7.1.
De stukken waarop de beslissingen van de rechters-commissarissen betrekking hebben en waarover wordt geklaagd dat er ten onrechte beslag op rust zijn de stukken A-7-1-1-3 en A-7-l-1-4 en MG 32 afkomstig uit de doorzoeking bij [bedrijf 1 B.V.], de stukken met extensie MG36, MG37, MG40, MG41, MG42, MG44, MG61, MG62 en MG64 zijn afkomstig uit de doorzoeking ter inbeslagneming en de doorzoeking ter vastlegging van gegevens bij [bedrijf 2 B.V.] en stuk MG27 en het ongenummerde stuk zijn afkomstig uit een vordering uitlevering ter inbeslagneming.
Deze stukken maken geen deel uit van het raadkamerdossier, maar de rechtbank begrijpt uit de litigieuze beschikkingen dat het hier betreft verscheidene concepten van de realisatieovereenkomst, een tweetal concepten van de overeenkomst met betrekking tot huurdersvoorzieningen, een overeenkomst ter zake van casco plus huurdersvoorzieningen [bedrijf 1 B.V.], een factuur van 8 oktober 2009, een e-mail van [persoon 2] aan de geheimhouder van 22 september 2006, een e-mailwisseling tussen [persoon 3] en [persoon 2] van 25 september 2006 met cc aan de geheimhouder en een concept van de realisatieovereenkomst met handgeschreven aantekeningen.
7.2.
Uit regelgeving en jurisprudentie kan het volgende juridische toetsingskader worden afgeleid.
7.2.1.
Ingevolge artikel 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning.
7.2.2.
Wat als corpus of instrumentum delicti moet worden aangemerkt is, anders dan de vermelding in de Aanwijzing dat een document zelfstandige betekenis moet hebben, niet nader gedefinieerd en mede afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval, waaronder de aard en complexiteit van de verdenking. In ieder geval is onvoldoende dat het document als bewijs van het feit kan dienen.
7.2.3.
De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Voor een beroep op het verschoningsrecht is niet van belang of de in het geding zijnde informatie zich bij de verschoningsgerechtigde zelf of bij diens cliënt bevindt.
7.2.4.
Het beroepsgeheim van de notaris, ook na beëindiging van zijn ambt is vastgelegd in artikel 22 van de Wet op het notarisambt en vindt zijn grondslag in het algemene maatschappelijk belang dat burgers zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking tot de notaris als vertrouwenspersoon moeten kunnen wenden (Hoge Raad 1 maart 1985, NJ 1986, 173 – Ogem/notaris [naam]).
7.2.5.
Het is wat betreft de te volgen procedure eerst aan de verschoningsgerechtigde om zich bij de doorzoeking ter inbeslagneming uit te laten omtrent het verschoningsrecht met betrekking tot de in beslag te nemen stukken waarbij de zienswijze van de Ringvoorzitter (of diens vervanger), indien aanwezig, kan worden gevraagd. Dit is niet anders indien in verband met bijvoorbeeld de omvang van de te beoordelen stukken, de stukken die naar het voorlopig oordeel van de rechter-commissaris voor inbeslagneming in aanmerking komen, verzegeld worden meegenomen naar het kabinet van de rechter-commissaris. Ook dan dient de verschoningsgerechtigde in staat te worden gesteld zich uit te laten over zijn verschoningsrecht met betrekking tot de in beslag genomen stukken. Het oordeel dat redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat het in dit verband door de verschoningsgerechtigde ingenomen standpunt onjuist is, komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de Ringvoorzitter (of diens vervanger). Voor zover dat noodzakelijk is mag daartoe door de rechter-commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen.
7.3.
De rechtbank komt dan tot het volgende oordeel.
7.3.1.
Uit eerdergenoemde stukken is de rechtbank gebleken dat de rechters-commissarissen de in de regelgeving voorgeschreven procedure geheel hebben gevolgd. De notaris en de Ringvoorzitter zijn gehoord op de vorderingen, de desbetreffende stukken zijn bestudeerd, en de beschikkingen zijn met redenen omkleed, waarbij uitgebreid is ingegaan op de bezwaren die namens klager naar voren zijn gebracht. Aan de totstandkoming van de onderhavige beschikkingen kleven dus geen procedurele gebreken.
7.3.2.
De rechtbank dient in onderhavige zaak in de kern te beoordelen of de rechters-commissarissen terecht en op deugdelijke gronden tot het oordeel zijn gekomen dat de inbeslaggenomen, litigieuze documenten – in weerwil van het standpunt van klager – kunnen worden aangemerkt als brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken en/of tot het begaan daarvan hebben gediend (corpus of instrumenti delicti).
7.3.3.
Voor deze beoordeling wordt acht geslagen op de niet betwiste weergave van de documenten waarop de beschikkingen zijn gebaseerd.
7.3.4.
In de onderhavige zaak is sprake van een verdenking van het (mede)plegen van een intellectueel delict dat in enige tijdspanne en in onderlinge samenwerking tot stand is gekomen.
7.3.5.
In navolging van de rechters-commissarissen, die – anders dan de rechtbank – de bedoelde stukken inhoudelijk hebben bestudeerd, is de rechtbank van oordeel, dat in de onderhavige zaak, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en complexiteit van de verdenking, als instrumenti delicti kunnen worden aangemerkt:
- e-mailverkeer (van verdachten, maar ook van of aan derden of tussen derden onderling) dat betrekking heeft op het overleg over en/of het uitdenken van de strafbare gedragingen;
- notulen die betrekking hebben op het overleg over en/of het uitdenken van de strafbare feiten en
- concepten van (valse) overeenkomsten, zoals concepten van de Realisatieovereenkomst.
Dit, omdat met deze documenten de verweten strafbare feiten in onderling overleg zijn uitgedacht en met behulp daarmee de strafbare feiten tot stand en voltooiing zijn gekomen. Daarbij wordt in de overwegingen betrokken dat de definitieve realisatieovereenkomst – die valselijk opgemaakt zou zijn – slechts na een langdurig, ingewikkeld proces van onderhandelen en discussiëren over meerdere conceptversies tot stand kan zijn gekomen. Conceptversies en daarmee verband houdende stukken vormen daarmee een essentiële voorwaarde voor de totstandkoming van de finale overeenkomst waardoor deze stukken zelfstandige betekenis krijgen.
De rechtbank overweegt dan ook dat deze van de rechters-commissarissen overgenomen uitleg van het begrip “instrumenti delicti” niet als een extensieve interpretatie heeft te gelden, doch veeleer een nadere invulling inhoudt van de voor “corpus en instrumenti delicti” vereiste “zelfstandige betekenis”. Van een uitleg in strijd met de Aanwijzing is dan ook geen sprake.
7.3.6.
Afgezet tegen voornoemd criterium voor instrumenti delicti gaat het in de onderhavige zaak dan om de stukken A-7-1-1-3, A-7-1-1-4, MG36, MG37, MG40, MG41, MG42, MG44, en MG64.
7.3.7.
Ten aanzien van MG61 (de e-mailwisseling tussen [persoon 3] van [bedrijf 1 B.V.] en [persoon 2] van [bedrijf 2 B.V.] van 25 september 2006) overweegt de rechtbank als volgt. Klager heeft deze e-mailwisseling in carbon copy ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat nu de geheimhouder deze e-mailwisseling niet de geadresseerde of afzender is van deze e-mails, er geen sprake is van een vertrouwelijk document als bedoeld in artikel 98, eerste lid, Sv.
7.3.8.
Met betrekking tot MG62, de factuur van 8 oktober 2009 van [bedrijf 2 B.V.] voor een bedrag van € 11.584.650,- conform artikel 12 van de realisatieovereenkomst overweegt de rechtbank het volgende. Deze factuur is als bijlage verstuurd bij een brief van [bedrijf 2 B.V.] aan een geheimhouder en kan gezien de verdenking als een corpus delicti als bedoeld in artikel 98 lid 2 Sv worden aangemerkt.
7.3.9.
De slotsom is dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan dat het standpunt van klager dat het hier gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend, onjuist is en dat het klaagschrift derhalve ongegrond moet worden verklaard.