3.2
Ik herhaal dat het hof ten laste van de verdachte heeft bewezen verklaard dat:
“hij op 3 oktober 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven (zijnde moord, strafbaar gesteld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht), waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, opzettelijk
- een vuurwapen en
- (gestolen) voertuigen en
- PGP toestellen,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.”
3.3
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:
“5.3.2 Medeplegen van voorbereiding van moord
Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 3 oktober 2015 voorbereidingshandelingen zijn verricht om [slachtoffer] op die dag van het leven te beroven. Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen hiervan en overweegt hiertoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. (vgl. Hoge Raad 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2126, NJ 2016/420, met noot N. Rozemond)
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.
Op 3 oktober 2015 had [medeverdachte 3] contact met een persoon in de Sporthallen Zuid te Amsterdam, alwaar [slachtoffer] aanwezig was. [medeverdachte 3] gaf aan de schutter, die op een brug stond, meerdere keren door hoe [slachtoffer] gekleed was en dat hij bijna naar buiten zou komen. Ook gaf hij aan de schutter door dat [slachtoffer] niet met de brommer/scooter, maar lopend zou zijn. [medeverdachte 3] had hierover contact met [medeverdachte 2] en hield hem op de hoogte. Ook de verdachte communiceerde met [medeverdachte 2] . Aan de schutter was een motorscooter afgegeven.
Om 22.14 uur stuurt de verdachte een mailwisseling door aan [medeverdachte 2] . Uit deze mailwisseling blijkt dat de verdachte contact heeft met ‘ [betrokkene 2] ’. Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat ‘ [betrokkene 2] ’ de beoogd schutter is.
Om 21.04 uur stuurt [medeverdachte 2] een signalement (blauw Adidastrainingspak, Adidasschoen en een Louis Vuittontasje) dat hij even daarvoor van [medeverdachte 3] heeft gekregen door aan ‘ [naam 9]’.
‘ [betrokkene 2] ’ stuurt om 21.38 uur aan de verdachte dat hij risico voor niets neemt, dat hij de motor helemaal naar oost moet brengen en zo niet meer gaat werken. Verder stuurt hij dat hij werkt op honderd procent en geen risico voor niets neemt. ‘ [betrokkene 2] ’ stuurt een berichtenwisseling met [medeverdachte 3] door aan de verdachte. Het hof leidt uit het dossier af dat ‘ [betrokkene 2] ’ in de telefoon van [medeverdachte 3] stond opgeslagen als ‘ [naam 9]’. Uit deze berichtenwisseling, vanaf 21.18 uur, blijkt dat ‘ [naam 9]’ op dat moment voor de deur op de brug stond en iedereen zag die naar buiten kwam. [medeverdachte 3] gaf aan dat hij niet te missen is en dat hij dik is, met een trainingspak. ‘ [naam 9]’ vraagt aan [medeverdachte 3] of hij zijn vriend kan vragen of hij er nog is. [medeverdachte 3] geeft daarop aan dat zijn vriend (het hof begrijpt: de persoon in de sporthal) al weg is, maar dat hij had gezegd dat ‘die bolle’ nog binnen is. [medeverdachte 3] schrijft aan ‘ [naam 9]’ dat hij nog even moet wachten en dan maar weg moet gaan.
[medeverdachte 2] stuurt de verdachte om 22.25 uur een berichtenwisseling door tussen [medeverdachte 3] (‘ [naam 8] ’) en ‘ [naam 9]’. Uit deze berichtenwisseling, vanaf 21.08 uur, blijkt dat [medeverdachte 3] – die in de telefoon van ‘ [naam 9]’ staat opgeslagen als ‘ [naam 10] ’ – aan ‘ [naam 9]’ een signalement (blauw Adidastrainingspak, Adidasschoen, een Louis Vuittontasje en dik) heeft doorgegeven en heeft aangegeven goed op te letten omdat hij ieder moment naar buiten kan komen. ‘ [naam 9]’ antwoordt dat hij die bolle niet ziet.
[medeverdachte 2] stuurt om 22.27 uur een bericht aan de verdachte waarvan de vertaling luidt: “vaak tegen hem uitgelegd/gezegd om niet op scooter te letten. Dus vertel aan haar om niet alleen bitch te lopen doen. Huilen bij jou(w) blood wat is dat? Wat wilt ze/hij nog meer dat wij de kerel buiten zetten en hem ook bellen/roepen?”. De verdachte antwoordt “Ik heb gelezen ook hem gezegt”.
Op 4 oktober 2015 communiceren de verdachte en [medeverdachte 2] weer met elkaar. Ook uit deze communicatie blijkt dat de verdachte contact heeft met de beoogde schutter die op de brug heeft gestaan. Volgens de verdachte heeft deze persoon gezegd dat hij alles kon zien. [medeverdachte 2] reageert met boze berichten. Volgens [medeverdachte 2] kan je op die brug niemand zien “om te vegen”. Vanaf die brug zie je niemand naar buiten lopen. De verdachte moet tegen die man zeggen dat als hij wil werken, hij moet werken en niet met shit moet komen. De verdachte geeft aan [medeverdachte 2] aan dat hij heeft gezegd “hoe kan die man weg gaan zonder dat je hem hebt gezien”.
Op 5 oktober 2015 stuurt ‘ [naam 9]’ om 14.12 uur aan [medeverdachte 2] : “ben je nog dan kom ik met [naam 2] maar jou dan praatte we beeter bro”. [medeverdachte 2] stuurt terug dat hij er is, dat hij die man zo ziet en dat ze straks gaan praten. [medeverdachte 3] vraagt om 22.21 uur aan [medeverdachte 2] wat [naam 2] zegt en vraagt hem wat [naam 2] wel en niet wil. [medeverdachte 2] stuurt terug dat hij hem (het hof begrijpt: [naam 2] ) morgen ziet.
Op 6 oktober 2015 stuurt ‘ [naam 9]’ een bericht aan [medeverdachte 2] waarin hij meedeelt dat hij vandaag bij ‘ [...] ’ die ‘pipas’ (het hof begrijpt: vuurwapens) op heeft gehaald en van hem hoorde dat die auto, die BMW, door de politie is meegenomen. Eerder, op 3 oktober 2015 om 18.32 uur, had ‘ [naam 9]’ aan [medeverdachte 2] bericht: “zo ga ik die auto zette en daarna na oost die motro (motor) hallen”. Het hof leidt hieruit af dat er naast een motor – waarvan verdere gegevens onbekend zijn gebleven – ook een BMW voorhanden was om bij de liquidatie te worden gebruikt. In de nacht van 3 op 4 oktober 2015 is in Amsterdam een BMW met valse kentekenplaten inbeslaggenomen.
Het hof stelt op basis van het voorgaande het volgende vast.
Zowel de beoogd schutter als [medeverdachte 2] houden tijdens de op [slachtoffer] gerichte observatie op 3 oktober 2015 contact met de verdachte. De schutter beklaagt zich tegen de verdachte over hoe de observatie loopt en meldt dat hij zo niet wil werken. [medeverdachte 2] stuurt de verdachte een bericht waaruit blijkt dat hij “hem” (het hof begrijpt: de schutter) heeft gezegd dat hij niet op de scooter moet letten en vraagt de verdachte wat het is dat hij bij de verdachte komt uithuilen. De verdachte geeft aan dat hij het “hem” ook heeft gezegd. Ook op 4 oktober 2015 zijn er berichten verstuurd waaruit blijkt dat de verdachte contact heeft met de beoogd schutter. De verdachte zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij heeft gezegd “hoe kan die man weg gaan zonder dat je hem hebt gezien”. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte verantwoording verwachtte van de schutter. Op 5 oktober 2015 hebben de schutter en [medeverdachte 2] vervolgens contact over een ontmoeting met elkaar en ‘ [naam 2] ’, de verdachte. Het hof leidt hieruit af dat de schutter, [medeverdachte 2] en de verdachte met elkaar zouden gaan praten over de mislukte liquidatie.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte als tussenpersoon een coördinerende rol heeft gehad in het contact met de schutter, waarmee hij een substantiële en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer] . Hiermee is de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van de verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van het hof van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht het hof het primair tenlastegelegde bewezen.
Het hof overweegt ten overvloede – anders dan het Openbaar Ministerie – van oordeel te zijn dat op basis van de berichten niet valt vast te stellen dat de verdachte de beoogd schutter heeft geregeld. Dit maakt het oordeel van het hof evenwel niet anders.”
3.4
Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de beoogd schutter die in de avond van 3 oktober 2015 stond te wachten tot [slachtoffer] , het beoogde slachtoffer, naar buiten zou komen. Nadat de schutter om 21:04 het signalement van [slachtoffer] heeft gekregen, stuurt hij om 21:38 aan de verdachte dat hij “risico voor niets neemt, dat hij de motor helemaal naar oost moet brengen en zo niet meer gaat werken”. Hij stuurt ook dat hij werkt op honderd procent en geen risico voor niets neemt. Ook stuurt de schutter een berichtenwisseling met [medeverdachte 3] aan de verdachte door, waaruit blijkt dat hij om 21:18 klaar stond en iedereen zag die naar buiten kwam. De verdachte stuurt zijn berichtenwisseling met de schutter vervolgens door naar [medeverdachte 2] , waarna de verdachte en [medeverdachte 2] nog enige berichten uitwisselen over de beoogd schutter. [medeverdachte 2] stuurt onder meer: “Wat wilt ze/hij nog meer dat wij de kerel buiten zetten en hem ook bellen/roepen?”, waarop de verdachte antwoordt met: “Ik heb gelezen ook hem gezegt”.
3.5
Verder blijkt uit de bewijsvoering dat de verdachte in de dagen na 3 oktober 2015 steeds als het ware als tussenpersoon in de communicatie tussen de schutter en [medeverdachte 2] fungeert. Op 4 oktober 2015 zegt de verdachte bijvoorbeeld dat de schutter heeft gezegd dat hij alles vanaf de brug kon zien, waarop [medeverdachte 2] vervolgens boos reageert omdat je vanaf die brug “niemand naar buiten [ziet] lopen”. De verdachte zegt vervolgens dat hij ook tegen de schutter heeft gezegd “hoe kan die man weg gaan zonder dat je hem hebt gezien”, waaruit het hof heeft afgeleid dat de verdachte verantwoording verwachtte van de schutter. Ook hebben de verdachte, de schutter en [medeverdachte 2] op 5 oktober 2015 contact over een ontmoeting met elkaar en ‘ [naam 2] ’, de verdachte, waaruit het hof niet onbegrijpelijk heeft afgeleid dat zij met elkaar zouden gaan praten over de mislukte liquidatie.
3.7
Bij de beantwoording van die vraag is van belang dat slechts van medeplegen kan worden gesproken als de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.5 Over de bijdrage van de medepleger heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 december 2014 het volgende overwogen:
“De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.”6
3.11
Zoals het hof zelf ook heeft vastgesteld, blijkt uit de bewijsvoering echter niet dat de verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de feitelijke uitvoering van de voorbereiding van de moord op [slachtoffer] . Ook ligt in de vaststellingen van het hof over de gedragingen van de verdachte na het bewezen verklaarde feit niet besloten dat hij reeds eerder betrokken was bij het plan om [slachtoffer] om het leven te brengen. Iets dergelijks heeft het hof ook niet vastgesteld. Uit de bewijsvoering kan zelfs niet worden afgeleid dat de verdachte, voorafgaand aan het moment waarop de schutter hem het eerste bericht heeft gestuurd, reeds op de hoogte was van dat plan. Integendeel, uit het feit dat [medeverdachte 2] aan de verdachte vraagt ‘wat het is dat de schutter bij hem komt uithuilen’, zou wat mij betreft kunnen worden afgeleid dat de verdachte oorspronkelijk geen rol had in dat plan. Wat overblijft is dat de verdachte na het door de schutter geïnitieerde contact op meerdere momenten als een doorgeefluik heeft gefunctioneerd tussen de schutter en [medeverdachte 2] . Afgezien van de overweging dat de verdachte daarmee “als tussenpersoon een coördinerende rol” in het contact met de schutter heeft gespeeld, heeft het hof niet uitgelegd waarom deze gedragingen van de verdachte – die dus plaats hebben gevonden nadat het bewezen verklaarde feit reeds was voltooid – kunnen worden aangemerkt als een bijdrage van zodanig gewicht dat van medeplegen kan worden gesproken. Al met al acht ik het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk.