van 28 januari 2023 (zie 2.7 hierboven) staat geenszins op zichzelf. De minister plaatst veel berichten, ook over puur privé-bezigheden op zijn privé Facebook-pagina. Op 15 november 2022 plaatste hij het volgende bericht:51
“BREAKING NEWS
RUIM NAF 473 MILJOEN AAN BELASTINGAANSLAGEN VERJAARD
In het kader van de opschoning van het invorderingsbestand van de belastingdienst zijn onlangs de zogenaamde ‘verjaarde’ aanslagen buiten invordering gesteld. Een aanslag is verjaard indien gedurende 5 jaar geen invorderingsactie wordt ondernomen die de verjaring stuit. De verjaring van een aanslag kan worden gestuit bijvoorbeeld door de betekening van een dwangschrift. Op het moment van stuiting start een nieuwe 5-jaarstermijn voor wat betreft de verjaring. Middels een query over het volledige invorderingsbestand zijn de verjaarde aanslagen in kaart gebracht. In totaal gaat het om een bedrag van NAf 473,6 miljoen verdeeld over ruim 235.000 aanslagen.
Hoewel een belastingplichtige formeel een beroep op verjaring dient in te dienen bij de ontvanger, is ervoor gekozen om de verjaarde aanslagen pro-actief buiten invordering te stellen. Hiermee wordt de gelijke behandeling van belastingplichtigen bevorderd. Immers: niet iedereen is bekend met het begrip ‘verjaring’ en niet iedereen kan zich een belastingadviseur veroorloven om een beroep op verjaring in te dienen. Door de pro-actieve aanpak worden de verjaarde aanslagen voor alle belastingplichtigen buiten invordering gesteld. Een ander voordeel is dat de ontvanger hierdoor de verzoeken om verjaring niet individueel hoeft te beoordelen en derhalve meer capaciteit overblijft voor de daadwerkelijke invordering van belastingschulden.
Momenteel wordt in overleg met het ministerie van financiën gewerkt aan een additionele set van criteria om het invorderingsbestand verder op te schonen. Hierbij gaat het met name om oude (taxatieve) aanslagen met een lage invorderingskans. Het doel van de opschoning is om als belastingdienst meer in de actualiteit te werken. De invorderingskans van aanslagen neemt snel af nadat deze zijn opgelegd. De invorderingscapaciteit dient derhalve primair te worden ingezet op de invordering van jonge schulden. Hiermee wordt ook voorkomen dat schulden jarenlang oplopen waardoor het problematisch wordt de opgebouwde schuld alsnog af te lossen. Met het voorkomen van belastingschulden en dus het bijhouden van de lopende fiscale verplichtingen is de belastingplichtige uiteindelijk het beste geholpen.”
Opmerkelijk is dat de minister naar eigen zeggen ‘in overleg met’ zijn eigen ministerie aan opschoning werkt.
4.19 ‘
‘Deel 3’ van de op 26 september 2024 gepubliceerde verzameldocumenten voor de openbare vergadering van 24 september 2024 van de Staten van Curaçao over de opschoning van het invorderingsbestand bevat ook twee ontwerp-Landsverordeningen. Zij zijn niet gedateerd, maar vermelden het zittingsjaar 2022/2023. Het eerste ontwerp, getiteld ‘Landsverordening van de regels sanering belastinschulden’, luidt als volgt:52
“Artikel 1 Doel van de landsverordening
1. Deze landsverordening heeft tot doel het vaststellen van een wettelijk kader voor de sanering van belastingschulden om belastingplichtigen in staat te stellen hun belastingschulden te verminderen of te herstructureren.
2. Deze landsverordening streeft naar een evenwicht tussen de belangen van belastingschuldigen en de Ontvanger, met als doel het bevorderen van eerlijke en haalbare oplossingen voor belastingschulden.
(…).
Artikel 4 Voorwaarden voor belastingschuldsanering
1. Belastingplichtigen die belastingschulden hebben eventueel tot een bepaald bedrag, kunnen in aanmerking komen voor belastingschuldsanering volgens de bepalingen van deze landsverordening.
2. Belastingplichtigen die in aanmerking willen komen voor belastingschuldsanering, dienen een schriftelijke of digitaal aanvraag in bij de ontvanger volgens de voorgeschreven procedure. De aanvraag moet alle relevante informatie bevatten die door de belastingdienst wordt gevraagd, inclusief financiële gegevens en bewijsstukken met betrekking tot de belastingschulden
3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden de voorwaarden en procedures vastgelegd op basis waarvan een belastingschuldige in aanmerking kan komen voor een belastingschuldsanering.
Artikel 5 Saneringsmethoden
1. De verschillende saneringsmethoden die de Ontvanger overwegen, zijn:
a. betalingsregelingen: het treffen van een afbetalingsregeling waarbij de belastingschuld in termijnen kan worden voldaan;
b. schuldkwijtschelding: het verminderen of kwijtschelden van een deel van de belastingschulden op basis van de financiële situatie van de belastingschuldenaar;
c. herstructurering: het herstructureren van de belastingschulden;
2. De Ontvanger zal de saneringsmethode kiezen die het meest geschikt is op basis van de individuele omstandigheden van de belastingschuldige.
Artikel 6 Beoordeling en besluitvorming
1. De Ontvanger beoordeelt de ingediende aanvragen en neemt een besluit over de toekenning van belastinginkomstensanering.
2. De Ontvanger informeert de belastingplichtigen schriftelijk over het genomen besluit en de voorwaarden van de saneringsregeling.
(…).
Hoofdstuk 3
Goedkeuring reeds toegekende sanering
Artikel 8
Goedgekeurd wordt dat de belastingschuldige een betalingskorting van 20%, mits 80% van de materiele belastingschuld ineens wordt voldaan over de periode van 10 oktober 2010 tot en met 11 juli 2021.
(…).”
4.20
Het tweede ontwerp, met daarin nog track changes, is getiteld: ‘Landsverordening van de tot vaststelling van de Tijdelijke regelinglandsverordening sanering belastinginkomsten en wijziging van de Landsverordening omzetbelasting 1999 (Tijdelijke landsverordening sanering belastinginkomsten)’.53 Het voorgestelde art. 6 zou de ontvanger de mijns inziens (zie 5.4 hieronder) (nog) niet bestaande bevoegdheid geven om eenmalig belastingschulden ter zake van 2017 en ouder buiten invordering te stellen:
“Artikel 3 (werkt van 10 okt 2010 t/m 11 juli 2021)
Goedgekeurd wordt dat in de periode van 10 oktober 2010 tot en met 11 juli 2021 de belastingschuldige een betalingskorting van 20%, heeft ontvangen, mits 80% van de materiele belastingschuld ineens is wordt voldaan, over de periode van 10 oktober 2010 tot en met 11 juli 2021.
Artikel 4 (werkt van 12 juli 2021 tot 1 januari 2022)
Goedgekeurd wordt in de periode van 12 juli tot 1 januari 2022
1. De Ontvanger kan aan een belastingschuldige, op diens schriftelijk verzoek, door de Ontvanger bij betaling van belastingaanslagen, aanslagen premies volksverzekeringen, aanslagen premies werknemersverzekeringen, aanslagen overige middelen en boetes, met een dagtekening van 31 december 2020 en ouder, een betalingskorting van openstaande schulden op de middelen, genoemd in artikel 12, derde lid verlenen, wordt verleend. De hoogte van de betalingskorting is afhankelijk van het ineens betaalde bedrag.
(…).
Artikel 5
1. De eerste volzin in artikel 50, eerste lid, van de Landsverordening omzetbelasting 1999, komt te luiden: De Ontvanger is bevoegd aan belastingschuldige op zijn verzoek uitstel van betaling en gemakkelijke betalingsvoorwaarden te verlenen, indien onafwijsbaar blijkt, dat hij door bijzondere omstandigheden, buiten zijn wil, niet bij machte is de voorgeschreven betalingsregelen te voldoen. 2. In artikel 50, derde lid, van de (…) Landsverordening omzetbelasting 1999 wordt "artikel 7, vierde lid, van de Landsverordening op de invordering van directe belastingen 1943" vervangen door: artikel 11, tweede lid, van de Invorderingsverordening 1954.
Artikel 6 (werkt terug tot en met 1 januari 2023)
1. Met betrekking tot de verschuldigde belastingen en verschuldigde premies volksverzekeringen en werknemersverzekeringen, is de Ontvanger bevoegd tot het eenmalig buiten invordering stellen van die verschuldigde bedragen voor de belastingjaren 2017 en ouder.
2. De bevoegdheid van de Inspecteur tot het opleggen van belastingaanslagen en aanslagen verschuldigde premies volksverzekeringen en werknemersverzekeringen vervalt voor de belastingjaren 2017 en ouder.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op schulden ten aanzien van het belastingjaar 2017 of ouder indien:
a. de Ontvanger beschikt over informatie waaruit blijkt dat belastingschuldige over verhaalsmogelijkheden beschikt en de schuld over de belastingjaren 2017 en ouder hoger dan NAf 1.000.000 is;
b. artikel 49 van de Algemene landsverordening Landsbelasting54 van toepassing is; of
c. de schuld is voldaan middels storting op een derdenrekening.
4. Het tweede lid is niet van toepassing indien artikel 49 van de Algemene landsverordening Landsbelasting van toepassing is.
Artikel 7
(…)”
4.21
Bij brief van 26 juli 2023 adviseerde de Directeur Wetgeving en Juridische Zaken (WJZ) ter zake van een concept van het in 4.17 geciteerde ontwerp Tijdelijke landsverordening sanering belastinginkomsten om die ‘gelegenheidswetgeving’ om te zetten in een permanente algemene regeling bij landsverordening. De directeur wees daarbij op diverse problematische aspecten van legaliteit, (ontbreken van) bevoegdheid, gelijke behandeling en algemene toegankelijkheid en toepassing van regelingen:55
“1. Aanleiding
Op 12 juli 2021 heeft het Ministerie van Financiën richtlijnen uitgegeven met betrekking tot de invordering van belastingen. Deze richtlijnen boden belastingplichtigen de mogelijkheid om een belastingkorting aan te vragen voor het resterende bedrag van hun openstaande belastingschulden, mits zij een eenmalige betaling deden. In eerste instantie was deze saneringsregeling geldig voor een periode van drie maanden tot 12 oktober 2021. Vanwege het succes van de regeling heeft het Ministerie van Financiën besloten deze te verlengen tot 31 december 2021.
Opgemerkt dient te worden dat het van de website Ministerie van Financiën te downloaden aanvraagformulier voor een saneringsregeling niet overeenkomt met de in het aan Wetgeving en Juridsiche Zaken (hierna: WJZ) aangeboden concept Landsverordening uitvoering sanering belastinginkomsten (hierna: concept Ivo).
Deze richtlijnen en andere in het verleden toegekende voordelen bij de invordering en heffing van belastingen, zijn ter formalisatie verwerkt in een concept Tijdelijke landsverordening sanering belastinginkomsten (hierna: concept Ivo) dat aan Wetgeving en Juridische zaken (hierna: WJZ) ter toetsing is voorgelegd.
(…)
3 Kernpunten
Besluitvoorstel onder a: een door WJZ opgestelde voorstel van een wettelijke regeling
Het concept Ivo bevat een formalisering van richtlijnen voor de invordering van belastingen. Richtlijnen worden opgesteld krachtens een wettelijk toegekende bevoegdheid of om uitleg te geven aan een wettelijk toegekende bevoegdheid. Uit ons onderzoek is gebleken dat de Ontvanger onder anderen krachtens artikel 6 van de Invorderingslandsverordening uitstel van betaling kan geven en gemakkelijker betalingsvoorwaarden kan verlenen. Niet is wettelijk vastgelegd dat de Ontvanger de bevoegdheid heeft om belastingkorting of kwijtschelding te verlenen. Een dergelijke bevoegdheid dient steeds gebaseerd te zijn op de wet en daarvoor doet WJZ een voorstel. Het voorstel gaat uit van een permanente belastingsaneringsregeling op basis waarvan de Minister van Financiën de bevoegdheid ontleent om belastingsaneringsregelingen en belastingkortingen door te voeren. De bepalingen van het concept Ivo kunnen ook in het onderhavige voorstel worden verwerkt. Op die manier kan van een gelegenheidsheidswetgeving, overgestapt worden naar een algemene regeling.
Het voorstel van WJZ is een leidraad die door uw ministerie kan worden gebruikt als basis voor verdere ontwikkeling en implementatie. De uiteindelijke bedoeling is om een wettelijke regeling te ontwerpen bevattende verschillende aspecten van een duurzaam belastinginkomsten-saneringssysteem.
Ook kunt u ervoor kiezen om regels over kwijtschelding en uitstel van betaling van belastingen in de Invorderingslandsverordening, zoals Nederland die heeft, op te nemen.
Besluitvoorstel onder b: de door WJZ voorgestelde aanpassingen 80/20 saneringsregeling
Het legaliteitbeginsel dat hier te lande geldt, houdt in dat elk overheidshandelen gebaseerd dient te zijn op een wettelijk toegekende bevoegdheid. Zie ook artikel 84 van de Staatsregeling van Curaçao, waarin is bepaald dat het opleggen van belastingen en andere heffingen bij landsverordening wordt vastgesteld. Desondanks bestaat hier te lande de vaste praktijk om bij wege van aanschrijving - een instrument dat geen wettelijke regeling is - belastingenvoorzieningen door te voeren, vooruitlopend op een wettelijke regelingen. De algemene uitganspunten die hierbij worden toegepast is dat een belastingvoorziening in een aanschrijving: 1. in het voordeel van de belastingplichtige is, 2. goedgekeurd wordt door de Staten, en 3. de financieel budgettaire toets doorstaat.
Om dergelijke belastingvoorzieningen in een aanschrijving kracht van bestaan te geven, wordt een aanschrijving bekend gemaakt in de Landscourant. In het concept Ivo wordt voorgesteld een 80/20 saneringsregeling te formaliseren die nimmer bekend is gemaakt. In de memorie van toelichting staat dat sinds 10 september 2010 in specifieke gevallen op verzoek van de belastingschuldige de zogenaamde 80/20 saneringsregeling werd toegepast. Dit was geen saneringsregeling die bij het brede publiek bekend was. Die regeling is dus niet een algemeen bekend gemaakte belastingvoorziening waar een ieder een beroep op kon doen. Het feit dat een dergelijke belastingvoorziening zonder wettelijke grondslag wordt doorgevoerd, is juridisch bezwaarlijk. Nog erger is dat er hier sprake is geweest van een niet transparante regeling waar alle belastingplichtigen een beroep op konden doen. Vandaar ook dat WJZ voorstelt om met een algemene wettelijke regeling te komen, om deze achter gesloten deuren gevoerde belastingpraktijken, naar alle waarschijnlijkheid alleen voor een selecte groep opengesteld, te voorkomen. Voor zover wel bekendheid is gegeven aan deze 80/20 regeling verzoek ik u dat te melden in de memorie van toelichting. Voorts is het aan te raden om in de memorie van toelichting aan te geven welke maatregelen de regering zal nemen om te voorkomen dat in de toekomst deze praktijken (…) voorkomen. Ook raad ik u aan om de 80/20 saneringsregeling, die nimmer gepubliceerd is, niet in een landsverordening op te nemen. Hiermee wordt een precedent geschapen, inhoudende dat een bestuursorgaan elk bestuurlijk handelen achteraf zal kunnen legaliseren.
Goedkeuring achteraf
Voorgesteld wordt om het concept zodanig te wijzigen opdat vast wordt gelegd dat de reeds verleende belastingkortingen en kwijtschelding worden goedgekeurd door de Staten. Immers de belastingplichtige kan niet meer een beroep doen op de regeling zoals opgenomen in het concept Ivo. Het toekennen van terugwerkende kracht bij belastende regelingen wordt over het algemeen beschouwd als een inbreuk op de rechtszekerheid van burgers. Er kunnen echter redenen zijn om terugwerkende kracht toe te kennen. Een van deze redenen is de noodzaak om plotseling een nieuwe regeling te laten gelden, om te voorkomen dat burgers maatregelen nemen waardoor de beoogde effecten van de regeling teniet worden gedaan of zelfs het tegenovergestelde effect wordt bereikt. In dergelijke gevallen kan de grensdatum van de terugwerkende kracht samenvallen met het moment waarop van betrokkenen redelijkerwijs verwacht kan worden dat ze rekening hielden met de verandering in de regelgeving vóór de inwerkingtreding ervan. Daarnaast kan terugwerkende kracht gerechtvaardigd zijn wanneer de regelgeving achterloopt op noodzakelijke ontwikkelingen in de praktijk die achteraf gelegaliseerd moeten worden. In deze gevallen is het echter wenselijk dat de legalisatie zo snel mogelijk plaatsvindt, zodat de periode waarover de regeling met terugwerkende kracht werkt beperkt blijft. Wanneer het gaat om het achteraf legaliseren van praktische ontwikkelingen, is het raadzaam om gebruik te maken van specifieke constructies zoals bekrachtiging en conversie, in plaats van terugwerkende kracht. Dit zorgt voor een meer gerichte en specifieke aanpak, waarbij de rechtszekerheid van de betrokkenen beter wordt gewaarborgd.
(…).
4.1
Toelichting
Financiële toetsing
In de omslag is een advies van de Sectordirecteur Financieel Beleid en Begrotingsbeheer aangetroffen die verwijst naar een advies van 25 oktober 2021 dat als bijlage is gevoegd. De bijlage is niet aangetroffen in de omslag. U wordt geadviseerd om de bijlage in de omslag voegen en deze aan WJZ te doen toekomen.”
4.22
De tijdlijn van De Roos & Pen geeft de volgende weergave van de gebeurtenissen – die ik niet heb kunnen nagaan aan de hand van andere bronnen – van vlak vóór het Facebook-bericht van 28 januari 2023 van de minister:56
“20 januari 2023: de Landsontvanger verzoekt de Minister bij brief om instemming met een aanvullend voorstel om éénmalig een opschoning door te voeren van het invorderingsbestand van alle aanslagen welke betrekking hebben op het belastingjaar 2017 en ouder. Het hanteren van de dagtekening als uitgangspunt, aangevuld met de criteria in de brief van "6 december 2022"57, is volgens de Landsontvanger mogelijk onvoldoende om de Belastingdienst in de actualiteit te laten werken. Voorgesteld worden de volgende nadrukkelijk eenmalige opschoningsacties, waarbij niet van voorwaarden blijkt:
1. Buiten invordering stellen aanslagen die betrekking hebben op belastingjaren ouder dan 5 jaar (2017 en ouder);
2. Opschoning verjaarde negatieve aanslagen (restituties/verminderingen > 5 jaar);
3. Buiten invordering stellen ‘COVID-aanslagen’ (run-2 aanslagen OB april - mei 2020 + sociale premies april - juni 2020);
4. Buiten invordering stellen aanslagen die oninbaar zijn voorgesteld maar nog niet zijn toegewezen (op basis van steekproef + validatie grote bedragen);
5. Toekenning taks-credit (max NAf 2.500 voor aanslagen tussen 1 en 5 jaar oud); en
6. Opschoning kleine bedragen (restsaldi < NAf 50 per aanslag).
23 januari 2023: de Minister gaat akkoord met het opschoningsbeleid zoals opgenomen in het schrijven van de Landsontvanger van 20 januari 2023.
26 januari 2023: Uit een mail van een lid van het ondersteuningsteam van de Ontvanger aan de Landsontvanger volgt dat vermoedelijk de Minister58 wil dat direct met de uitvoering van de opschoning wordt gestart en waarschijnlijk dinsdag een persconferentie hierover wil geven. De Landsontvanger wordt verzocht om reeds het weekend de aanslagen die betrekking hebben op belastingjaren ouder dan 5 jaar buiten invordering te stellen. De Ontvanger geeft dezelfde dag via e-mail zijn akkoord voor de uitvoering van de opschoning.”
4.23
Op 22 december 2023 heeft de minister als volgt vragen van het statenlid S.J. Croes beantwoord over zijn begin dat jaar ingezette beleid van buiten invordering stellen van belastingschulden over 2017 en eerder:59
“1. Wat is de reden van de Minister om deze beslissing te nemen?
De wijziging van het invorderingsbeleid is een zaak van de Ontvanger. De aanleiding voor de beleidswijziging is enerzijds de omvang van het invorderingsbestand welke 'onbeheersbaar' was geworden en anderzijds de rapportage van Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (2019) gevalideerd met interne analyses waaruit blijkt dat de invorderingskans van aanslagen reeds na 2 jaar sterk afneemt.
2. Op welke datum is het Landsbesluit uitgebracht om het buiten invordering stellen van de belastingaanslagen over de jaren 2017 en eerder te formaliseren?
Zoals hierboven aangegeven betreft het hier een aanpassing van het invorderingsbeleid. Dit is een interne aangelegenheid van de Ontvanger. Het gaat hier nadrukkelijk niet om kwijtschelding van belastingschulden maar om prioritering van de invordering van openstaande belastingschulden. Hiervoor is geen Landsbesluit noodzakelijk.
3. Over welk bedrag praten we dat buiten invordering is gesteld over (…) 2017 en eerder?
Het totaalbedrag aan aanslagen over de jaren 2017 en ouder bedraagt nominaal ruim NAf 3 miljard. Het resterend saldo over de jaren 2018 en jonger bedraagt zo'n NAf 2,7 miljard. Hierbij moet nadrukkelijk worden opgemerkt dat liet hier niet gaat om NAf 2,7 miljard 'riba kaya'. Ook de populatie jonge aanslagen bevat onder meer nog de nodige 'taxatieve' aanslagen. Door de prioriteit van de invordering te leggen op de invordering van jonge aanslagen zal het saldo aan openstaande belastingschulden steeds verder worden gereduceerd waardoor dit steeds dichter het reële nog in te vorderen bedrag benadert.
6 Een poko poko-beginsel?
6.1
Seinen81 beschreef in 2014 de veranderingen in uw civiele Caribische rechtspraak door de jaren heen. Zij besteedde daarbij aandacht aan de lokale context. :
“De Caribische samenlevingen kennen andere geografische, sociaal-economische en historische omstandigheden, zijn meer gericht op (Noord- en Midden Amerika en hebben (dus) andere gewoonten en morele opvattingen dan in het Europese rijksdeel gangbaar zijn. Verder verschillen de omstandigheden en cultuur op de eilanden ook onderling in belangrijke mate: van één Caribische cultuur is geen sprake.82 Daarbij komen de politieke gevoeligheden die voortvloeien uit het koloniale verleden: een gezagsdrager uit het Europese rijksdeel wordt snel gezien als ‘makamba’ die de baas komt spelen over zaken waarvan hij geen kaas heeft gegeten. Tegen deze achtergrond is het opmerkelijk dat van oudsher het merendeel van de rechters in de Caribische delen van het koninkrijk uit het Europese rijksdeel komt, en recht spreekt in een context die hem niet eigen is.83 Dit laatste geldt in nog sterkere mate voor de Hoge Raad, voor wie de rechtspraktijk en culturele context niet alleen ‘niet eigen’, maar ook nog eens buiten zicht is. Bij een deel van de Antilliaanse rechtsgemeenschap bestond daarom de vrees dat de Hoge Raad als cassatierechter in de Antilliaanse context niet zou functioneren.
6.2
Loth84 merkte over de rechter in de Antilliaanse samenleving op dat diens functioneren wordt beïinvloed door de geografische en sociale kleinschaligheid van de samenleving en dat dat voor- en nadelen heeft. De korte lijnen bevorderen de communicatie en daarmee de kwaliteit van de rechtspleging, maar zij kunnen ook de onafhankelijkheid van de rechter bedreigen.85 De politiek-bestuurlijke kleinschaligheid heeft als voordeel dat het bestuur dicht bij de burger staat, waardoor de politiek-bestuurlijke realiteit aansluit bij de sociaal-geografische realiteit. Maar kleinschaligheid brengt ook beperkte bestuurlijke capaciteit mee. Op wetgevingsvlak heeft de schaalverkleining door de dekolonisatie ertoe geleid dat, hoewel het aantal te reguleren beleidsterreinen omvangrijk bleef, het geldingsgebied ervan kromp en de wetgevingscapaciteit afnam, resulterend in een geringe dichtheid van vaak gedateerde regels. En als de wet tekortschiet, neemt het relatieve belang van andere rechtsbronnen toe. Als de wetgever de maatschappelijke ontwikkelingen niet kan bijbenen, neemt de druk op de rechter toe om het recht bij de tijd te houden, aldus Loth.86 Over het bestuur, de verhouding tussen de rechter en het bestuur, en de terughoudendheid van de Antilliaanse rechter bij beroep op toezeggingen van bestuurders, schreef hij het volgende:87
“Het bestuur en de rechter
18. In Nederland wordt het Antilliaanse bestuur veelal geassocieerd met corruptie en omkoping. Hoewel die beeldvorming eenzijdig is, valt niet te ontkennen dat het openbaar bestuur in de Antillen in dit opzicht kwetsbaar is. De sociaal-geografische kleinschaligheid vergroot de kans op rolconflicten tussen de ambtelijke en de interpersoonlijke rol. Het gevaar is reëel dat bestuurlijke ambtsuitoefening wordt beïnvloed, of zelfs overheerst door persoonlijke relaties. Als gevolg van al te persoonlijke contacten kan zij worden gedicteerd door affectieve, economische of politieke loyaliteiten. De politiek-bestuurlijke schaalverkleining heeft bovendien geleid tot een concentratie van bevoegdheden bij een gering aantal ambtsdragers, die beschikken over veel beslissingsruimte in een situatie van geringe regeldichtheid. Door het beperkte recruteringsgebied worden bovendien bestuurders tot ambten geroepen, die daarvoor eigenlijk niet kwalificeren (statusincongruentie)88. Een en ander heeft geresulteerd in een kwetsbaar bestuur, kwetsbaar voor beïnvloeding vanuit de samenleving en door elementen van buitenaf. Deze situatie brengt een dubbele taakstelling mee voor de rechter, zowel de burgerlijke als de strafrechter. In de eerste plaats is het de taak van de rechter om het bestuur te controleren en, waar nodig, te corrigeren. Dat is een klassieke taak van de burgerlijke rechter; optreden tegen bevoordeling door de overheid. De laatste jaren is echter gebleken dat de gevolgen van corrupt bestuurshandelen groter kunnen zijn dan enkel bevoordeling. Wanneer de rechtsstatelijke grondslagen van een ministaat worden ondermijnd, of haar financiële voortbestaan wordt bedreigd, heeft de rechter een verderreikende taak dan controle van het bestuur, te weten de bescherming van die samenleving zelf. Over beide taken een enkel woord.
19. De burgerlijke rechter is bij uitstek geëquipeerd voor de controle op het bestuur. In de eerste plaats omdat andere controlemechanismen tekort schieten. Politieke controle zijdens de Staten is door een vergaand monisme weinig effectief en een algemene administratieve rechtspraak is er nog steeds niet. Een tweede reden is dat de burgerlijke rechter zowel de jure als de facto een onafhankelijke positie inneemt. Door de steeds wisselende bezetting van Nederlandse rechters, heeft de burgerlijke rechter doorgaans weinig sociale bindingen. Dat onderscheidt hem juist van de (te controleren) bestuurders. Het meest gebruikte instrument voor de bestrijding van partijdig bestuur is de onrechtmatige overheidsdaad. Sedert het Ikon-arrest vormt de (rechtstreekse) toetsing aan de beginselen van behoorlijk bestuur daarbij een krachtig instrument.89 Uit een analyse van de jurisprudentie door Munneke blijken een tweetal beginselen bij uitstek geschikt om te onderscheiden tussen toelaatbaar en niet-toelaatbaar bestuurshandelen: het gelijkheidsbeginsel (indien er één belanghebbende is) en het verbod van willekeur (indien er meerdere belanghebbenden zijn). Deze beginselen dwingen immers tot een zakelijker, minder persoonsgericht bestuur. Een meer procedureel beginsel als dat van de bescherming van opgewekte verwachtingen, speelt een veel minder belangrijke rol. Het is te algemeen om in de Antilliaanse verhoudingen bruikbaar te zijn, aangezien het niet ziet op de wijze waarop die verwachtingen gewekt zijn, waarbij juist sociale invloed of druk op het bestuur een rol kan hebben gespeeld. De Antilliaanse rechter is dan ook terecht terughoudender met het honoreren van toezeggingen dan (de) Hoge Raad.
[20 ontbreekt; PJW] 21. Dit verschil is zichtbaar in het Den Dulk-arrest [zie 6.9 hierna PJW], (…) een naar mijn mening minder gelukkige beslissing.”
6.3
Seinen vat uw civiele arresten in Caribische zaken in de jaren 1984 t/m 2010 samen met: ‘vertrouwen vs. vooruitgang’. Tot begin jaren ’90 bleven uw arresten volgens haar voorzichtig, benadrukkend dat als bij de juridische beoordeling de lokale omstandigheden en opvattingen een rol spelen, de oordelen van het Gemeenschappelijk Hof maar beperkt toetsbaar zijn in cassatie. Het Vrije mandaat-arrest90 en het Catoochi-arrest91 zijn illustratief. Het eerste betrof een Arubaanse verkiezingsafspraak. De Partido Democratico Arubano ging vóór de verkiezingen met haar kandidaten een overeenkomst aan volgens welke zij de door hen te verwerven zetels weer zouden opgeven als zij zouden bedanken voor het lidmaatschap van die partij. Het Gemeenschappelijke Hof oordeelde achtte deze overeenkomst in strijd met het beginsel van vrij mandaat en daarom nietig. U liet dit oordeel in stand, wat Van der Burg92 onverstandig vond omdat de Arubaanse bepaling (art. III 16(3) Staatsregeling van Aruba) overeen kwam met art. 67(3) Grondwet en volgens hem in Nederland het beginsel van stemmen zonder last al door non-usus zijn kracht verloren had en u dus ook concordant had kunnen oordelen.
6.4
Het Catoochi-arrest betrof een verboden maar gedoogde loterij, waarvan de organisator betoogde dat zijn overeenkomst met een deelnemer die NAf 82.000 van hem had gewonnen nietig was wegens strijd met dat wettelijke verbod. Het Gemeenschappelijk Hof overwoog dat de catoochi-verkoop in de Arubaanse samenleving was aanvaard en ingeburgerd en een vaste inkomstenbron was geworden voor professionele catoochi-verkopers en oordeelde op die basis dat de verbodsbepaling niet (meer) geacht kon worden mee te brengen dat de catoochi-verkoper zich naar believen zou kunnen beroepen op de ongeoorloofdheid en daarmee de nietigheid van zijn handelen. U oordeelde dat ’s Hofs waardering van de maatschappelijke ontwikkelingen op Aruba in cassatie niet op juistheid kon worden getoetst.
6.5
Van Seinen typeert uw arresten vanaf de tweede helft van de jaren ’90 als strenger in die zin dat u vaker tot een andere uitkomst kwam, ook in zaken waarin het Hof lokale omstandigheden had benoemd die maakten dat betrokkenen het door hen verwachte gevolg in de gegeven omstandigheden juist niet hadden mogen verwachten. De zaak Felix/Aruba93 betrof Transtriad Enterprises Aruba (procespartij Felix), die in 1985 de afhandeling van kleinere vliegtuigen op Aruba’s internationale luchthaven ter hand wilde nemen. Felix had daarvoor ruimte nodig in het gebouw van de luchthaven waar de kleinere (sport)vliegtuigen werden geparkeerd. In dat gebouw zat ook de vereniging van sportvliegers Aeroclub Antillia Aruba. Tussen Transtriad en de aerotclub werd schriftelijk vastgelegd dat Transtriad de tussen de club en de luchthaven bestaande huurovereenkomst en de huurschuld zou overnemen en dat Felix kon beschikken over ruimtes in het gebouw;. Zowel Felix als de aeroclub verzochten de luchthavenmeester om toestemming door een en ander, die kennelijk stilzwijgend werd verleend. In 1986 nam Felix de huur over, nam hij personeel in dienst, investeerde hij in de afhandeling en handelde Trianstria negen maanden lang kleinere vliegtuigen af. In november 1986 besloot de Minister van Vervoer en Communicatie echter dat uitsluitend Air Aruba NV kleinere vliegtuigen mocht afhandelen. Felix vorderde van Aruba vergoeding van zijn daardoor geleden schade en gederfde winst. Het Hof overwoog dat Felix zich had moeten realiseren dat toezeggingen van de daartoe niet-bevoegde luchthavenmeester Aruba niet konden binden en dat geen omstandigheden waren gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden. Felix’ investeringen waren dan ook niet zonder (eigen) risico zolang Aruba zich niet had verbonden. Weliswaar was uitvoerig onderhandeld en had Felix al een aanvang gemaakt, maar hij had rekening moeten houden met een mogelijke beleidswijziging. Wel trof Aruba ook een verwijt omdat, gelet op de kleine omvang van de Arubaanse samenleving, het de autoriteiten niet kon zijn ontgaan dat Felix op het vliegveld wilde verbouwen in afwachting van de officiële toezegging. Het had volgens het Hof op de weg van Aruba gelegen om Felix te waarschuwen voor de risico’s van vooruitlopen op officiële toestemming. In zoverre had Aruba onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens Felix. Omdat Felix ook zelf verwijt trof van voorbarig uitgaan van de vereiste toestemming, beperkte het Hof de schadevergoeding tot de kosten van de inrichting van Felix’ bedrijf.
6.6
Uw eerste kamer vatte Felix’ cassatieberoep daartegen aldus samen dat:
“het Hof, oordelende dat de luchthavenmeester niet bevoegd was Aruba te binden, ten onrechte is voorbijgegaan aan het door Felix in feitelijke aanleg gevoerde betoog, (…) dat Felix, gezien de omstandigheden van het geval — kort gezegd: dat hij in de loop van de, in een vergevorderd stadium verkerende, onderhandelingen reeds aanzienlijke investeringen op de luchthaven had verricht en gedurende negen maanden reeds 400 vliegtuigen had afgehandeld — erop mocht vertrouwen dat de luchthavenmeester die bevoegdheid wel had, en voorts dat het afbreken door Aruba van die onderhandelingen onder de gegeven omstandigheden in strijd was met de door Aruba jegens Felix in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid, zodat Aruba gehouden is tot vergoeding aan Felix van diens schade, bestaande in de door hem gemaakte kosten en gederfde winst. In het kader van dit betoog had Felix in hoger beroep onder meer aangevoerd dat twijfel omtrent de interpretatie van de Beheersverordening Luchthavendienst voor rekening heeft te komen van Aruba, van wie immers de redactie daarvan afkomstig is, en dat hij op grond van de bewoordingen van de verordening erop mocht vertrouwen dat de luchthavenmeester bevoegd was bindende toezeggingen jegens hem te doen.”
6.7
U formuleerde een omstandighedencatalogus voor de beoordeling van de zaak en wees hem terug naar het Hof voor een herbeoordeling op basis van die catalogus:
“Bij de beoordeling van dit betoog, dat van wezenlijke aard is, zodat het Hof daaraan niet voorbij had mogen gaan, is mede van betekenis dat in geval van onderhandelingen tussen een overheidsfunctionaris en een derde die in de onjuiste veronderstelling verkeert dat deze functionaris ten aanzien van de desbetreffende materie bevoegd is de overheid te binden, zich omstandigheden kunnen voordoen, waaronder die onjuiste veronderstelling voor rekening van de overheid dient te komen. Daarbij valt niet alleen te denken aan het geval dat de onjuiste veronderstelling is gewekt door een gedraging van het wel bevoegde overheidsorgaan, maar ook aan factoren als: de positie die de handelende functionaris binnen de organisatie van de overheid inneemt en diens gedragingen, de omstandigheid dat die organisatie en/of de verdeling van de bevoegdheden over de verschillende organen van de overheid, als gevolg van onduidelijkheid, onoverzichtelijkheid of ontoegankelijkheid van de desbetreffende regelingen, voor buitenstaanders ondoorzichtig zijn, alsmede eventuele nalatigheid aan de zijde van de overheid om de derde tijdig op de onbevoegdheid van de functionaris opmerkzaam te maken.
3.4
Het vorenoverwogene brengt mee dat onderdeel 3 doel treft en het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. (…).”
6.8
De zaak Den Dulk/Eilandgebied Curaçao94 betrof onder meer de vraag of een overeenkomst tot uitgifte van erfpacht was gesloten. Aan Den Dulk was een toezegging gedaan over een dergelijke uitgifte voor zijn Horeca-bedrijf in een gebied dat bij nader inzien onmisbaar was voor de uitbreiding van de haven.95 Het Hof had onder meer geoordeeld dat Den Dulk geen rechten kon ontlenen aan de mededeling door een gedeputeerde - tijdens een bezoek aan Den Dulk’s restaurant - dat het bestuurscollege tot erfpachtuitgifte aan Den Dulk had besloten. Hij had volgens het Hof in verband met zijn eerdere ervaring met collegebesluiten moeten weten dat (alleen) de gezaghebber belast was met de uitvoering (opschriftstelling, ondertekening en inkennisstelling) van door het college genomen besluiten en dat een gedeputeerde geen besluiten kon bekendmaken. U overwoog echter:
“3.3 Het hof heeft (…) geoordeeld dat Den Dulk geen rechten kan ontlenen aan het besluit van het Bestuurscollege van 20 jan. 1988 om, overeenkomstig het advies van het hoofd Domeinbeheer het op de bijgevoegde tekening in rood aangegeven terrein aan Den Dulk in erfpacht uit te geven omdat dit besluit 'niet op de geëigende wijze' aan hem ter kennis is gebracht. Volgens het hof had zulks door de gezaghebber moeten geschieden. Het hof laat dit oordeel steunen op art. 69 Eilandenregeling Ned. Antillen, voor zover dit bepaalt dat de gezaghebber is belast met de uitvoering van de besluiten en beschikkingen van het bestuurscollege, waartoe het hof rekent opschriftstelling, ondertekening en inkennisstelling.
Dit oordeel kan niet als juist worden aanvaard. Art. 69 heeft niet tot strekking het beroep op een besluit van het bestuurscollege door een belanghebbende uit te sluiten wanneer deze van dat besluit in kennis is gesteld anders dan door de gezaghebber. In het onderhavige geval heeft het Bestuurscollege, op voorstel van de met grondzaken belaste gedeputeerde Salsbach, op 20 jan. 1988 het besluit genomen om het nader aangegeven terrein aan Den Dulk in erfpacht uit te geven. Gelet op de omstandigheid dat grondzaken tot de portefeuille van deze gedeputeerde behoorden, mocht Den Dulk ervan uitgaan dat de gedeputeerde Salsbach bevoegd was om het besluit van het Bestuurscollege uit te voeren, voor zover deze uitvoering erin bestond hem van de inhoud van het besluit in kennis te stellen, hetgeen meebrengt dat, anders dan het hof heeft aangenomen, Den Dulk aan dat besluit rechten kan ontlenen. Aan het vorenoverwogene kan de enkele omstandigheid dat de gedeputeerde deze kennisgeving heeft gedaan tijdens een bezoek aan het restaurant van Den Dulk, niet afdoen.
's Hofs oordeel geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het onderdeel in zoverre gegrond is.”
Loth achtte dit ‘een minder gelukkige beslissing’ (zie 6.2 hierboven):
“De burger dient er, juist in de Antilliaanse verhoudingen, op bedacht te zijn dat dergelijke toezeggingen relatieve betekenis kunnen hebben. Het is zeer de vraag of dergelijke toezeggingen moeten worden gehonoreerd, wanneer zo weinig zicht bestaat op de omstandigheden waaronder zij zijn gedaan.”
Scheltema (noot in NJ 1996, 3) meent dat uw oordeel waarschijnlijk moet worden gezien in het licht van de specifieke omstandigheden van het geval: er was volgens hem alle reden het eilandgebied, dat op gedane toezeggingen wilde terugkomen, daartoe juridisch niet teveel ruimte te geven.
6.9
De literatuur omschrijft een in Caribisch Nederland vigerend pokopoko-beginsel als rechterlijke coulance jegens de overheid in verband met de lokale realiteit.96 ‘Pokopoko’ is Papiamento voor ‘rustig aan’. Het beginsel werd al ontwaard in de rechtspraak van eind jaren ’90, maar Sybesma introduceerde de term pokopoko pas in 2000 in een lang artikel in TAR-Justicia.97 Hij beschrijft hoe de rechtspraak die de overheid op de vingers tikt vanwege haar trage functioneren opschuift naar een gematigder lijn waarin de rechter het pokopoko-gedrag van de overheid legitimeert. Hij wees met name op een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof gepubliceerd van 12 januari 1999 in een civielrechtelijke zaak over het uitblijven van een beslissing van de eilandsraad. Het Hof overwoog:98
“4.3 Hier te lande moet ermee rekening worden gehouden dat een verzoek als het onderhavige niet spoedig wordt afgehandeld. Ook Brandt, als hier te lande gevestigde ondernemer, kan niet anders dan dit hebben geweten. Welke omstandigheden aan dit overheidsfunctioneren ten grondslag liggen kan in het midden blijven, duidelijk is dat de maatstaven die de laatste decennia in Nederland ten aanzien van het overheidsgedrag tot ontwikkeling zijn gebracht, niet zonder meer hier te lande behoren te worden aangelegd.
4.4
Verder is van belang dat het hier niet gaat om een verzoek aan de overheid om een min of meer gebonden publiekrechtelijk besluit te nemen, terwijl aan de voorwaarden daarvoor was voldaan. Brandt verzocht de overheid — zonder dat toezeggingen waren gedaan waarop hij kon vertrouwen — hem door een privaatrechtelijke grondtransactie tegemoet te komen. Aan de overheid kwam derhalve een grote beslissingsvrijheid toe. Weliswaar behoort ook dan een reactie van overheidszijde — positief of negatief — niet onbeperkt te kunnen worden opgehouden, maar de door de overheid genomen tijd voor een beslissing zal minder spoedig onrechtmatig zijn. De overheid kan zich immers spoedig — anders dan wanneer het gaat om een gebonden besluit — op het standpunt stellen dat zij nog twijfelt en behoefte heeft aan een ‘rijpingsproces’.”
6.10
In een eveneens civiele uitspraak van 28 september 199999 paste het Hof het pokopoko-beginsel in een andere context toe; niet die van een al dan niet onnodig lang talmende overheid, maar die van de vraag of de eiser vertrouwen contra legem kon ontlenen aan een toezegging van een onbevoegde ambtenaar. Het Hof herhaalde, onder verwijzing naar zijn in 6.8 hierboven geciteerde uitspraak van 12 januari 1999, dat de maatstaven die in Europees Nederland ten aanzien van overheidsgedrag zijn ontwikkeld niet zonder meer in de Cariben behoren te worden aangelegd. Hij het vervolgde:
“In elk geval heeft de ervaring geleerd dat hier te lande op groter schaal dan in Nederland lichtvaardige of anderszins onverantwoorde toezeggingen van overheidswege worden gedaan. Aangezien dit van algemene bekendheid is, kan een gerechtvaardigd (voldoende solide) vertrouwen minder gemakkelijk aanwezig worden geacht.”
6.11
In de eveneens civiele Hofzaak NJ 2001/579100 had een gedeputeerde onbevoegd een erfpachtuitgifte toegezegd hoewel alleen het bestuurscollege daarover ging. Het Hof achtte het ‘van verhoogd belang’ dat in een kleinschalige samenleving als Curaçao, waar persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en niet gemakkelijk iets expliciet wordt geweigerd, regels van bevoegdheid en formele besluitvorming strikt worden gehandhaafd:
“4.11 Het is van verhoogd belang in een kleinschalige samenleving als Curaçao, waar persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete weigering niet gemakkelijk wordt gegeven, dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen. Een toezegging van erfpachtsuitgifte door een gedeputeerde, daar waar het Bestuurscollege bevoegd is, zal dan ook in beginsel door de betrokkene slechts mogen worden opgevat als een verzekering dat er goede kans bestaat dat men de erfpacht zal verkrijgen en mogelijkerwijs dat voor de gedeputeerde een zorgvuldigheidsplicht zal bestaan zich daartoe in te spannen; slechts in zoverre zal dan bij de betrokkene vertrouwen worden gewekt. Een gebondenheid in die zin dat het Eilandgebied schadeplichtig wordt indien de erfpacht niet door het Bestuurscollege wordt uitgegeven, zal niet licht kunnen worden aangenomen.”
6.12
Sybesma101 was kritisch op deze discordantie. De specifieke kenmerken van de Antilliaanse cultuur en het gegeven dat die wezenlijk verschilt van de Nederlandse, zouden al voldoende zijn om overheidsoptreden dan maar niet naar Nederlandse maatstaven te beoordelen. Sybesma vindt dat een gevaarlijke weg omdat de lokale burgers en de ondernemers dan genoegen moeten nemen met een, in vergelijking met Nederland, tweederangs functionerende overheid.
6.13
Het pokopoko-beginsel is desondanks vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof geworden. Mijn voormalig ambtgenoot Rank-Berenschot wees in haar conclusie voor HR NJ 2024/323102 onder meer op GHvJ 27 november 2006, ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG2084, rov. 2.3 (geen beroep op vertrouwensbeginsel na onbevoegdelijk gedane mededeling over vergunningverlening); GHvJ 29 september 2009, ECLI:NL:OGHNAA:2009:BJ9613, rov. 3.3 (geen beroep op vertrouwensbeginsel na onbevoegdelijke toezegging tot indienstneming); GHvJ 30 september 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BU3523, rov. 4.3 (geen beroep op art. 3:61(2) BWSM103 en ook geen onrechtmatige daad door een onbevoegdelijk aanbod tot een arbeidsovereenkomst).
6.14
Men kan zich afvragen of het wel om een beginsel gaat. Sybesma zag het verschijnsel niet als normatief, zoals algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur. Dat lijkt mij correct. Het is eerder een interpretatie-uitgangspunt van contextule aard bij de toepassing van de wet en (contra legem) beginselen van behoorlijk bestuur. De afweging tussen het legaliteitsbeginsel en de mogelijke contra legem werking van algemene (bestuurs)rechtsbeginselen zoals het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel is in de Cariben een iets andere in verband met de andere dan Hollandsche maatschappelijke, sociale, culturele en bestuurlijke context waarin die afweging aldaar gemaakt moet worden. Zij worden minder contra legem toegepast.104
6.15
Ook in uw rechtspraak klinkt een zeker poko poko door. HR NJ 2012/34105betrof een conflict tussen B. en R. over een stuk grond op Sint Eustatius. Tot oplossing van dat conflict had het – daartoe niet bevoegde - Bestuurscollege van het eilandgebied in 1965 aan R. toegezegd dat hij de grond van B. zou kopen en aan R. zou dooverkopen. De koop geschiedde, maar de doorverkoop bleef uit, ondanks bevestiging van de toezegging door diverse gezagsdragers en op doorverkoop wijzende handelingen. De erven R. vorderden primair wegens wanprestatie en subsidiair wegens onrechtmatige daad veroordeling van het eilandgebied tot overdracht van de grond aan hen. Het Gerecht in Eerste Aanleg en het Hof hadden die vordering afgewezen, waarbij het Hof opnieuw ‘van verhoogd belang’ achtte dat regels over bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen in een kleinschalige samenleving waar persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en niet makkelijk iets expliciet geweigerd wordt. Gelet daarop en op de onbevoegdheid van het Bestuurscollege achtte het Hof het Eilandgebied niet gebonden aan de toezegging. Van wanprestatie was daarom geen sprake. Ook de subsidiaire grond strandde omdat de erven R. onvoldoende hadden gesteld. In cassatie klaagden de erven R. tevergeefs dat het Hof het eilandgebied ten onrechte niet gebonden had geacht. In de klachten over ’s Hofs oordeel over de subsidiair gestelde onrechtmatige daad zag u wel aanleiding tot cassatie, maar u citeerde wel ’s Hofs ‘verhoogd belang’-criterium als één van de relevante in aanmerking te nemen omstandigheden en ook u benadrukte dat in een democratische rechtsstaat groot gewicht toekomt aan de wettelijke bevoegdheidsverdeling:
“3.4.1. Wat betreft de klachten die zijn gericht tegen de verwerping door het hof van de subsidiaire grondslag van de vordering, wordt het volgende vooropgesteld (vgl. HR 25 juni 2010, LJN BN0930, NJ 2010/371).
3.4.2.
Weliswaar was het Bestuurscollege zonder toestemming van de Eilandsraad onbevoegd het Eilandgebied te verbinden tot doorlevering van de onderhavige grond aan de desbetreffende zes families, onder wie [R], welke onbevoegdheid kenbaar was uit de wet, in dit geval de Eilanden Regeling Nederlandse Antillen (ERNA). Maar dit neemt niet weg dat op grond van
- het doel van de overdracht van de grond door [B] aan het Eilandgebied, waarover ook hierna in 3.4.4,
- de daarbij aansluitende geruststellende verklaringen van achtereenvolgende gezagsdragers van het Eilandgebied – aanvankelijk, in 1965, het toenmalige Bestuurscollege en daarna, in 2001 en 2004, in de hiervoor in 3.1 onder (iv) en (v) aangehaalde brieven, het Bestuurscollege in zijn latere samenstelling en de Lt. Governor en de Adj. Island Secretary – en
- de daarmee strokende uitvoeringshandelingen van het doen opmeten van de aan ieder van de betrokken zes families toekomende grond en het doen uitgeven van meetbrieven,
tegenover de betrokkenen, onder wie aanvankelijk [R] en nadien diens erven, zodanig concrete verwachtingen kunnen zijn gewekt dat het onrechtmatig is het daarop gebaseerde vertrouwen te beschamen, hetgeen dan een onrechtmatige daad van het Eilandgebied zelf zou opleveren. Daarvoor is in de eerste plaats noodzakelijk dat die gedragingen in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van het Eilandgebied zelf hebben te gelden.
3.4.3.
Uit de volgende feiten en omstandigheden, in samenhang beoordeeld:
- dat de bevoegdheidsverdeling in de toenmalige ERNA onmiskenbaar is,
- dat in een democratische rechtsstaat groot gewicht toekomt aan een zodanige bevoegdheids-verdeling,
- dat, zoals het hof heeft overwogen, het van verhoogd belang is in een kleinschalige samenleving, waarin persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete weigering niet gemakkelijk wordt gegeven, dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen, en
- dat een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad wegens vertrouwen dat is gewekt door een onbevoegd verrichte vertegenwoordigingshandeling, ook al moet deze worden bezien in samenhang met de overige omstandigheden van het geval, met een en ander niet gemakkelijk is te rijmen,
volgt dat slechts onder bijzondere omstandigheden plaats is voor het oordeel dat de gedragingen waarop de subsidiaire grondslag van de vordering is gebaseerd, als gedragingen van het Eilandgebied zelf, jegens erven [R] onrechtmatig zijn.
3.4.4.
In dit verband is echter ook van belang dat in dit geding vaststaat dat de hiervoor in 3.4.2 bedoelde verwachtingen met name waren gebaseerd op de in diezelfde overweging al genoemde omstandigheid dat de grond door (…) [B] in 1965 aan het Eilandgebied is overgedragen om een conflict op te lossen dat bestond tussen hem en degenen die aanvankelijk mede-eigenaren waren, dat het Bestuurscollege klaarblijkelijk aan de oplossing van dit conflict wilde bijdragen door aan [B] toe te zeggen deze grond door te leveren aan degenen die daarop in verhouding tot [B] rechthebbenden waren, en dat het Eilandgebied als grondeigenaar aldus in een bijzondere vertrouwenspositie kwam te staan tegenover enerzijds [B] en anderzijds de vorenbedoelde rechthebbenden.
3.5.
In het licht van hetgeen hiervoor in 3.4.1-3.4.4 is overwogen, is het oordeel van het hof in rov. 2.11 dat erven [R] onvoldoende feiten of omstandigheden hebben gesteld waaruit kan worden geconcludeerd dat sprake is van een onrechtmatige daad, hetzij gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting, hetzij onbegrijpelijk gemotiveerd (...).”
6.16
In de zaak De Goede Hoop/Curaçao106 vernietigde u het mede op het pokopoko-beginsel gebaseerde oordeel van het Hof. Mijn voormalig ambtsgenoot Rank-Berenschot beschreef die zaak als volgt in haar conclusie van 5 juli 2024107 voor HR NJ 2024/323108:
“(…). De Goede Hoop/Curaçao ging over een verkavelingsplan in Curaçao. Het Bestuurscollege had De Goede Hoop medegedeeld bereid te zijn een verkavelingsplan goed te keuren, inhoudende de planvoorwaarde dat een grondtransactie met de overheid zou plaatsvinden. Deze grondtransactie diende (…) de aanleg van een weg. De planvoorwaarde bracht voor De Goede Hoop een beperking in haar eigendom van de betreffende strook grond mee, in die zin dat het haar niet vrijstond de strook aan derden te verkopen. Toen medewerking van het Eilandgebied aan de grondtransactie langdurig was uitgebleven, vorderde De Goede Hoop (subsidiair) veroordeling van het Eilandgebied tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad, waaronder de schade die zij leed als gevolg van het niet eerder dan bij brief van 26 juni 2008 – tijdens het geding in eerste aanleg – opheffen van de beperking van haar eigendomsrecht als vervat in het verkavelingsplan.
In hoger beroep wees het Gemeenschappelijk Hof de vordering tot schadevergoeding af. Op het betoog van het Eilandgebied dat ontheffing van de vermeende reservering niet nodig was omdat de wettelijk voorgeschreven goedkeuringsprocedure niet was doorlopen en De Goede Hoop derhalve vrijelijk over zijn eigendom kon beschikken, overwoog het Hof dat niet was gebleken dat het vereiste besluit tot goedkeuring van het verkavelingsplan was geslagen en bekendgemaakt (rov. 4.2). Volgens de subsidiaire stelling van De Goede Hoop moest het er dan voor gehouden worden dat er wel een besluit was, omdat het Eilandgebied en zijn ambtenaren steeds hadden gehandeld alsof dit besluit was geslagen. Bij de beoordeling van die stelling stelde het Hof voorop dat “het van groot belang is in een kleinschalige samenleving als Curaçao, waar persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen, dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen.” Voor zover het Eilandgebied en zijn ambtenaren hadden gehandeld alsof het besluit was geslagen, berustte dit op een vergissing en rechtens was het Eilandgebied niet gehouden te volharden in deze vergissing. Verder bestaat er, aldus het Hof, geen regel inhoudende dat mededelingen die door of namens het Bestuurscollege zijn gedaan ten aanzien van de onderhavige beperking het Eilandgebied binden, nu niet het Bestuurscollege maar de Eilandsraad terzake bevoegd is. Voor zover De Goede Hoop op basis van die mededelingen een beroep deed op het vertrouwensbeginsel, kon dit dan ook niet slagen, waarbij werd meegewogen dat niet is gesteld of gebleken dat De Goed Hoop als onmiddellijk betrokkene het gewaarmerkte afschrift van het besluit heeft ontvangen (rov. 4.3).”
U oordeelde in die zaak als volgt:
“3.6.5 Het hof diende de vraag te beantwoorden of het Eilandgebied in de gegeven omstandigheden onrechtmatig heeft gehandeld door niet eerder dan bij brief van 26 juni 2008 de beperking van het eigendomsrecht van De Goede Hoop (…) op te heffen.
In rov. 4.3 ligt (…) besloten dat het Eilandgebied door zijn handelen of nalaten met betrekking tot de onderhavige beperking van het eigendomsrecht van De Goede Hoop niet uit onrechtmatige daad aansprakelijk kan zijn. Dat oordeel geeft ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel is ontoereikend gemotiveerd. Het eerste is het geval als het hof heeft miskend dat ook indien het feitelijk handelen van het Eilandgebied op een vergissing berustte – hierin bestaande dat het, ten onrechte ervan uitgaande dat het verkavelingsplan was goedgekeurd, op basis daarvan bij herhaling heeft meegedeeld dat de beperking zoals vervat in art. 3 sub b nog steeds valide was – het doen van deze mededelingen terwijl volgens het Eilandgebied de geplande weg feitelijk niet meer kon worden verwezenlijkt, onder omstandigheden een onrechtmatige daad kan opleveren die naar verkeersopvattingen voor rekening van het Eilandgebied komt. Daaraan kan niet afdoen dat, zoals het hof heeft overwogen, ‘het van groot belang is (…) dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen’ omdat daartegenover het grote belang staat van bescherming van door de overheid gewekt gerechtvaardigd vertrouwen dat wel in overeenstemming met die regels is gehandeld. Als het hof een en ander niet heeft miskend, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de vaststaande feiten en van hetgeen De Goede Hoop heeft gesteld, dat erop neerkomt dat zij op grond van aan het Eilandgebied toe te rekenen onzorgvuldig handelen van zijn ambtenaren de strook grond meer dan 25 jaar gereserveerd heeft gehouden voor een grondtransactie met het Eilandgebied en niet heeft (mee)verkocht aan Aredco of andere geïnteresseerden.”
6.17
De Haan109 – ten tijde van de arresten in de zaken De Goede Hoop/Eilandgebied Curaçao en Erven R./St. Eustatius raadsheer in het Gemeenschappelijk Hof – meent dat uit deze rechtspraak blijkt dat u het pokopoko-beginsel erkent, maar grenzen stelt aan de toepassing ervan. Ook Noten110 leidt uit deze rechtspraak af dat u het beginsel heeft aanvaard.
6.18
Tussen 2011/2012 en 2024 heeft het pokopoko-gezichtspunt nog enkele keren zichtbaar meegewogen in de Caribische rechtspraak. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao oordeelde op 1 juni 2022 over een geschil tussen de Stichting voor Ouderenzorg Birgen di Rosario en de minister van Sociale Ontwikkelingen, Arbeid en Welzijn van Curaçao over ter zake van een subsidietoekenning gewekt vertrouwen. De minister had de Stichting geschreven dat hij bereid was om haar exploitatietekort onder voorwaarden met Naf 1,6 mio te verkleinen. Van 2013 t/m 2017 werd die aanvullende subsidie steeds verstrekt bovenop de reguliere subsidie (in 2013 t/m 2019 elk jaar NAf 8.662.700). De stichting vroeg ook voor 2018 de reguliere en de aanvullende subsidie aan, maar ontving alleen de reguliere. De stichting ging in beroep bij de LAR-rechter,111 maar de partijen troffen een minnelijke regeling, waarop de stichting haar beroep introk. De schikking hield in dat de stichting in 2018 en 2019 nog aanvullend gesubsidieerd werd met Naf 1,5 mio, dat de aanvulling daarna afgebouwd zou worden in 2020 (Naf 1 mio) en 2021 (Naf 0,5 mio) en dat vanaf 2022 geen aanvullende subsidie meer zou worden verstrekt. De afspraak werd neergelegd in een op 11 november 2019 door de minister ondertekende en naar de Stichting gestuurde brief die op 13 november 2019 door de voorzitter van de Raad van Bestuur van de stichting werd ondertekend. Op 29 april 2019 diende de stichting haar subsidie-aanvraag voor 2020 in. De sectordirecteur financieel beleid & begrotingsbeheer retourneerde de subsidieaanvraag (pas) op 19 februari 2020 omdat stukken ontbraken, daarbij opmerkende dat de overeengekomen aanvullende subsidies voor 2020 en 2021 geen goedkeuring van de minister van Financiën hadden gekregen. De stichting beriep zich op het door de toezegging in de brief van de minister van 11 november 2019 gewekte vertrouwen, welke toezegging strookte met het handelen van de minister sinds 2013. Bovendien stond in de brief van de minister dat intern was afgestemd. Het Gerecht112 beoordeelde het beroep van de Stichting op basis van het stappenplan in de Amsterdamse-dakopbouwuitspraak113 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State:
“8.1 Bij de eerste stap, de vraag of die uitlating en of gedraging kan worden gekwalificeerd als een toezegging, is onder andere relevant of de betrokkene besefte of had moeten beseffen dat de uitlating van de ambtenaar ging over een beslissing die buiten de bevoegdheid van het bestuursorgaan lag, of anderszins in strijd was met de toepasselijke rechtsregels. Hierbij is van belang dat op degene die een beroep op het vertrouwensbeginsel doet een onderzoeksplicht rust. Bij de vraag of een toezegging is gedaan, speelt ook de deskundigheid van de betrokkene een rol.
8.2
Artikel 10, eerste lid, van de Landsverordening comptabiliteitsvoorschriften Curaçao bepaalt dat voornemens die betrekking hebben op een nog op te stellen begroting, of die financiële gevolgen hebben welke de op een lopende begroting toegestane bedragen overschrijden of aan gelden een andere bestemming geven dan in die begroting is aangegeven, niet door een minister tegenover de Raad van Ministers of de Staten of in het openbaar uitgesproken worden en voorstellen, toezeggingen of andere uitspraken dienaangaande, onderscheidenlijk met zodanige gevolgen, worden niet aldus door hem gedaan, zonder dat de minister van Financiën daarover zijn oordeel heeft gegeven.
8.3
In dit geval is het Gerecht van oordeel dat de uitlating van verweerder in de brief over het toekennen van de aanvullende subsidie in 2020 in strijd was met de toepasselijke rechtsregels, namelijk artikel 10, eerste lid, van de hiervoor genoemde landsverordening. Het is in een kleinschalige samenleving als Curaçao, waar persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete weigering niet gemakkelijk wordt gegeven, van verhoogd belang dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen. Tegen die achtergrond mag van een betrokkene in Curaçao worden verwacht dat hij de toepasselijke rechtsregels kent of onderzoek daarnaar doet, zeker als het gaat om rechtsregels over eventuele toezeggingen. Van eiseres hoefde dat onderzoek in dit geval niet verwacht te worden. In de brief staat namelijk de zinsnede dat “wij na interne overweging tot de beslissing gekomen om St. Birgen di Rosario alsnog een additionele subsidie te verstrekken (…)”. De door het Gerecht cursief weergegeven passage uit de brief maakt dat eiseres ervan mocht uitgaan dat verweerder zijn toezegging met de minister van Financiën had afgestemd. Eiseres hoefde uit die passage, anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, niet te begrijpen dat met het woord intern alleen het departement van verweerder bedoeld werd.
8.4
Naar het oordeel van het Gerecht is in dit geval ten aanzien van de aanvullende subsidie dus sprake van een toezegging van een daartoe bevoegd bestuursorgaan. Het Gerecht zal daarom stap drie bespreken.
8.5
Uit eveneens vaste rechtspraak van de AbRS (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6882) volgt dat het vertrouwensbeginsel niet met zich brengt dat gerechtvaardigde verwachtingen altijd moeten worden gehonoreerd. Daartoe is vereist dat bij afweging van de betrokken belangen, waarbij het belang van degene bij wie de gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt zwaar weegt, geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de verwachtingen in de weg staan. Die zwaarder wegende belangen kunnen zijn gelegen in strijd met de wet, het algemeen belang en meer specifiek, veel voorkomend in het omgevingsrecht, belangen van derden. Indien er zwaarder wegende belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de schade die er zonder het vertrouwen niet geweest zou zijn te vergoeden als onderdeel van diezelfde besluitvorming.
8.6
Naar het oordeel van het Gerecht zijn er in dit geval belangen die zwaarder wegen dan het belang van eiseres bij wie gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt. Ondanks het zwaar wegende belang van eiseres, weegt het algemeen belang zwaarder. En dat algemene belang is in dit geval het op orde brengen en houden van de overheidsfinanciën tegen de achtergrond van de na de toezegging aan eiseres gemaakte afspraken met Nederland over liquiditeitssteun en de verslechterde financiële situatie van het land als gevolg van de COVID-pandemie. Het betoog van eiseres ter zitting dat met deze omstandigheden geen rekening moet worden gehouden omdat verweerder uiterlijk in oktober 2019 had moeten beslissen op het verzoek volgt het Gerecht niet. Het feit dat verweerder te laat heeft beslist op het verzoek van eiseres brengt niet met zich dat de hiervoor vermelde huidige financiële omstandigheden van het Land door verweerder buiten beschouwing moesten worden gelaten ten tijde van de besluitvorming over de toekenning van de aanvullende subsidie. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat er als gevolg van deze omstandigheden ook door verweerder extra kritisch naar alle uitgaven moet worden gekeken. Bij alle instellingen waar verweerder aan moet betalen, zal moeten worden gekort als gevolg van de veranderde omstandigheden. Ook bij eiseres zal dat moeten. Het alsnog uitbetalen van de aanvullende subsidie zal tot nog grotere kortingen leiden bij de andere instellingen aan wie verweerder betaalt en dat acht verweerder niet eerlijk.
8.7
Slotsom is dus dat het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel voor zover het gaat om de aanvullende subsidie niet slaagt.”
6.19
In de recente zaak HR NJ 2024/323114 erkende en benoemde uw eerste kamer het pokopoko-gezichtspunt expliciet, maar als slechts één van alle voor het specifieke geval relevante – en dus niet doorslaggevend - gezichtspunten bij een vertrouwensberoep jegens de Caribische overheid, óók in gevallen waarin het niet gaat om onbevoegd of zonder de vereiste formele besluitvorming gedane toezeggingen. De zaak betrof Sint Maarten Shipyard NV, die terrein erfpachtte van het land Sint Maarten. Twee van de erfpachtvoorwaarden waren dat alleen mobiele installaties op het terrein mochten worden geplaatst en het terrein aan het einde van de erfpachttermijn leeg moest worden opgeleverd. In 2007 gaf het bevoegde orgaan van het Land een bouwvergunning aan Shipyard voor een betonnen gebouw, dat vervolgens door Shipyard is gebouwd. In 2019, na afloop van de erfpachtperiode, gaf het Land Shipyard twee maanden om het terrein te ontruimen. Shipyard beriep zich op het door de bouwvergunning gewekte vertrouwen dat het land ook privaatrechtelijk, als eigenaar van de grond, akkoord was gegaan met bouwen in afwijking van de erfpachtvoorwaarden. Zij vorderde veroordeling van het Land tot openbare verkoop van het beëindigde erfpachtrecht en uitkering van de opbrengst aan Shipyard, zoals volgens haar bepaald in art. 16 Verordening op de uitgifte van eigendommen. Het Gerecht in eerste aanleg had die eis afgewezen omdat volgens de erfpachtaktes alleen mobiele installaties mochten worden geplaatst en uit het pokopoko-beginsel volgt dat Shipyard eerst als erfpachter toestemming had moeten vragen aan de eigenaar en pas daarna de bouwvergunning had moeten aanvragen. Ook het Hof wees de vordering af, onder meer omdat het strikt volgen van de vereiste procedures van groot gewicht is om de belangen van het Land, en daarmee de bevolking, zo goed mogelijk te waarborgen. Shipyard’s cassatieberoep strandde:
“3.1 Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 2.24-2.25 onjuist is omdat het blijk geeft van een verkeerde toepassing van het zogenoemde pokopoko-beginsel. Daarmee doelt het onderdeel op het beginsel dat het van verhoogd belang is in een kleinschalige samenleving, waarin persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete weigering niet gemakkelijk wordt gegeven, dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen. Het onderdeel betoogt (onder verwijzing naar [Erven R./Sint Eustatius en De Goede Hoop/Curaçao; zie 6.14 en 6.15 hierboven; PJW]) dat het hof heeft miskend dat dit beginsel moet worden afgewogen tegen andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel.
(…) onderdeel 1.3 (…) klaagt onder meer dat het hof niet ingaat op het betoog van Shipyard dat de bouwvergunning destijds is verleend door het daartoe bevoegde gezag, waarmee vaststaat dat het Shipyard publiekrechtelijk was toegestaan de bouwwerkzaamheden te verrichten, en dat Shipyard op grond van de bouwvergunning erop mocht vertrouwen dat het Land akkoord was met de aanleg van de scheepswerf.
(…).
3.4
In de uitspraken van de Hoge Raad waarop onderdeel 1.1 een beroep doet [Erven R./Sint Eustatius en De Goede Hoop/Curaçao; zie 6.14 en 6.15 hierboven; PJW], ging het om overheidsaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad wegens handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel, te weten het beschamen van vertrouwen dat is gewekt door handelen dat op zich in strijd is met regels over bevoegdheid en formele besluitvorming. Daarvan is in dit geval geen sprake. In deze zaak heeft het bevoegde orgaan een bouwvergunning verleend en stelt de vergunninghouder (…) dat bij hem daardoor het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de overheid als eigenaar toestemming heeft gegeven om de geldende erfpachtvoorwaarden niet na te leven. In zoverre wijkt het geval dat hier aan de orde is, af van de gevallen die ten grondslag lagen aan de uitspraken waarop onderdeel 1.1 een beroep doet.
3.5
De onderdelen nemen tot uitgangspunt dat ook bij de beantwoording van de vraag of, in een geval als het onderhavige, de overheid bij een betrokkene gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt, niet zonder meer doorslaggevend is het beginsel dat het van verhoogd belang is in een kleinschalige samenleving, waarin persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete weigering niet gemakkelijk wordt gegeven, dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen. Dat uitgangspunt is juist. Bij de beoordeling of het vertrouwen gerechtvaardigd is, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Het hof heeft dit niet miskend. Het hof overweegt in rov. 2.25 immers dat het hiervoor bedoelde beginsel (“dit”) en de andere door de Hoge Raad genoemde feiten en omstandigheden niet altijd doorslaggevend zijn, zoals ook blijkt, zo merkt het hof op, uit HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8413, rov. 3.6.5.
3.6
In rov. 2.24 heeft het hof overwogen dat het instemt met het oordeel van het gerecht in rov. 4.17 dat met het afgeven van een bouwvergunning voor gebouwen op het terrein, in dit geval geen toestemming is gegeven om de erfpachtvoorwaarden niet na te leven. Hierin ligt besloten dat het hof van oordeel is dat Shipyard onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat zij erop heeft mogen vertrouwen dat haar ook privaatrechtelijke toestemming was gegeven om te bouwen op de erfpachtgrond. Uit de verwijzing door het hof naar rov. 4.17 van het vonnis van het gerecht, waarin is overwogen dat “het afgeven van een bouwvergunning voor een gebouw door de Minister van VROMI niet gelijk gesteld kan worden aan toestemming door diezelfde Minister om op de in erfpacht uitgegeven percelen een gebouw neer te zetten”, blijkt dat het hof de hiervoor in 3.1 vermelde stelling dat de bouwvergunning destijds is verleend door het daartoe bevoegde gezag, heeft onderkend. Daarmee staat vast dat het Shipyard publiekrechtelijk was toegestaan de bouwwerkzaamheden te verrichten. Vervolgens verwerpt het hof de hiervoor in 3.1 vermelde stelling dat Shipyard op grond daarvan erop mocht vertrouwen dat het Land (ook privaatrechtelijk) akkoord was met de aanleg van de scheepswerf. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Uit de in het middel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken (zie hiervoor de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.36-6.42) blijkt niet op grond waarvan de enkele vergunningverlening volgens Shipyard het bedoelde gerechtvaardigde vertrouwen kon wekken, afgezien van het feit dat de vergunning afkomstig was van hetzelfde overheidsorgaan dat volgens haar ook bevoegd is om privaatrechtelijke toestemming te geven. Voor zover deze stelling ervan uitgaat dat een publiekrechtelijke bouwvergunning zonder meer privaatrechtelijke toestemming tot de vergunde bebouwing meebrengt, berust zij op een onjuiste rechtsopvatting.115”
6.20
Het pokopoko-beginsel is dus geen rechtsbeginsel, maar één van de omstandigheden van het geval die van belang zijn bij de toetsing van het overheidshandelen aan ‘echte’ rechtsbeginselen zoals het vertrouwensbeginsel. Daarmee is het pokopoko-beginsel vooral een gezichtspunt voor de feitenrechter, en dat lijkt mij terecht, nu zij dichter dan u bij de couleur locale zit. Het enige bijzondere aan het pokopoko-gezichtspunt ten opzichte van alle andere te Haviltexen omstandigheden is dat het in de Cariben een min of meer permanente omstandigheid is die in beginsel in alle gevallen van rechtsbetrekkingen tussen burger en bestuur één van de relevante feiten en omstandigheden is.
6.21
Van Rijn116 signaleerde in 2024 dat de Caribische rechter onder uw invloed inmiddels het pokopoko-gezichtspunt minder lijkt te laten meewegen dan voorheen. Hij wees op GEA-Curaçao 25 april 2016, ECLI:NL:OGEAC:2016:9, r.o. 4.10 en GEA-Sint Maarten 4 september 2020, ECLI:NL:OGEAM:2020:66.117
7. Vordering 2: het vertrouwensbeginsel; kwalificatie van de posts; (geen) dispositie
7.1
Uit onderdeel 4 hierboven volgt dat het plan om het invorderingsbestand van de Ontvanger op te schonen al geruime tijd vóór 28 januari 2023 bestond. In de voorstellen en adviezen daartoe werd steeds van ‘buiten invordering stellen’ gesproken. Buiten invordering stellen is niet kwijtschelden. De Regeling van de Nederlandse Minister van Financiën van 2 mei 2014 (vervallen per 1 januari 2018) inzake het kwijtschelden en het buiten invordering stellen van vorderingen die het Rijk op derden heeft,118 definieerde buiteninvorderingstelling als “een eenzijdig door het Rijk genomen besluit om een vordering op een debiteur voorlopig of definitief niet te innen”. In de daaropvolgende Regeling financieel beheer van het Rijk is buiteninvorderingstelling gedefinieerd als: “een door de staat genomen beslissing om een vordering op een derde niet in te vorderen” Uit de toelichting volgt dat de betekenis van het begrip niet is gewijzigd.119 Het was dus niet de bedoeling van de Minister van financiën of de Ontvanger van Curaçao om aanslagen over 2017 en ouder kwijt te schelden, waartoe de lokale wetgeving ook geen wettelijke basis of bevoegdheid geeft. Het gebruik van de term ‘kanselá/gecanceld’ in het Facebook-bericht van de minister van 28 januari 2023 was kennelijk een vergissing van de minister.
7.2
Gezien de aard van het bericht en het medium waarop het is gepost, lijkt ook overigens sprake van een fout. Naar eigen zeggen120 gebruikt de minister zijn persoonlijke – dus niet vanwege enige overheidsinstantie geopende – Facebook-pagina om rechtstreeks te communiceren met de bevolking. Die communicatie lijkt overigens vrij eenzijdig. Zijn privé-pagina is een onoverzichtelijke menging van vele zuiver persoonlijke berichten, zoals over zijn carnavalsviering, en berichten over officiële gebeurtenissen, maar ook bij die laatste is de toon vooral informeel, de vorm telegram-achtig en anekdotisch en de inhoud onambtelijk en (dus) onprecies. De meeste berichten zijn (zeer) korte updates die gelet op stijl, uiterste beknoptheid (“Done!”) en (dus) kennelijke onvolledigheid niet bedoeld kunnen zijn om andere accounthouders volledig en genuanceerd op de hoogte te stellen van de inhoud van juridische regelingen of politieke besluiten, maar om hen laagdrempelig te informeren121 over ontwikkelingen en belevenissen en kennelijk ook over de daadkracht en de successen van de minister. In dit geval heeft dat geleid tot het gebruik van de feitelijk en juridisch onjuiste term kanselá/gecanceld waar, gezien de in onderdeel 4 weergegeven beleids- en wetgevingsvoorbereidingsgeschiedenis, bedoeld was ‘buiten invordering gesteld,’ alsmede tot het verzuim om te wijzen op de in diezelfde beleids- en wetgevingsvoorbereidings-geschiedenis uitgebreid besproken uitzonderingen op een algemene buiten-invorderingstelling op basis van aanslagjaar, al was het maar door de term ‘onder voorwaarden’ (of desgewenst condicional/conditional) ergens te laten vallen, wat zelfs reclame-actie-ontwerpers standaard doen (‘vraag naar de voorwaarden!’). Het Hof heeft in die omstandigheden terecht geoordeeld dat de zonder enig dergelijk voorbehoud gebruikte term ‘gecanceld’ moeilijk anders verstaan kan worden dan als inhoudende dat de desbetreffende aanslagjaren definitief niet meer ingevorderd zullen worden, met name gezien ook de daarop volgende posts van de minister over de voortgang van die canceling en diens aanmoediging om debiteurenlijsten op te vragen.
7.3
Het Hof heeft de Facebook posts van de minister niet gekwalificeerd als inlichting/voorlichting of toezegging/beleidsregel, kennelijk van mening dat dat niet uitmaakt omdat u, aldus het Hof, in HR BNB 2022/10122 het dispositievereiste losgelaten zou hebben. Die opvatting lijkt mij onjuist. Inderdaad was tot HR BNB 2022/10 de inspecteur alleen gebonden aan onjuiste inlichtingen/voorlichting door de fiscus als de belastingplichtige op basis van die onjuiste voorlichting een handeling had verricht of nagelaten waardoor hij niet alleen tóch de wettelijk verschuldigde belasting moest betalen die hij dacht niet te hoeven betalen, maar daarnaast ook (niet-belasting-)schade leed als gevolg van zijn handelen of nalaten in vertrouwen op die inlichtingen. HR BNB 2022/10 versoepelde dit dispositievereiste, maar schafte het geenszins af.123 U overwoog in HR BNB 2022/10 dat het strenge schadevereiste niet meer past in de huidige rechtsopvattingen en oordeelde vervolgens als volgt:
“In gevallen waarin de belastingplichtige, afgaande op – achteraf bezien onjuiste – informatie, een handeling heeft verricht of nagelaten ten gevolge waarvan een hoger bedrag van hem wordt geheven dan hij op basis van die informatie meende als gevolg van die handeling of dat nalaten te moeten betalen, zal doeltreffende rechtsbescherming tegen inbreuken op het vertrouwensbeginsel in de regel het oordeel rechtvaardigen dat het meerdere niet van de belastingplichtige mag worden geheven.”
7.4
Nog steeds is dus wel degelijk dispositie vereist: de belastingplichtige moet iets hebben gedaan of nagelaten in vertrouwen op de onjuiste voorlichting als gevolg waarvan hij belasting zou moeten betalen die hij volgens die voorlichting niet zou hoeven betalen. Een belastingplichtige koopt bijvoorbeeld een machine bij een leverancier in de VS, vertrouwend op de inlichting van de fiscus dat de EU daar geen importheffing op legt en vervolgens blijkt wel degelijk een hoge importheffing te vigeren. Pre-HR BNB 2022/10 zou in zo’n geval een beroep op het vertrouwensbeginsel vruchteloos gebleven zijn bij afwezigheid van andere schade zoals faillissement of klantenverlies door onvermijdelijke doorberekening van de hogere kostprijs van de geproduceerde artikelen; post-HR BNB 2022/10 slaagt het wél.
7.5
In casu blijkt uit niets dat de belastingplichtige iets heeft gedaan of nagelaten in vertrouwen op de Facebook posts van de minister dat zij zonder die posts niet gedaan zou hebben. Het Hof heeft dat ook niet onderzocht. De kwalificatie van die posts is dus wel degelijk van belang. Die kwalificatie hangt onder meer af van de context, de (veronderstelde) bedoeling en de functie van de uitlatingen.124 Op die basis rijst de vraag of des minister’s posts op een privé-Facebook-pagina überhaupt als rechtens relevant gekwalificeerd kunnen worden.
7.6
Ik meen dat kwalificatie als rechtens contra legem vertrouwen wekkende beleidsregel in elk geval uitgesloten is omdat van behoorlijke officiële publicatie en toegankelijkheid geen sprake is. Mijn medewerker, die zo verstandig is om niet op Facebook te zitten, heeft speciaal een (nep) Facebook-account moeten aanmaken om kennis te kunnen nemen van de litigieuze posts, die bovendien in de onoverzichtelijke en oneindige stroom van privé posts en bestuurlijker posts nauwelijks of niet terug te vinden bleken en kennelijk deels alweer verwijderd waren. Ook dat laatste spreekt tegen kwalificatie als behoorlijk gepubliceerde beleidsregel: elke post kan door de poster op elk willekeurig moment achteraf gewijzigd of verwijderd worden. Die door mijn medewerker aangemaakte account werd uiteraard meteen besprongen met (des)informatie en reclame. Ook ik zit uiteraard niet op Facebook en kan en kon dus net als alle andere burgers en bedrijven zonder account geen kennis nemen van de litigieuze uitlatingen van de minister. Ik meen dat burgers en bedrijven voor hun overheidsvoorlichting niet afhankelijk gemaakt kunnen worden van een uiterst commercieel privaat bedrijf dat met privé-data betaald moet worden en dat onder meer in verband met gebrek aan respect voor gegevensbeschermingsregels en gebrek aan fact checking op gespannen voet staat met toezichthouders. Een overheid hoort mijns inziens voor wat betreft haar beleidsuitingen en voorlichting niet thuis op een dergelijk medium omdat zij haar burgers niet behoort te dwingen om, als zij van beleidsontwikkelingen op de hoogte willen zijn, een account te openen en daarmee doelwit te maken van spammers, complotfabuleurs, reclamemakers en partijen zoals Cambridge Analytica.
7.7
Dat klemt in dit geval ook omdat het om een privé-account van Javier Silvania gaat, die op die privé-pagina van pet wisselt tussen puur privé-hoedanigheden zoals deelnemer aan carnaval, gast op verjaardagspartijen, bezoeker van evenementen, waarnemer/ verslaggever van gebeurtenissen, en meer bestuurlijke hoedanigheden zoals overheidsfunctionaris en mederegelgever, en alles daar tussenin, zoals gast in programma’s of retweeter van vacatures (‘full time On call barista bij de Starbucks’).
7.8
Hoe dan ook is een Facebook-pagina onvoldoende (nl. niet) toegankelijk voor iedereen die om goede redenen niet op Facebook zit. Het CBS Curaçao rapporteerde in 2023: “De groei van Facebook is de afgelopen zes jaar afgevlakt, maar het blijft een van de meest gebruikte social media sites onder volwassenen op Curaçao: 62,1% in 2023”.125 Dus 38% van de volwassenen zit er - mijns inziens terecht - niet op. Van behoorlijke algemene publicatie door of namens een officiële en daartoe bevoegde instantie via een officieel kanaal is mijns inziens geen sprake, waarmee mij kwalificatie als behoorlijk gepubliceerde beleidsregel uitgesloten lijkt. Ook kwalificatie als toezegging lijkt mij dan uitgesloten omdat het om algemene, on-gerichte posts gaat. Een algemene ongerichte toezegging is in feite een beleidsregel. Men kan zich zelfs afvragen (zie de boven in 6.14 geciteerde zaak Erven R./St. Eustatius) of dit Facebook-gedrag in het maatschappelijk verkeer überhaupt als gedraging van het ministerie van financiën of van de belastingdienst/ontvanger van het land Curaçao kan gelden, mede gegeven dat er ook een Facebook-pagina ’Belastingdienst Curaçao’126 bestaat die (wél) vermeldt dat het om een overheidsorganisatie gaat en die (wél) verwijst naar de officiële website belastindienst.cw.
7.9
De ministeriële aanwezigheid op een privé Facebook-pagina is kennelijk ook voorwerp van stroeve discussie geweest tussen ambtenaren en de minister. Het Antilliaans Dagblad berichtte dat de douane- en belastingdienstvakbond STrAF de minister heeft gevraagd om af te zien van zijn vele posts op zijn privé-Facebook-pagina omdat “veel van de berichten die Silvania lukraak plaatst de werknemers in gevaar brengt. Ze zouden daardoor meer en vaker worden bedreigd.” Op dat verzoek reageerde de minister volgens die krant slechts met “No”. De minister ziet zijn posts volgens het AD als “mijn manier om in direct contact te staan met de bevolking.” Kennelijk was het verloop van deze discussie met de vakbond (vergadering na tien minuten al beëindigd; ‘No’) de aanleiding om ook de genoemde Facebook-pagina ‘Belastingdienst Curaçao’ te openen.127
7.10
Ten overvloede merk ik op dat de litigieuze ‘cancel’-posts kennelijk voorlichtend bedoeld waren. Dat volgt niet alleen uit hun kort-door-de-bocht- en rapporterende karakter, maar ook uit het feit dat zij onderdeel waren van een onafzienbare en voortdurende stroom eveneens korte updates en verslagen van gebeurtenissen, belevenissen en aanwezigheden.
7.11
Als de litigieuze uitlatingen op de privé-Facebook-pagina al als behoorlijk algemeen gepubliceerde officiële bekendmaking zouden kunnen gelden, kan het mijns inziens hoogstens om (onjuiste) voorlichting gaan, mede gegeven dat de term ‘kanselá/gecanceld’ een kennelijke vergissing is: er bestaat geen bevoegdheid tot kwijtschelding, en buiteninvorderingstelling is een geenszins onherroepelijke interne boeking. Nu niet is vastgesteld dat de belastingplichtige iets heeft gedaan of nagelaten in vertrouwen op de posts, moet er in deze procedure vanuit gegaan worden dat dat niet het geval is en moet mijns inziens op basis daarvan geoordeeld worden dat de belastingplichtige geen rechtens relevant vertrouwen aan de posts kon ontlenen. Van een toezegging of behoorlijk gepubliceerde beleidsregel is mijns inziens geen sprake en gezien het privé-karakter van het internet-vehikel en de vorm, context en aard van de posts kan betwijfeld worden of het überhaupt om voorlichting door een officiële instantie gaat, maar als dat kan, dan is niet voldaan aan het dispositievereiste voor honorering van vertrouwensberoep.
7.12
Poko poko speelt dan geen rol, maar voor het geval u – anders dan ik - meent dat in de Nederlandse context in hetzelfde geval (dus: (i) de Nederlandse minister van financiën post precies dezelfde aanslag-cancel-berichten op een privé-Facebook-pagina als onderdeel van eenzelfde stroom van informele gemengde berichten over zowel privé-leven als bezigheden in functie; en (ii) van dispositie door de belastingplichtige is geen sprake) een contra legem beroep op vertrouwen op die posts gehonoreerd zou moeten worden, meen ik dat het poko poko-gezichtspunt meebrengt dat dat op Curaçao anders is en dat het vertrouwensbginsel in die context anders, nl. minder contra legem en minder in strijd met het gelijkheidsbeginsel moet worden toegepast. Het lijkt mij overigens ondenkbaar dat de Nederlandse minister van financiën alle aanslagen over jaren verder dan vier jaar terug zou ‘cancellen’/’annuleren’ of buiten invordering zou stellen – ongeacht het veel relevantere jaar van aanslagoplegging –, gegeven de andere omstandigheden waarin de debiteurenadministratie en de handhaving verkeren en gegeven de schending van het gelijkheidsbeginsel die een dergelijke maatregel zou inhouden jegens trouwe belastingbetalers. Het verschil in context en omstandigheden springt op dat punt in het oog. De boven in de onderdelen 4, 5 en 6 geschetste lokale context en omstandigheden, met name de in 4.1 t/m 4.27 weergegeven context en de in 4.15 en 4.16 gerapporteerde omstandigheden bij de Landsontvanger, alsmede de budgettaire en discriminatoire gevolgen van honorering van vertrouwen op de posts op de privé-Facebook-pagina zonder minstens de later (wel officieel) bekend gemaakte uitzonderingen op de misnomer ‘gecanceld’, zijn mijns inziens grond voor verwerping van vertrouwensberoep van belastingplichtigen die onder die uitzonderingen vallen, zoals onze belastingplichtige. Het ontgaat mij waarom de minister zijn dubbele fout (de term ‘kanselá’/’gecanceld’ en het niet noemen van de uitgebreid ambtelijk voorbesproken uitzonderingen) niet meteen hersteld heeft maar daar ruim twee maanden over gedaan heeft.
7.13
Hoewel denkelijk hoogstens zijdelings van belang, wijs ik nog op twee uitspraken. In de eerste plaats uw arrest HR BNB 2020/17,128 waarin u oordeelde dat, zo de minister van financiën van Sint Maarten al zou hebben toegezegd een aanschrijving te doen uitgaan die vrijstelling van belasting op bedrijfsomzetten zou regelen voor leveringen en diensten van ondernemers in het kader van de bouw van een brug, daaraan geen door de belastingrechter te honoreren vertrouwen kan worden ontleend dat de inspecteur volgens zodanig aanschrijving zal handelen voordat of zonder dat zo’n aanschrijving van kracht is geworden. In de tweede plaats de uitspraak van het Hof Den Bosch van 31 augustus 2022129 over een beroep op vertrouwen op een publicatie ‘Gemeentelijke belastingen 2019’ in een zaak over rioolheffing. Dat Hof overwoog:
“4.15. In verband met het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft belanghebbende op de volgende passage in de publicatie Gemeentelijke belastingen 2019 gewezen:
‘Bent u op 1 januari 2019 eigenaar van een woning, bedrijfspand of een garagebox ? Dan betaalt u de 'eigenarenheffing'. Eigenaren betalen een vast bedrag.’
Belanghebbende klaagt erover dat nergens is vermeld dat een veelvoud van dit vaste bedrag geheven zou kunnen worden.
4.16.
Het hof is van oordeel dat belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Belanghebbende kan redelijkerwijs niet aan de aangehaalde passage vertrouwen ontlenen over hoeveel rioolheffing hij in totaal verschuldigd is ter zake van het object. Het hof neemt daarbij in aanmerking, in onderlinge samenhang bezien, (i) dat nu sprake is van een publicatie met een algemeen voorlichtend karakter en het een korte passage betreft, belanghebbende had moeten begrijpen dat de passage niet alomvattend hoeft te zijn en (ii) dat het object zodanige kenmerken heeft (loodsen met units) dat belanghebbende had moeten begrijpen dat deze niet duidelijk valt onder een van de categorieën die in de publicatie wordt genoemd, althans dat belanghebbende niet zonder meer ervan mocht uitgaan dat de categorie ‘bedrijfspand’ van toepassing was. Anders gezegd: belanghebbende had moeten beseffen dat het mogelijk was dat de voorlichting geen uitsluitsel over de heffing gaf voor zijn geval.
Ten overvloede overweegt het hof dat ook al zou wel sprake zijn van gerechtvaardigd vertrouwen, dit nog niet betekent dat dit vertrouwen moet worden gehonoreerd en dat afgeweken kan worden van een juiste toepassing van de Verordening. Dat zou anders kunnen zijn indien belanghebbende afgaande op de informatie een handeling heeft verricht of nagelaten ten gevolge waarvan een hoger bedrag van hem wordt geheven dan hij op basis van die informatie meende als gevolg van die handeling of dat nalaten te moeten betalen. Niet gesteld is dat belanghebbende afgaande op de informatie zo’n handeling heeft verricht of nagelaten.”