4 Verloop van het onderzoek
Op 8 mei 2011 meldt [slachtoffer 1] zich bij de politie te Amsterdam. Zij vertelt dat zij vanuit Hongarije naar Nederland is gebracht door een echtpaar, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], en door hen in [plaats] is gehuisvest. Het was haar bedoeling om in Nederland in de prostitutie te werken. Met het geld dat zij daarmee zou verdienen, wilde zij, kort gezegd, haar schulden in Hongarije aflossen en voor haar kind zorgen. In Nederland dwongen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] haar om haar verdiensten uit de prostitutiewerkzaamheden aan hen af te staan. [slachtoffer 1] doet aangifte.
[slachtoffer 1] wordt door de politie ondergebracht in een opvanghuis. De politie stelt een onderzoek in naar het adres waar [slachtoffer 1] zou zijn gehuisvest. [slachtoffer 1] blijkt te doelen op het adres [adres 2] te [plaats].
Als aan [slachtoffer 1] foto’s worden getoond, herkent zij [medeverdachten 1 en 2] als [medeverdachte 2] respectievelijk [medeverdachte 1]. Verder verklaart [slachtoffer 1] over ‘[medeverdachte 3]’, die op de meisjes zou passen als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in Hongarije waren. Zij herkent ‘[medeverdachte 3]’ van een foto.
Naar aanleiding van de verklaring van [slachtoffer 1] doet de politie onderzoek naar het meisje dat haar naar haar werkplek zou hebben gebracht. Het blijkt te gaan om [slachtoffer 2]. Zij verklaart geen slachtoffer te zijn van mensenhandel.
Op 30 mei 2011 treedt de politie de woning aan het [adres 2] te [plaats] binnen ter aanhouding van ‘[medeverdachte 3]’. De politie treft daar zeven personen aan, waaronder [medeverdachte 3], die [medeverdachte 3] heet, [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [verdachte] en [medeverdachte 5]. [slachtoffer 3] doet aangifte. Zij verklaart, kort gezegd, dat zij als prostituee werkt en haar geld aan [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] moet afgeven. Zij verklaart verder dat [slachtoffer 2], waarmee zij [slachtoffer 2] bedoelt, voor [medeverdachten 1 en 2] werkte.
[slachtoffer 4] wordt door de politie op 30 mei 2011 in de keuken in het gootsteenkastje aangetroffen. Nadat zij is gehoord, brengt de politie haar onder in een opvanghuis. Zij doet een dag later aangifte van uitbuiting door de familie [familie verdachte en medeverdachten 4 en 5].
[slachtoffer 1] verklaart dat in het opvanghuis een vrouw verblijft die is ontsnapt aan [medeverdachte 3]. Het blijkt te gaan om [slachtoffer 5]. Ook zij verklaart slachtoffer te zijn van mensenhandel. Ze zegt dat [medeverdachte 3] haar naar Nederland heeft gehaald onder het voorwendsel dat zij in de huishouding van [medeverdachten 1 en 2] kon werken, maar dat zij eenmaal in Nederland, prostitutiewerkzaamheden diende te verrichten.
Op 13 en 15 november 2013 wordt [slachtoffer 2] door de rechter-commissaris in Zwitserland gehoord. Zij verklaart dan belastend ten aanzien van [medeverdachten 1 en 2] en [medeverdachte 3].
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verdachte en/of haar medeverdachte(n) zich schuldig hebben gemaakt aan mensenhandel jegens (één of meer van) de vrouwen, de mishandeling van die vrouwen en gewoontewitwassen.
5 Bewijsuitsluitingsverweer verklaring [slachtoffer 4]
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de belastende verklaringen van 31 mei 2011 van [slachtoffer 4] dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
[slachtoffer 4] heeft kort na het afleggen van die verklaringen, namelijk op 15 juni 2011, deze verklaringen ingetrokken. Op 8 juli 2011 heeft [slachtoffer 4] ten overstaan van een notaris opnieuw verklaard niet achter de verklaringen van 31 mei 2011 te staan. [slachtoffer 4] is vervolgens in de zaken tegen de verdachten [medeverdachten 1 en 2] en [medeverdachte 3] op 15 november 2011 onder ede gehoord door de rechter-commissaris. Zij heeft haar verklaring bij de notaris ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd. Deze verklaring is in het dossier van verdachte gevoegd.
De rechtbank heeft [slachtoffer 4] niet ambtshalve opgeroepen om ter terechtzitting een getuigenverklaring af te leggen, zodat de rechtbank niet op grond van haar eigen waarneming de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 4] heeft kunnen onderzoeken. De verdediging is niet bekend of [slachtoffer 4] nog steeds gesignaleerd staat. De belastende verklaringen van [slachtoffer 4] worden niet voldoende ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Immers, dat [slachtoffer 4] op het [adres 2] aanwezig is geweest en een dag als prostituee in Nederland heeft gewerkt, wordt niet betwist. Gelet op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad dienen de belastende verklaringen van 31 mei 2011 van [slachtoffer 4] dan ook te worden uitgesloten van het bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer 4] van 31 mei 2011 kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft zij aangevoerd dat [slachtoffer 3] een verklaring heeft gegeven voor het feit dat [slachtoffer 4] haar verklaring heeft ingetrokken. Voorts worden de verklaringen van [slachtoffer 4] van 31 mei 2011 ondersteund door andere bewijsmiddelen, terwijl haar verklaring bij de rechter-commissaris juist haaks op de bewijsmiddelen staat. Ten tijde van de terechtzitting stond [slachtoffer 4] nog steeds gesignaleerd, aldus de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in het arrest Case of Vidgen v. The Netherlands (Application no. 29353/06) van 10 juli 2012 onder verwijzing naar haar eerdere rechtspraak overwogen dat:
‘The Court recalls that the guarantees in paragraph 3(d) of Article 6 are specific aspects of the right to a fair hearing set forth in paragraph 1 of this provision which must be taken into account in any assessment of the fairness of proceedings. In addition, the Court’s primary concern under Article 6 § 1 is to evaluate the overall fairness of the criminal proceedings (…). In making this assessment the Court will look at the proceedings as a whole having regard to the rights of the defence but also to the interests of the public and the victims that crime is properly prosecuted (…) and, where necessary, to the rights of witnesses (…). It is also recalled in this context that the admissibility of evidence is a matter for regulation by national law and the national courts and that the Court’s only concern is to examine whether the proceedings have been conducted fairly.
Article 6 § 3(d) enshrines the principle that, before an accused can be convicted, all evidence against him must normally be produced in his presence at a public hearing with a view to adversarial argument. Exceptions to this principle are possible but must not infringe the rights of the defence, which, as a rule, require that the accused should be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him, either when that witness makes his statement or at a later stage of proceedings (…).
Having regard to the Court’s case-law, there are two requirements which follow from the above general principle. First, there must be a good reason for the non-attendance of a witness. Second, when a conviction is based solely or to a decisive degree on depositions that have been made by a person whom the accused has had no opportunity to examine or to have examined, whether during the investigation or at the trial, the rights of the defence may be restricted to an extent that is incompatible with the guarantees provided by Article 6 (the so-called ‘sole or decisive rule’). (…)
‘Decisive’ in this context means more than ‘probative’. It further means more than that, without the evidence, the chances of a conviction would recede and the chances of an acquittal advance, a test which (…) would mean that virtually all evidence would qualify. Instead, the word ‘decisive’ should be narrowly understood as indicating evidence of such significance or importance as is likely to be determinative of the outcome of the case. Where the untested evidence of a witness is supported by other corroborative evidence, the assessment of whether it is decisive will depend on the strength of the supportive evidence; the stronger the corroborative evidence, the less likely that evidence of the absent witness will be treated as decisive’.
De Hoge Raad heeft in het licht van haar eerdere jurisprudentie en voornoemde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van Mens, geoordeeld dat het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal van de politie voor zover inhoudende een door enig persoon in het opsporingsonderzoek afgelegde, de verdachte belastende verklaring, niet zonder meer ongeoorloofd is in het licht van het EVRM, in het bijzonder niet onverenigbaar met artikel 6, eerste lid en derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM. Van die ongeoorloofdheid is in elk geval geen sprake indien de verdachte weliswaar niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen, doch die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen, in die zin dat de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist (HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1020, paragraaf 4.3).
De rechtbank overweegt dat verdachte heeft verklaard niet te weten hoe het meisje heet dat zich tijdens de inval op 30 mei 2011 in het gootsteenkastje had verstopt. Ze weet ook niet hoe lang dat meisje al in de woning verbleef en of ze in de prostitutie werkte.
De rechtbank acht het gebruik van de verklaring van [slachtoffer 4] geoorloofd, nu de betrokkenheid van verdachte bij de jegens haar gepleegde mensenhandel wordt bevestigd door de verklaringen van [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris van 9 augustus 2012 en 25 april 2013 en het aantreffen van een klein paars notitieboekje in het appartement op het [adres 2] met daarin Engelse woorden.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit steunbewijs betrekking op onderdelen van de belastende verklaringen van [slachtoffer 4] die verdachte betwist. Verdachte ontkent in zijn algemeenheid betrokken te zijn bij de mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 4] en betwist niet slechts bepaalde onderdelen van de verklaring van [slachtoffer 4]. Voornoemde bewijsmiddelen ondersteunen de verklaring van [slachtoffer 4] dat zij met [medeverdachte 4] naar Nederland is gekomen, dat zij het geld dat zij in de prostitutie verdiende aan verdachte of haar zoon gaf, dat ze kritiek kreeg van verdachte omdat ze niet genoeg had verdiend, dat ze angstig was en dat [slachtoffer 3] haar Engelse woorden had geleerd van een stukje papier.
De rechtbank acht het gebruik van de verklaring van [slachtoffer 4] tevens geoorloofd bij de beoordeling van de betrokkenheid van verdachte bij de mensenhandel jegens [slachtoffer 3], nu haar betrokkenheid bij dit feit wordt bevestigd door voornoemde bewijsmiddelen. De verklaringen van [slachtoffer 4] betreffen slechts ondersteunend bewijs ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij de mensenhandel jegens [slachtoffer 3].
De rechtbank zal de verklaringen van 31 mei 2011 van [slachtoffer 4] dus bezigen voor het bewijs, zolang deze verklaringen niet het enige of doorslaggevende bewijsmiddel vormen.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 4] van 31 mei 2011 in het licht van haar andere verklaringen, zal de rechtbank in het navolgende beoordelen.
Dat neemt overigens niet weg dat het de voorkeur had verdiend dat de getuige [slachtoffer 4] ter terechtzitting door de rechtbank had kunnen worden gehoord, zodat de rechtbank zich uit eigen waarneming een oordeel had kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 4].
De rechtbank merkt in dat verband het volgende op. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 23 april 2013 van de rechter-commissaris blijkt dat hij op 18 februari 2013 heeft beslist dat het verzoek van de verdediging in de zaken tegen verdachten [familie verdachte en medeverdachten 4 en 5] om [slachtoffer 4] als getuige te horen, wordt toegewezen. De rechter-commissaris heeft daarbij verwezen naar de eerdere pogingen om [slachtoffer 4] te traceren in de zaken tegen de verdachten [medeverdachten 1 en 2] en de verdachte [medeverdachte 3]. In die zaken zijn herhaalde pogingen om de getuige [slachtoffer 4] na het verhoor bij de rechter-commissaris op 15 november 2011 te traceren vruchteloos gebleven. Uit het proces-verbaal blijkt voorts dat de officier van justitie vervolgens heeft meegedeeld dat de politie naspeuringen heeft gedaan naar de verblijfplaats van [slachtoffer 4] maar dat die naspeuringen geen resultaat hebben opgeleverd. De rechter-commissaris heeft dan ook geoordeeld dat, vanwege het gebrek aan concrete aanknopingspunten ten aanzien van de verblijfplaats van de getuige [slachtoffer 4], het niet viel te voorzien dat zij binnen een redelijke termijn zou kunnen worden gehoord. De getuige [slachtoffer 4] heeft, zoals de officier van justitie heeft meegedeeld, sindsdien tot aan de laatste zittingsdag gesignaleerd gestaan, maar is niet aangetroffen.
Gelet op deze geschiedenis met inbegrip van de voortdurende signalering van [slachtoffer 4] heeft de rechtbank een hernieuwde oproeping van de getuige [slachtoffer 4] voor de terechtzitting zinloos en dientengevolge niet noodzakelijk geacht.
9 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte
omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 30 mei 2011 te Amsterdam en te Zürich, in elk geval in Zwitserland en te Nyíregyháza, in elk geval in Hongarije, tezamen en in
vereniging met een ander of anderen,
anderen te weten
[slachtoffer 3] en
[slachtoffer 4]
door geweld ([slachtoffer 3]) en andere feitelijkheden en door dreiging met geweld en
door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven ([slachtoffer 3]), vervoerd, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]
voornoemde [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft aangeworven ([slachtoffer 3]) en medegenomen met het
oogmerk die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in een ander land, te weten in Nederland en in Zwitserland ([slachtoffer 3]), ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling
die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] met voornoemde middelen heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)
met voornoemde middelen enige handeling heeft ondernomen waarvan zij, verdachte en (één of meer van) haar mededader(s) wisten, dat die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zich daardoor beschikbaar stelden tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden),
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]
die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] met voornoemde middelen heeft gedwongen en bewogen haar, verdachte en/of (één of meer van) haar mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] met of voor een derde,
immers heeft zij, verdachte, en haar mededader(s)
ten aanzien van [slachtoffer 3]
- die [slachtoffer 3] in Hongarije benaderd om in Nederland voor haar, verdachte en haar mededaders in de prostitutie te komen werken en
- de reis van Hongarije naar Nederland voor die [slachtoffer 3] geregeld en
- die [slachtoffer 3] van Hongarije naar Nederland vervoerd en
- die [slachtoffer 3] gehuisvest in [plaats] en
- een prostitutiekamer voor die [slachtoffer 3] geregeld en betaald en
- dagelijks een geldbedrag van de verdiensten uit de verrichtte prostitutiewerkzaamheden door die [slachtoffer 3] laten afstaan en
- die [slachtoffer 3] voorgewend dat ze haar verdiende geld op een rekening zouden zetten om te sparen en dat ze in elk geval de helft van haar verdiensten mocht houden en
- de werktijden van die [slachtoffer 3] bepaald en
- die [slachtoffer 3] geslagen en
- die [slachtoffer 3] opgedragen haar, verdachte, te bellen als zij een klant ontving en
- die [slachtoffer 3] gezegd dat zij geen contact met anderen mocht hebben en geen Hongaarse klanten mocht hebben en
- die [slachtoffer 3] tijdens haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en op haar gepast,
terwijl zij, verdachte, en haar mededaders wisten dat die [slachtoffer 3] in Nederland en/of Zwitserland nergens naartoe kon en in Nederland geen vrienden had en dat zij de taal niet sprak en dat zij bang was
ten aanzien van [slachtoffer 4]
- de reis van Hongarije naar Nederland voor die [slachtoffer 4] geregeld en
- die [slachtoffer 4] voorgewend dat zij al haar verdiensten mocht houden en
- die [slachtoffer 4] van Hongarije naar Nederland vervoerd en
- die [slachtoffer 4] gehuisvest in [plaats] en
- een prostitutiekamer voor die [slachtoffer 4] geregeld en betaald en
- die [slachtoffer 4] opgedragen (terwijl die [slachtoffer 4] prostitutiewerkzaamheden verrichtte) haar, verdachte, en/of haar mededader te bellen als zij een klant ontving en het van de klant
ontvangen geldbedrag aan haar, verdachte en/of haar mededader door te geven en
- die [slachtoffer 4] haar, verdachte, en haar echtgenoot vader en moeder laten noemen en
- een geldbedrag van de verdiensten uit de verrichten prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 4] door die [slachtoffer 4] aan haar, verdachte, en/of haar mededader laten afstaan
terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten dat die [slachtoffer 4] in Nederland nergens naartoe kon en in Nederland geen vrienden had en de taal niet sprak en dat zij bang was.
in de periode van 4 mei 2011 tot en met 30 mei 2011 te Amsterdam tezamen en in
vereniging met anderen opzettelijk mishandelend
- [slachtoffer 3] met de vuist(en) en/of de vlakke hand met kracht tegen het hoofd van die [slachtoffer 3]
heeft geslagen en/of gestompt waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen.
in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 mei 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen van het plegen van
witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
immers heeft zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen in genoemde periode bij wijze van gewoonte, contante geldbedragen, te weten:
- telkens de verdiensten uit de door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] verrichte prostitutiewerkzaamheden,
verworven en voorhanden gehad terwijl zij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
15 Beslissing
Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde deels nietig, overeenkomstig hetgeen onder 3.1.1 is overwogen.
Verklaart het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 9 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
1.
Mensenhandel in vereniging gepleegd, meermalen gepleegd
3.
Medeplegen van mishandeling
Verklaart het in rubriek 9 onder 4. bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.
Verklaart het bewezene onder 1 en 3 strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (VIER) JAREN.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst de vordering van [slachtoffer 3], domicilie kiezend op het kantoor van haar raadsvrouw,
mr. A. Koopsen, toe tot € 26.700,- (zesentwintigduizend en zevenhonderd euro), bestaande uit materiële en immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 mei 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 3] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3], € 26.700,- (zesentwintigduizend en zevenhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 30 mei 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 168 (honderdenachtenzestig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering [slachtoffer 2]
Verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en S.J. Riem, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 maart 2015.